Eric en Carla fietsen over de hoogvlaktes van de Andes.

In november en december fietsen wij (Carle en Eric) over de hoogvlaktes van de Andes door Bolivia, Chili en Argentinië. Wij zullen voornamelijk tussen de 4.000 en 5.000 meter fietsen.
Hieronder kun je onze reis volgen.

Waar heen dit keer?

Waar gaan we dit jaar naar toe op reis. Die vraag is dit jaar lang in het luchtledige blijven hangen. Drie dagen na terugkomst van de vorige reis werd opnieuw een operatie aan m’n enkel gepland. Daarna veel langer revalideren dan gehoopt. Nieuw werk. 15-jarig jubileum activiteiten van De Vakantiefietser. En toen hadden we eindelijk een bestemming gevonden (Colombia), werd het daar weer te gevaarlijk…

Gelukkig heeft Eric veel leuke klanten die mooie reizen maken. Zo ook Alexander en Irma uit Rotterdam. Alexander schrijft ook een blog  over hun reizen en tipte ons hun reis van vorig jaar over de Puna de Atacama. Dat leek ons wel wat. Maar… luxeprobleem: hun reis duurde vier weken, en wij hebben er acht…

“Weet je nog, zeven jaar geleden, toen we niet genoeg tijd hadden, en ook niet goed genoeg voorbereid waren voor de Laguna Ruta in Bolivia. We hebben altijd gezegd dat we die nog een keer willen fietsen. Als we die er nou vóór plakken. Dan beginnen we in Sucre, niet al te hoog, en eindigen we in Salta, Argentinië, of zo iets”.

Dus na terugkomst van het bedrijfsuitje in India ga ik aan de slag met de planning. Afstanden berekenen, slaapmogelijkheden onderzoeken, rustdagen plannen, leuke dingen onderweg inventariseren. Na twee weken ben ik er redelijk uit en houd ik op het eind drie ‘jokerdagen’ over. Dat zijn dagen die we kunnen inzetten als het ergens heel leuk is, we ziek zijn, of langer over een etappe doen dan gedacht. Kortom: Eric kan gaan boeken.

We vinden een goede vlucht met Air Europa, dat wil zeggen: drie aansluitende vluchten, op Cheaptickets.nl. Voor we boeken bellen we eerst even, hoe we de fietsen moeten aanmelden. “Dat kunt u pas doen als u geboekt hebt”. Ok, dus we boeken de vlucht ’s avonds laat en de volgende ochtend bel ik om half negen gelijk om de fietsen aan te melden. “Oh, maar u had daarvoor moeten bellen vóór u de vlucht boekte. Ik kan nu niet garanderen dat ze mee kunnen. Ik ga mijn best doen, maar ik kan niets garanderen”. Zucht… Een typisch geval van het kastje en de muur.

Een paar dagen later krijgt Eric het bericht van Cheaptickets.nl dat de fietsen op een deel van het traject niet mee kunnen. Na een telefoontje met de luchtvaartmaatschappij krijgt hij de bevestiging dat de fietsen mee kunnen… Volgend jaar toch maar weer gewoon naar een fysiek reisbureau.

Op het blog van Alexander lees ik dat het ’s nachts heel koud is. Hij heeft zelfs een nieuwe slaapzak aangeschaft. Hoe zat het ook al weer met de Laguna Ruta? Jaaa… Langzaam komen de herinneringen terug. Het was heel koud die twee nachten dat we daar geslapen hebben. Het is namelijk én woestijn, én heel hoog in de bergen. Wij hadden gelukkig nog slaapzakken bij ons. Onze Australische reisgenoten hadden dat niet, en hadden het heel koud gehad ondanks de stapels dekens. Eric heeft nog wel een slaapzak die tot -16 gaat, maar ik niet. Dus bestellen. En hoe zit het met kleding? Toch maar een lichtgewicht donsjas en goede handschoenen aanschaffen. Verder thermisch ondergoed en veel laagjes die te combineren zijn inpakken. Dan moeten we het overleven zou je zeggen. Eric krijgt van Ortlieb de nieuwe grote 70 liter tassen set met grote zijvakken. Die blijken erg goed van pas te komen voor de dikke slaapzakken en alle extra kleding.

We zijn er klaar voor. Bolivia here we come!

Carla


Terug in Bolivia

De eerste dagen loop ik met een onwerkelijk gevoel rond in Sucre. Nog geen anderhalve maand geleden fietsten we in India met het personeel van de winkel vanwege het 15-jarig bestaan en hadden we nog geen idee waar onze ‘grote’ reis naar toe zou gaan. En nu zijn we hier. Maar het is wel leuk. De aardige mensen, de kleurrijke marktjes, de bolhoedjes, de Spaans-koloniale huizen met hun binnenplaatsen. Het is een feest van herkenning, ondanks dat we destijds niet in Sucre waren.

