Namibië

Is dit echt Afrika?


Vorig jaar koos Eric voor India. Dit jaar is het mijn beurt. Omdat ik me soms in India niet zo in mijn sas voelde zei hij na thuiskomst tegen me: ‘Volgend jaar wil ik op vakantie naar een land waar jíj je lekker in je vel voelt.’ Reizen in India betekent niet alleen een aanslag op de zintuigen, maar ook op je privacy. Zijn opmerking was reden genoeg om te gaan zoeken naar een onbekend fietsland, nog niet overspoeld met toeristen en met een aangenaam klimaat. Na een bezoek aan de Vakantiebeurs in Utrecht passeerden een paar landen de revue: Uruguay, Suriname en Namibië. Het laatste won. Door goede ervaringen in Kenia voelde ik me aangetrokken tot Afrika. Toch twijfelden we enigszins vanwege het gebrek aan informatie. Wel kon de kleine reisorganisatie Footprints ons vertellen dat er in Namibië te fietsen was, al zou het een pittige tocht worden. Tegen betaling hielpen zij met het uitstippelen van een route, langs een aantal tot de verbeelding sprekende plaatsen: Sesriem, met zijn rode zandduinen en Kaap Kruis, waar tienduizenden zeerobben leven. En niet te vergeten Twijfelfontein, bekend om zijn eeuwenoude rotstekeningen, en het beroemde natuurreservaat Etosha. Op sommige trajecten zou het noodzakelijk zijn voor enkele dagen water en voedsel mee te nemen. Bovendien zou de tocht ons over honderden kilometers grindweg voeren. Zouden we dat volhouden? Dat het niet echt een plezierreisje beloofde te worden, daar waren we ons van bewust, maar dat is juist de charme van zo’n reis: vermoeidheid en voldoening liggen dicht bij elkaar.
Wat voor souvenir we uit Namibië mee terug zouden nemen, wisten we al. De ranke, lange, houten giraffe die bij Footprints stond, had ons hart gestolen. Dat dit besluit heel wat voeten in de aarde zou hebben, beseften we toen gelukkig nog niet…

Namibië staat ook wel bekend als het land dat God in zijn boosheid schiep. Als het toestel na twaalf uur vliegen gaat landen, begrijpen we waarom. Het land oogt weerbarstig en droog. Honderden kilometers schaars begroeide vlakten en eindeloze woestijnen glijden voorbij. Wat heeft mensen ooit bezield zich hier permanent te vestigen? Het zijn er dan ook niet veel: met een inwonertal van 1,5 miljoen op een oppervlakte van Frankrijk en Duitsland samen is Namibië het dunstbevolkte land van Afrika.
Hoewel ik veel gereisd heb, bezorgt het bezoeken van een onbekend land me altijd weer een plezierige spanning: wat staat ons te wachten? Met wat voor indrukken zullen we over vijf weken vertrekken? Alles is mogelijk. Bij het uitstappen worden we getrakteerd op de blauwste lucht die we ooit hebben gezien. Geen wolkje waagt zich in dit blauwe oppervlak. Bovendien kun je erg ver kijken, waarschijnlijk omdat de lucht heel droog en schoon is.
Terwijl we in de hal van Windhoek Airport iets zitten te eten, spreekt een Duitse reisleider ons aan met de vraag welke route we willen gaan rijden. Leuk, hij spreekt Afrikaans en wij gewoon Nederlands. Zolang het langzaam gaat, begrijpen we elkaar ook nog! Samen nemen we de route van Footprints door. Hij is het er in grote lijnen mee eens, maar adviseert soms wegen te nemen die door Footprints juist zijn afgeraden. Die schijnen nu weer toegankelijk te zijn. Bij de bank op het vliegveld wisselen we geld, omdat de koers hier gunstiger zou zijn dan in Windhoek. De Namibische Dollar blijkt veertig cent waard te zijn.
Met het openbaar vervoer willen we naar Windhoek, 45 kilometer verderop. Het vliegveld ligt zo ver van de hoofdstad, omdat zich hier het enige vlakke stuk land bevindt in de buurt van Windhoek. We stoppen de fietsen samen met de tassen in de bagageruimtes onderin de bus. Omdat hij nog op het volgende vliegtuig moet wachten, dat pas over twee uur aankomt, maken we een praatje met de chauffeur. Afrikaans is een taal die op onze lachspieren werkt. Als de man het over zijn dochter en zoon heeft, spreekt hij over ‘meisie’ en ‘seun’. Op de nooduitgang van de bus staat de mededeling ‘stamp die ruit uit’ en het woord ‘businessclass’ is in het Afrikaans ‘besigheidsklas’.

De baas van de chauffeur, die een kijkje is komen nemen, zegt dat de fietsen niet in de bagageruimte mogen blijven, omdat de bus straks volstroomt met toeristen die hun koffers kwijt moeten. ‘We wachten al bijna anderhalf uur en nu pas komt u zeggen dat het niet kan’, roept Eric verbijsterd uit. Wij hebben absoluut geen puf om meteen al in de hete zon te gaan fietsen. Bovendien komt er dan niets van ons voornemen om eerst een paar dagen te acclimatiseren. ‘Misschien kunt u de bus van drie uur nemen’, oppert de baas. Wij denken er echter anders over: ‘We laten de fietsen gewoon even waar ze nu zijn, dan blijkt straks wel of er nog ruimte is voor de bagage van de andere passagiers.’ De baas trekt zijn schouders op en loopt weg. Als het vliegtuig geland is, duurt het nog een half uur voor de bus vertrekt. Er rijden nog vijf andere passagiers mee.
Op het heuvelachtige terrein naar Windhoek ligt een mooie gladde asfaltweg. Aan weerszijden strekt zich roodbruine grond uit, begroeid met doornstruikjes en acacia’s. Het gebied is vrijwel onbewoond, slechts hier en daar staat een boerderij.

Windhoek is gelegen in een vallei op een hoogte van 1660 meter. Als de bus ons afzet is het inmiddels half twee; de zon is op zijn felst en brandt op onze huid. Temidden van de vele pick-ups, ook wel bakkies genoemd, banen we ons een weg door de stad. Vinden van onderdak valt niet mee. De onderkomens in de Lonely Planet gids, blijken niet te vinden of liggen ver boven ons budget. Al zoekende zien we meteen al een groot deel van de stad, die in vergelijking met andere hoofdsteden op het eerste gezicht relatief klein lijkt. Toch wonen er zo’n 150.000 mensen: veel van de buitenwijken zijn verstopt in de omliggende dalen.
Uiteindelijk verwijst iemand van het toeristenbureau ons door naar de Cardboard Box, een lowbudget onderkomen. Omdat alle tweepersoonskamers bezet zijn, moeten we genoegen nemen met een bed in een slaapzaal. Nou ja, we zijn allang blij. De Cardboard Box is een luxe villa met een grote tuin en een zwembad. Het is ook mogelijk om de tent op te zetten in de tuin. Daar staan twee Landrovers van westerlingen die een tocht door het zuiden van Afrika maken. In de Cardboard Box heerst een ongedwongen sfeer. In de huiskamer zitten veel reizigers te lezen of tv te kijken. Aan de muur hangt een groot prikbord met briefjes waarop mededelingen worden gedaan, kampeerartikelen te koop worden aangeboden of om een lift wordt gevraagd. Eigenaar Aulden heeft een lijst gemaakt met eet- en drinkgelegenheden in de buurt. Eén café wordt aangeprezen als Nazi-pub, een paar disco’s hebben ‘horny chickens’ en het voedsel van een Chinees wordt afgedaan als ‘dogfood’. De Cardboard Box is voor ons een bevestiging dat overal ter wereld onderkomens te vinden zijn waar lowbudget reizigers verblijven.
We moeten ook de tweede nacht in de slaapzaal slapen, iets dat we tot nu toe bijna altijd hebben weten te ontwijken. In Singapore staan er soms wel dertig bedden in een kamer, hier in Windhoek gelukkig maar zeven. Dat betekent niet dat er ook zeven mensen slapen, want twee echte lowbudget reizigers delen samen één bed. Sommigen gaan om tien uur ’s avonds naar bed, anderen om twee uur ’s nachts. Je hebt geen privacy, je spullen zijn niet altijd veilig en, zoals ik deze nacht bemerk, als iemand hard snurkt, doe je geen oog dicht.