De avond van aankomst is het Halloween. Dat is hier voor al een kinder-verkleedfeest met lampionnen en mandjes snoep. Maar er is ook een optocht van verklede fietsers. Erg leuk.

Eerst maar een paar dagen acclimatiseren want Sucre ligt al op 2800 m hoogte. Het is aangenaam. Het is voorjaar. Overdag lekker 30°C. ’s Avonds koelt het lekker af.

Tijdens het ontbijt de tweede dag ontmoeten we Paula. Zij woont in Santa Cruz en heeft een lezing gegeven op de universiteit en is nog twee dagen toerist in eigen land in Sucre. Ze wil vandaag het dinosaurus museum bezoeken. Het is een erg leuke dame en we stellen voor om samen te gaan. Zoals ze de ‘site’ beschrijft lijkt ons dat ook wel interessant. Ooit was in dit gebied de oever aan een binnenzee, en zijn er dinosauriër voetafdrukken in de klei achter gebleven. Die zijn versteend en de plaats waar ze in zitten is door tektonische activiteit 70° verticaal omhoog gedrukt. Uniek in de wereld. Rondom deze vondst is een park gemaakt met plastic dinosauriërs op ware grootte. Beetje kitsch, maar wel leuk en interessant.

’s Avonds lopen we naar het restaurant dat we aanbevolen hebben gekregen. Opeens zegt Eric: “Kijk daar nou eens. Een uithangbord met een fietsje en ‘Amsterdam’ eronder. Het lijkt erop dat dat een restaurant is. Daar kunnen we natuurlijk niet aan voorbij gaan. “Kom, we gaan kijken”. Het blijkt inderdaad een restaurant te zijn met een Nederlandse eigenaar. Het is niet druk, dus Dirk heeft wel even tijd om met ons te praten. Zij vrouw blijkt een waar culinair talent te zijn. Hij heeft haar ontmoet in Uyuni en zijn daarna naar Sucre verhuisd. Daar hebben ze een restaurant aan het centrale plein opgezet, maar nadat ze een jaar aan de culinaire academie in Lima had gestudeerd en zeven maanden een Australische chef in dienst had genomen om nog meer kneepjes van het vak te leren, was het restaurant aan het plein te klein voor haar.

Vandaar dat ze in de straat erachter een groter pand hebben betrokken en sinds twee maanden daar draaien. Het eten is inderdaad erg goed. Er blijken nog 11 Nederlanders in Sucre te wonen. Bijna allemaal werken ze in de horeca of in de toeristische sector. Eén Nederlander springt eruit. Dat is Harry Ellen. Die blijkt net als ik van Texel te komen en net zo oud te zijn als mijn vader. Mijn vader kent hem wel. Harry is op z’n 68e nog omgeschoold tot missionaris en woont en werkt dus nu al zo’n 14 jaar in Sucre.

De volgende dag lunchen we nog met Paula bij restaurant ‘Amsterdam’, zo goed vonden we het, en maken we ons op voor de eerste etappe van drie dagen, van Sucre naar Potosí.

Carla


De eerste dagen in Bolivia

We zijn naar de hoofdstad Sucre gevlogen op 2800 meter hoogte. Na een paar dagen acclimatiseren, zijn we naar Potosí gefietst op 4060 meter hoogte. Ik zou verwachten dat naarmate je hoger komt de zwaartekracht afneemt en de lucht ijler wordt, zodat de fiets met bagage lichter wordt en de luchtweerstand minder. Toch kom ik soms adem tekort. Snap jij het?

We verblijven in een alojamiento; oftewel een simpele kamer boven wegrestaurant Millares in het gelijknamige dorp. In de kamer staan twee legerbedden met een matras met beddegoed dat in jaren niet meer gewassen lijkt. Voor de restaurantbezoekers is er een baño voor algemeen gebruik met een dames- en herentoilet en een koude douche in een groezelige ruimte met een urinoir aan de muur. De kunst is dan te douchen zonder dat je de gore muren aanraakt. En ik probeer zo min mogelijk te ruiken, want ook al ontbreekt de afvoer bij het urinoir, hij wordt wél gebruikt. Het is iets waar ik (en Carla) niet van schrik in de wetenschap dat wij morgen of overmorgen weer in een schoon hotel zitten met een eigen warme douche. Carla houdt al helemaal niet van koud water. Als zij gedoucht terugkomt bekent zij: ”Ieder plekje op mijn lijf heeft in ieder geval water gevoeld.”