Ook al ken je een stad helemaal niet, toch heb je bepaalde verwachtingen, zo blijkt. Het valt ons op dat Windhoek heel modern is. De bestrating is degelijk, de trottoirs zijn goed onderhouden en er zijn mooie autoshowrooms. Je kunt hier geld uit de muur trekken en de winkels verkopen de nieuwste elektronica. In een restaurant rekent de ober af met een draagbare rekenmachine waar de gespecificeerde rekening uitrolt. Er zijn grote supermarkten met allerhande goederen, waaronder mieliemeel. Dit maïsmeel kun je met water of melk aanlengen tot een voedzame pap, die vaak als ontbijt wordt gegeten. Heel geschikt voor fietsers. Ook staan er talloze conservenblikken met herkenbare opschriften als ‘suurkool’ en ‘groen-ertjies’.
Kortom, Windhoek is geen negorij, maar het commerciële en administratieve centrum van Namibië. Blijkbaar lokt de rijkdom vaak diefstal uit, getuige de vaak nadrukkelijk aanwezige politieagenten en bewakers. Bij het binnengaan van kledingwinkels of supermarkten neemt een bewaker je tassen aan en krijg je in ruil een nummertje. Als je de winkel verlaat, geeft hij de spullen netjes terug. In sommige supermarkten worden klanten die naar buiten gaan zelfs gefouilleerd en vergelijkt een veiligheidsbeambte de kassabon met de inhoud van de tassen.

Windhoek heeft een zeer uiteenlopende bevolking. De etnische smeltkroes is op straat goed merkbaar. Blanke en donkere mensen lopen af en aan. Vooral de verschillen tussen de zwarte mensen onderling vallen op. Sommigen hebben een pikzwarte huid, anderen meer een koffiekleurige en weer anderen hebben veel weg van bosjesmannen. In Namibië leven diverse stammen, zoals de Damara, de Ovambo en de Herero. Vooral de vrouwen van de Herero-stam trekken de aandacht. Zij zijn bekend om hun opvallende en fleurige kleding, bestaande uit hoepelrokken in Victoriaanse stijl die over een serie petticoats worden gedragen. Ze dragen breed uitstekende hoofddeksels in bijpassende kleuren. De traditionele dracht is afgeleid van de kleding zoals die gedragen werd door de vrouwen van de negentiende eeuwse missionarissen.
Als toerist heb je niet het idee dat je een toerist bent. Juist door alle blanken vallen we niet op. De talen die worden gesproken, zijn even gevarieerd als de bevolkingsgroepen. In de ene winkel spreekt men Duits, in een andere Engels.
Terwijl we in het Thüringer Hof iets eten, knopen we een gesprek aan met een Afrikaans sprekend stel dat naast ons zit. Ze blijken voor een makelaarskantoor te werken. De grondprijs in Namibië is erg laag. Zo is in het noorden een stuk land te koop, waarop een mooie boerderij staat met elektriciteit en stromend water, plus zes woningen voor bedienden. Dit alles kost ongeveer 340.000 gulden. Niet duur, als je nagaat dat dit stuk land de grootte heeft van Amsterdam. Het stel vertelt dat op dit moment de Miss Universe verkiezingen worden gehouden. Dit gebeuren leeft hier enorm. Veel mensen dragen een Miss Universe T-shirt of pet. Je kunt geen tijdschrift openslaan, of er staan wel foto’s van de dames in en je kunt de tv niet aanzetten, of je wordt getrakteerd op de laatste nieuwtjes over het wel en wee van de schoonheden.
In de Cardboard Box blijken de meeste gasten de hele dag rond te hangen. Een Engelsman ligt lusteloos op de bank in de huiskamer, een Duitser ligt de hele dag op bed in de slaapzaal en een ander is verdiept in een boek. Als Eric aan Aulden vraagt hoe het komt dat ze zo apathisch zijn, legt deze uit: ‘Veel mensen zijn al lange tijd aan het reizen. Enkelen zijn bijvoorbeeld in Nairobi gestart en afgezakt naar het zuiden. Dit is dan het eerste onderkomen waar ze kunnen bijkomen. Ze kunnen zich hier gedragen alsof ze thuis zijn, want ze mogen hier van de keuken en de wasmachine gebruik maken. Meestal zijn de mensen van plan om maar één dag hier door te brengen, maar ze blijven vaak een hele week hangen om even helemaal te kunnen relaxen.’

Bij het krieken van de dag staan we op en pakken stilletjes de tassen in. De eerste gedachten op de fiets wijd ik aan de komende tijd. Wat zal die ons brengen? Het zullen in ieder geval zware weken worden. Zullen we pech met de fietsen krijgen? Of erge dorst? In Nederland hadden we berekend dat dertig liter water genoeg zou moeten zijn voor het waterloze traject van vier dagen, maar wat zal de praktijk uitwijzen?
De route door Windhoek is goed aangegeven, zodat we geen enkele keer hoeven te stoppen om op de kaart te kijken. Al snel volgen de buitenwijken van Windhoek. Zoals bij iedere stad bestaan die ook uit industriegebieden, maar gelukkig zijn ze hier kleinschalig. Voor we er erg in hebben bevinden we ons al op de hoofdweg naar Rehoboth, ons doel van vandaag. Onze nieuwe Trek mountainbikes trappen beduidend lichter dan de oude vertrouwde muddies. Maar ja, wat wil je, die hebben er al meer dan 30.000 kilometer opzitten. Toch was het vreemd om ze in Nederland achter te laten. Eric stelde voor om ze, bij wijze van begrafenisritueel, in een Amsterdamse gracht te rijden, maar dat ging me te veel aan het hart.
Aan weerszijden van de weg strekt zich droge grond uit waarop doornbomen en lage struiken groeien. De komende twintig kilometer stijgt de weg geleidelijk. We hebben geluk: de eerste twee dagen in Namibië waren erg zonnig en dus heet, maar nu is het bewolkt en lekker koel. Zodra de zon doorbreekt, valt op hoe warm het wordt. Eigenlijk vreemd, want nu het winter is, staat de zon ver in het noorden. Vermoedelijk voelt de straling zo heet aan door gebrek aan vocht in de lucht, waardoor ze niet wordt gebroken.
Op het wegdek lopen honderden grote insekten. Telkens wanneer we er eentje rakelings passeren, klinkt er een hard ‘skrieeeek’. Eric vindt ze verdacht veel op spinnen lijken en aangezien hij daarvoor als de dood is, bezorgen deze griezels hem kippenvel. Tientallen zijn door automobilisten doodgereden en vormen vieze bruine plekken op het asfalt. Ook ligt er een slang met een bloedneus en een zware hersenschudding.

Na de niet al te zware klim dalen we af en stoppen even verderop bij het eerste winkeltje sinds Windhoek. We hebben geen idee wat de voertaal is. Het kan Engels zijn, maar ook Afrikaans of Duits. Hoe zouden zwarte mensen ons bekijken? Als blanke Zuid-Afrikanen? Dat is niet te hopen, aangezien Namibië tot vier jaar geleden min of meer bezet is geweest door Zuid-Afrika. Jarenlang heeft de SWAPO, die nu een belangrijke politieke partij is, gestreden voor onafhankelijkheid. Misschien zien ze ons wel als blanke Namibiërs. Hoe die worden bekeken weten we helemáál niet. Wat nou als ze ons gewoon als toeristen zien? Eric vraagt onzeker: ‘English? Afrikaans?’ Engels blijkt de voertaal. Op de stoep drinken we even later melk en eten we een Bar-one chocoladereep. Grappig, want die was voor ons ook in India een tussendoortje.
Vlak bij Erics voet loopt opeens zo’n groot beest. Hij schrikt zich rot en trekt zijn voet pijlsnel weg. Ik ben er niet bang voor en bekijk het van dichtbij. Zo te zien is het een soort kever in plaats van een spin. ‘What’s its name?’, willen we van een man weten die vlakbij staat. Hij brabbelt iets onverstaanbaars. Dan pakt hij het beest bij twee pootjes en zet het een paar meter verderop neer. Omdat Eric heeft gelezen dat bosjesmannen insekten eten, vraagt hij of de man die beesten eet. Onmiddellijk barst die in onbedaarlijk gelach uit. Omdat we de taalkwestie nog steeds bijzonder lastig vinden, proberen we uit te vinden welke talen hij spreekt. ‘Portugese and English’, antwoordt hij. ‘Portugees?’, denken we in eerste instantie, maar als blijkt dat hij uit Angola komt, is het logisch. Dat is een voormalige Portugese kolonie. Daar woedde tot voor kort een burgeroorlog en daarom zijn er in Namibië hier en daar Angolese vluchtelingen te vinden.