Dit is typisch zo’n plek waar je als fietstoerist stopt, eet en overnacht omdat het op een dag fietsen ligt van een vorige plek. Millares is een dorp waar alle andere toeristen aan voorbij gaan.
Er is dan ook geen reden om te stoppen want binnen tien minuten hebben wij het complete dorp gezien en alle inwoners hebben óns gezien. Ze wonen in simpele stenen huizen gelegen aan een onverharde straat met overal afval. Er is een kleine school voor alle kinderen die in de wijde omgeving wonen. Zodra een paar meisjes ons spotten horen we ze fluisteren: “Gringo, gringo.”

De bezetting van het restaurant bestaat uit de eigenaar met zijn vrouw, twee dochters en twee oma’s. De dames dragen allemaal de Boliviaanse rok en zwarte hoed en dragen hun haar in twee lange vlechten. De hele dag zijn ze aan het kokerellen. Het menu bestaat voornamelijk uit veel rijst, nog meer aardappelen en grote stukken vlees. Dat wordt geserveerd als kippensoep met rijst, aardappelen en vlees. Of als maaltijd met rijst, aardappelen en vlees. Wij besluiten het bij de kippensoep te houden.

Na een goede nachtrust op het spartaanse matras in onze eigen schone slaapzakken, regelt Carla het ontbijt.
Tegen de tijd dat ik beneden kom zie ik haar zitten met onze eigen jam en broodjes. Ze legt uit dat ze geen ‘desayuno’ hebben. Nou, dat lijkt mij stug, dus vraag ik of dat klopt. Dat klopt. Dan vraag ik of ze eten hebben. “Ja, dat hebben we wel”. “Nou”, zeg ik: “Doe dan maar één portie”. Vijf minuten later krijg ik kippensoep met rijst, aardappelen en een homp vlees.

Twee Bolivianen lopen naar binnen en krijgen hetzelfde als ontbijt voorgeschoteld. Maar de eigenaar haalt van achteren een paar broodjes en de familie zelf gaat ontbijten zoals bij ons: broodjes met beleg. Als ik vraag waarom wij dat niet konden krijgen, zegt de man dat wij daarom hadden moeten vragen…

Ben ik nou gek?

Kijk, dat is nou iets dat ik vaker op het hoogland in Bolivia heb gemerkt. Ze kijken niet verder dan hun neus lang is en zijn niet in staat om zich te verplaatsen in hetgeen iemand anders wil. Associëren is blijkbaar niet voor iedereen weggelegd. Dan overpeins ik dat het misschien een gebrek aan opleiding is, maar die gedachte verwerp ik al snel. Want bijvoorbeeld in Myanmar waren ze super attent en zagen ze in één oogopslag wat ik nodig had. Misschien dat het door het harde bestaan komt dat Bolivianen meer op zichzelf gericht zijn dan op anderen. Maar nu we dit weten, zullen we een volgende keer met andere woorden uitleggen wat we nodig hebben.

De hele fietsdag komen we niets tegen, dus zet ik de benzinebrander aan en maken we soep voor de lunch. In Sucre hadden we twee pakjes noedelsoep gehaald. ‘Sopa de pollo’ leek mij toen wel lekker met als resultaat dat ik nu drie keer achter elkaar kippensoep eet.

Niet iedereen snapt mijn humor

Met mijn grapjes zit het ook al niet mee. Ze slaan niet aan. Het Spaanse woord voor regen is lluvia. Als het met bakken uit de hemel komt, zeg ik tegen een man: “Dit is geen Bolivia, maar Bolluvia”. Ik vond het zelf wel een grappige woordspeling.

Of als wij in een goed hotel bij het ontbijt drie gekookte eieren bestellen, vragen ze hoe lang ze moeten koken. Breed glimlachend zeg ik: “Doe maar 4 minuten. Dus voor twee eieren is dat 8 minuten en voor drie dus 12 minuten.”
Ook al zijn ze hier toeristen gewend, deze humor snappen ze niet. Het lijkt Carla beter om dit grapje niet meer te maken, want als resultaat krijgen we drie keihard gekookte eieren.

Eric


Potosí

Na drie pittige dagen klimmen en dalen komen we in Potosí. Die stad hebben we zeven jaar geleden letterlijk links laten liggen omdat de onverharde weg van Huari naar Uyuni toen goed droog was en er ook geen regen voorspeld werd. Het was een prachtig avontuur over de Altiplano destijds waar we geen spijt van hadden.