De eerste contacten in een onbekend land zijn altijd spannend. Vaak zijn die bepalend voor je verdere houding. Word je in het begin onvriendelijk behandeld, dan zal je houding negatiever zijn dan bij een gastvrije ontvangst. Je kunt iemands gedrag beïnvloeden door zo ontspannen en vriendelijk mogelijk te doen. Met een grapje wordt het ijs meestal wel gebroken.

Door het gladde asfalt ligt ons tempo hoog; vals plat naar beneden met hier en daar een bocht en wat lichte glooiingen. Het is ontspannen fietsen vanwege het spaarzame verkeer. De omgeving bestaat uit bergen, waarvan sommige vreemdsoortig van vorm zijn. Kilometers achter elkaar staan in de berm simpele houten hekken. Het lijkt wel alsof iedereen zijn gebied afbakent. Langs de kant van de weg zitten enkele apen. Verder vliegen er veel vogels, waarvan alleen de wevervogel ons bekend voorkomt. Deze vogels weven hun nesten, die net op bolletjes stro lijken, aan takken. In één boom kunnen zich tientallen van dit soort nesten bevinden. De sociale wevervogels behoren tot een andere soort. Zij bouwen een groot gezamenlijk nest. Daarbij wordt heel wat af en aan gevlogen, hetgeen gepaard gaat met een oorverdovend gekwetter. Zo’n bouwsel bestaat uit stro en takjes en heeft tientallen openingen. Vaak is het al van verre te zien. Soms wordt het zó groot dat het doormidden breekt en de helft op de grond belandt. Dan beginnen de vogeltjes het nest ijverig te repareren.

Na 93 kilometer komt Rehoboth in zicht. ‘Wat is hier nou aan?’, laat ik me teleurgesteld ontvallen. Het stadje lijkt namelijk geen enkele samenhang te hebben. Her en der staan enkele eenvoudige gebouwtjes. De grond is kurkdroog, nergens groeit een plukje groen gras, alleen de doornbomen zorgen voor wat kleur. De erfjes bij de woonhuizen bestaan voornamelijk uit zandgrond. Rond ieder huis staan hekken; ook hier paalt iedereen zijn bezit grondig af. Het ‘centrum’ bestaat uit een geasfalteerde straat met een paar winkels; voornamelijk lage betonnen gebouwen met golfplaten daken. Alle andere wegen in het stadje zijn stoffige zand- of grindwegen. Van enige tegenstelling tussen blank en zwart lijkt hier geen sprake: beide bevolkingsgroepen wonen in simpele huizen en rijden in oude auto’s.
Volgens de reisgids moet er in Rehoboth een camping zijn. We doen navraag bij de familie Van Dijk, zoals op het bordje voor het huis staat. Een oude man, vergezeld door zijn kleinkinderen, wijst de weg. Als hij hoort dat wij uit Nederland komen, vertelt hij dat hij Utrechtse voorouders heeft. De kinderen zien er echt Hollands uit met hun blonde haar en blauwe ogen. Hun kleding is als die van vele Namibische kinderen: vaal en gescheurd; bovendien zijn ze blootsvoets. Aangezien Rehoboth uit een wirwar van zandweggetjes en lage gebouwen bestaat, moeten we vijf minuten later opnieuw de weg vragen. Drie jongetjes bieden spontaan aan om ons te brengen. Wanneer Eric er een op zijn zadel tilt, is die de koning te rijk; en natuurlijk willen de andere twee dan ook.
De camping blijkt onderdeel van een kuuroord te zijn, compleet met bungalows. Een kampeerplaats kost twaalf gulden. We zijn de enigen, want wie gaat er nu in de winter kamperen? Overal bevinden zich braaiplekken waar je kunt barbecuen. Het zijn bakstenen kubussen met een groot metalen rooster. Voor dertig cent extra mogen we gebruik maken van het overdekte kuurbad, waarin we een uurtje later dan ook liggen bij te komen. Een comfortabel begin van een fietsvakantie: glad asfalt, in slechts vier uur 95 kilometer afleggen en dan een lekker kuurbad. Wat wil je nog meer?
Vlak voordat het donker wordt, gaan we het stadje in. Nieuwsgierige kinderen informeren: ‘Hoe gaan dit met jou?’ en degenen die ons eerder hebben gezien, vragen: ‘Waar is jou fiets?’ Ons doel is Sigi’s à la carte restaurant dat iemand ons heeft aangeraden. Verrast blijven we op de drempel staan. Op de met kleedjes gedekte tafeltjes staan vaasjes met plastic bloemen. Er is een bar en aan de muur hangen reclameposters voor Duits bier. In een hoek staat onder de Namibische vlag een echte ‘Stammtisch’, zoals je die in Duitsland en Oostenrijk ziet. Tevens is er een heuse ‘Biergarten’. Wat doet zo’n restaurant nou in zo’n gehucht als dit? Ook hier zijn we de enige gasten. De menukaart toont typisch Duitse gerechten als een ‘Halbe Hänchen und Salat’ en een ‘Wienerschnitzel mit Kartoffeln’. Wanneer een paar nieuwe bezoekers binnenkomen en aan de ‘Stammtisch’ plaatsnemen, vraagt Eric vriendelijk of hij een foto van hen mag maken. Ze heffen een pul en zingen Heil Prosit. Is dit echt Namibië?
In dit deel van Namibië komen we nauwelijks mensen tegen. Als er drie auto’s per uur passeren, is het veel. Toch staan overal langs de weg houten palen met ijzerdraad ertussen. Namibië is in grote percelen verdeeld en er zijn behoorlijk veel grootgrondbezitters. We vragen ons af waarom zij hun gebied zo nodig moeten markeren. Er worden geen gewassen verbouwd, want de grond is kurkdroog. De vegetatie bestaat voornamelijk uit doornbomen en struikjes. Evenmin graast er vee dat weg kan lopen.

Pas na uren fietsen komen we een ezelkar tegen, een vorm van vervoer die we nog vaker zullen zien. De drijver stopt verbaasd en vraagt of we aan een wedstrijd bezig zijn. Als hij hoort dat dit onze ‘holiday’ is, verschijnt er een brede rij witte tanden en wenst hij ons een goede reis.
Vanmorgen waren we al vroeg op pad vanwege de verwachte hitte. De schaduwen waren nog lang. Vol verwachting sloegen we de grindweg richting Klein Aub in, de eerste van de vele die nog zouden volgen. Op hoop van zegen dan maar. Het eerste stuk beloofde meteen al niet veel goeds. Er lag veel los grind, afgewisseld door stukken mul zand. Bovendien steeg de weg af en toe. Nou ja, weg? Daar heeft men in Namibië een eigen opvatting over. De talloze kuilen zorgden ervoor dat we veelvuldig moesten zigzaggen. Gelukkig was de weg zo breed dat er wel vier auto’s naast elkaar konden rijden. Geconcentreerd fietsen was een must, zodat de aandacht voor de omgeving erbij in schoot. De lucht was onbewolkt en naarmate de tijd verstreek werd het steeds warmer; tussen twaalf en twee is de zon meedogenloos heet. Zeker dan is een zonnebril onmisbaar. Zonder zouden we verblind worden door de reflectie van het zonlicht op het lichte zand op de weg. Inmiddels heb ik mijn handschoenen aangetrokken om de schokken van het slechte wegdek beter te kunnen absorberen. Om verbranding te voorkomen heeft Eric zijn jas en trainingsbroek nog aan.

Op het heetst van de dag steekt er een harde westenwind op, die ons pal in het gezicht blaast. We kijken verrast op bij het zien van een groep apen die de weg oversteekt. Waar moeten die nu van leven in deze droge omgeving? Aangezien er altijd wel insekten voorkomen, hebben de vogels het wat dat betreft makkelijker. Ze maken trouwens een vreemd geluid. Fluiten kun je het niet noemen, het heeft wel iets weg van een vervormde mensenstem. Zou de hitte ons parten spelen?
Behalve de grote leegte valt de doodse stilte op. De enige geluiden zijn het knarsen van de banden in het grind en het gieren van de wind. Meestal is de weg vlak, soms loopt hij een stukje omhoog. Dan parelt het zweet al snel op ons voorhoofd en moeten we met enige slokken water onze kelen smeren.