Deze keer gaan we via Potosí. Als we de pas over komen zien we in een vallei op 4060 m hoogte een behoorlijk grote stad liggen. Dramatisch op de achtergrond een enorme berg zoals kleine kinderen bergen tekenen: een driehoek met de punt naar boven. Wat opvalt zijn de vele kleuren waaruit de berg bestaat.

De berg heeft de naam ‘Cerro Rico’ gekregen, de Rijke Berg. In 1544 ontdekten de Spaanse veroveraars dat de inheemse mensen zilvererts uit de berg haalden. Een jaar later stichtten zij officieel Potosí, en zetten een ingenieus systeem op waarbij ze de inheemse bevolking voor zich lieten werken om het zilvererts te delven en te verwerken met desastreuze gevolgen voor de bevolking. Het kwam neer op slavenarbeid. De arbeiders in de zilverindustrie was geen lang leven beschoren. En ondertussen werd hen ook nog het katholieke geloof door de strot gedrukt. Men vermoedt dat een groot deel van de ‘Zilvervloot’ die Piet Hein op de Spanjaarden buit maakte, uit Potisí afkomstig is.

Het is weer even wennen: fietsen in een stad, na drie dagen alleen maar door kleine dorpjes gekomen te zijn. Stoplichten en druk verkeer. Vooral de concentratie uitlaatgassen van met name de verouderde stadsbussen is onaangenaam in Potosí. Heeft het misschien ook met de hoogte te maken dat de gassen blijven hangen in de stad?

Eric is zijn horloge vergeten in het hotel in Sucre. We hadden ons oog al laten vallen op een hotel in Potosí, dus zodra hij het merkt belt hij en sturen de aardige mensen van het hotel in Sucre zijn horloge op naar Hostal Colonial in Potosí. Het is een prachtig, goed onderhouden koloniaal gebouw met drie binnenplaatsen. We krijgen een grote kamer toegewezen van de aardige receptionist Alberto, want zo, redeneert hij, hebben we wat meer ruimte met al die tassen die de receptieruimte vullen.

Het centrum van Potosí, rondom het centrale plein, is erg gezellig. Er zijn meerdere voetgangersstraatjes met leuke winkeltjes, restaurantjes en koffietentjes. Altijd heel fijn als je weer lekker kunt eten na een aantal dagen heel basic maaltijden te hebben genuttigd in de kleine dorpjes. Alberto weet ons goed te adviseren.

Eric is niet zo van de musea. Vaak als ik voorstel om een museum te bezoeken verzint hij een uitvlucht of zegt gewoon heel direct dat hij daar geen zin in heeft. Als we dan toch een keer gaan is hij er meestal vier keer zo snel doorheen als ik.

Maar misschien is deze reis een kentering? Hij heeft namelijk van klanten twee ‘must do’ tips gekregen, en beide tips behelzen musea. In Sucre waren we al naar het Dino ‘museum’, maar ook naar het Casa de la Libertad geweest, het ‘museum’ over de onafhankelijkheid van Bolivia in 1825.

De eerste tip in Potosí is het Santa Theresa convent. Een enorm klooster waar de tweede dochters van rijke mensen vanaf de tweede helft van de 16e eeuw in gingen, om er nooit meer uit te komen. Het bestaat in totaal uit 18 binnenplaatsen, waarvan twee ingericht zijn als museum. De ene na de andere kamer hangt vol met religieuze schilderkunst, zilveren attributen voor de mis, waaronder een fantastische monstrans, en met bladgoud en heiligenbeelden versierde altaren. Later lees ik dat dit wellicht het beroemdste 16e – 19e schilderkunstmuseum van Zuid-Amerika is. De vrouwelijke gids spreekt goed Engels waardoor we een aardig beeld krijgen van het leven in het klooster, wat overigens nog steeds bestaat, maar waar de regels niet meer zo streng zijn.

De tweede tip is het Casa Nacional de Moneda, het geldmuseum. Ook weer een goed Engels sprekende vrouwelijke gids leidt ons rond door de geschiedenis van het geld. De Spaanse keizer Karel V liet het zilvererts ter plekke verwerken tot o.a. zilveren munten, de Reaal. De Reaal werd het geld waarmee over de hele wereld betaald kon worden, net als de dollar nu. Ironisch genoeg wordt het Boliviaanse geld nu in drie verschillende landen elders in de wereld gedrukt.

Ik heb genoten van de twee tips, en Eric ook!

Dus lieve klanten, ga zo door! Blijf Eric tips geven over mooie musea op onze reisbestemmingen!

Carla


Potosí – Uyuni

We vertrekken uit Potosí, wat een stad met schone berglucht zou moeten zijn want het ligt op 4060 meter hoogte. Het tegendeel is waar. Omdat met name de openbaar vervoer bussen ongelofelijk veel roet uitstoten, hap ik soms in de straten naar adem. Het naar adem happen heb ik ook als ik in mijn slaap wakker wordt. Mijn ademhaling stokte even waardoor ik wakker werd en mijn keel is gortdroog. Ik haal een paar diepe teugen lucht en val weer in slaap, om even later weer wakker te schrikken alsof mijn lijf laat weten dat ik een paar keer extra goed moet ademhalen. Ik neem meteen weer een paar slokken water en zo gaat dat een paar keer. Tja, last van hoogteziekte heb ik niet, maar wel soms van kortademigheid. Een volgende keer als wij op deze hoogte gaan fietsen, ga ik eerst een paar weken dikke sigaren roken. Als ik dan hier ben en niet meer rook, dan voelt dat waarschijnlijk alsof ik extra veel lucht krijg.

In vier dagen fietsen we naar Uyuni over de hoofdweg. Een goed geasfalteerde weg met de laatste dagen soms twee auto’s per uur. We dalen af en klimmen weer naar 4100 meter. Daarna dalen we tot 3600 om naar 4218 meter te klimmen. De hellingen zijn niet superstijl, maar het percentage zuurstof is op deze hoogte 30% minder dan bij ons in Nederland en het energieniveau van een fietser op deze hoogte is maar 60 procent van wat het anders is. Ik vraag mij soms af: “Waarom doe ik dit? Waarom fiets ik bergop en moet dan stoppen om flink adem te halen terwijl het voelt alsof ik bijna stik.”
Een reden is omdat het in deze grote leegte erg mooi is om te fietsen. Wow, dat er nog zo veel ruimte bestaat op onze planeet. Je gaat een bocht om en ziet weer bizarre rotsformaties. Als ik even op Carla wacht, zie ik in de rotsen een versteend zandstrand. En een dag later zie ik een rotsblok met een dinosaurusvoetafdruk. Want vroeger was deze hoogvlakte zee en oever. De Andes is ontstaan doordat aardlagen omhoog werden gedrukt tot boven de 4000 meter.

Er woont bijna niemand en wij zien meer lama’s en vicuña’s dan Bolivianen. Dorpjes zijn er zelden en als ze er zijn, zijn het functionele mijnwerkdorpjes die niet heel mooi ontworpen zijn.

De wind heeft vrij spel. Soms hoor je de wind aankomen door een gebulder in de verte. En dan een minuut later wordt je opzij geduwd. We zien wervelstormen in de verte en ik ruik de geur van toiletverfrisser. Maar volgens Carla komt dat omdat wij toiletverfrisser gebruiken met de geur van Eucalyptus. En hier staan soms eucalyptusbomen die geuren.

We komen de Duitsers Sascha en Maria tegen met wie we een dag optrekken en ook vrijkamperen. We moeten wel kamperen want er is niets. En eigenlijk is dat niet erg. We koken ons kostje op onze benzinebrander en wassen ons voordat de zon onder gaat, want dan daalt de temperatuur heel snel.

Na vier dagen ploeteren, komen we aan in Uyuni waar het leven weer van alle gemakken wordt voorzien. We hebben dan vier passen achter de rug van 4100, 4218, 4038 en 4114 meter. En tussendoor dus steeds afgedaald en stukje omhoog, weer afgedaald en dan op en neer naar de volgende pas.

We zijn inmiddels goed ingefietst en dat moet ook wel. Want na Uyuni gaan we de Laguna Route volgen en die is grotendeels onverhard en er zijn niet veel dorpjes en onderkomens. De hoogste pas op dat traject is boven de 4900 meter. Omdat er onderweg bijna niets te krijgen is, hebben we een planning gemaakt. Voor het ontbijt hebben 1,2 liter water nodig, overdag drinken we 2 liter p.p. en voor het avondeten hebben we 2,2 liter nodig. Dan hebben we nog 2 liter waswater nodig p.p.om ons te wassen en de tanden te poetsen. Maar we hebben ook Wetties bij ons voor het geval we toch wat water tekort komen. En dan nog genoeg eten mee voor soms drie dagen. Dat betekent dat de fietsen op de gedeeltes waar geen water en voedsel verkrijgbaar is, opeens 20 kilo zwaarder zijn door het water en eten.

Je hoort weer van ons hoe dat is gegaan.

Eric


 

Deel deze pagina met anderen

Hoe denk jij erover?