We komen vandaag niet meer dan twee boerderijen tegen en doorkruisen slechts één schijnbaar verlaten dorpje: Kobos. Er zijn een paar huisjes en enkele stukken afgebakend land; dat is alles. De gedachte om even rustig bij te komen op een terrasje of in een restaurantje met een koel drankje blijft vooralsnog een droom. Bij één van de woninkjes gaan we op zoek naar water, maar het blijkt verlaten. We hebben meer geluk bij een leegstaande school. Daar is een waterkraan, die zowaar nog werkt. In de schaduw van het gebouw zetten we soep. De mensen die even verderop lopen, zien ons wel, maar zijn absoluut niet nieuwsgierig. Ze laten ons rustig onze gang gaan.
Na een lange dag van negentig kilometer komen we vlak voor zonsondergang bij een kruidenier even buiten het dorpje Klein Aub. Op de landkaart is het aangeduid als een zwart puntje, wat op de legenda omschreven wordt als ‘klein plekkie’. Het personeel staat op het punt om naar huis te gaan, maar een meisje wil nog wel helpen. Snel koopt Eric wat snoepgoed, brood en melk. Als hij haar daarna vraagt of ze water heeft en een kampeerplaats weet, begint ze druk te overleggen met haar bazin. ‘Is julle getroud?’, vraagt de vrouw. ‘Natuurlijk’, zeg ik, in de wetenschap dat een ander antwoord niet gewaardeerd zou worden. ‘Hou julle ’n fietsmaraton?’, wil ze dan weten. Eric probeert duidelijk te maken dat we gewoon op vakantie zijn en eigenlijk alleen water nodig hebben om vrij te kunnen kamperen. Deze uitleg blijkt voldoende, want prompt daarna biedt de bazin aan om de tent bij haar in de tuin op te zetten. Met haar oude auto rijdt ze voor ons uit. In het halfdonker vangen we een glimp op van het dorp. Het huis van de vrouw ligt aan een keurig laantje dat wordt geflankeerd door bomen en is een bungalow zoals je die wel vaker ziet in Namibië. Zou zo’n huis bij ons al gauw een klein kapitaal kosten, hier is het een soort middenklasse woning. Als we ons bivak in de achtertuin hebben opgeslagen, brengt de vrouw twee emmers: een met gedesinfecteerd water om te drinken en een met waswater. Ze biedt mij aan om van haar badkamer gebruik te maken, maar omdat ik haar geen onnodige last wil bezorgen, sla ik het aanbod af. ‘Julle is seker maar baie ryk. Julle kom mos van Holland,’ merkt ze op, terwijl ze onze spulletjes en nieuwe fietsen monstert. ‘Ek is maar net ’n Baster,’ zegt ze met een zielig gezicht. ‘Ons is baie arm; die myn het gesluit en baie mense het getrek.’ Eric zegt troostend dat een bastaard zijn helemaal niet erg is en legt uit dat zo’n huis zoals zij heeft in Nederland alleen voor de zeer welgestelden is weggelegd.
Pas later zouden we er achter komen dat de Basters een etnische bevolkingsgroep vormen in Namibië. Ze zijn van gemengde afkomst, afstammelingen van de vroege Nederlandse kolonisten aan de Kaap en Khoikhoi-vrouwen. Baster betekent: half-kaste. Ze vestigden zich in 1870 in de buurt van de warmwaterbronnen in Rehoboth. In tegenstelling tot in Zuid-Afrika waar het woord ‘baster’ een minachting uitdrukkende betekenis heeft, zijn de Basters hier trots op hun afkomst. Ze strijden voor hun eigen Baster-dag en er is zelfs een harde kern die de streek rond Rehoboth wil uitroepen tot een zelfstandige Baster-staat. Gelukkig doen ze dat door middel van politieke druk en niet door middel van geweld.

De volgende ochtend staat onze gastvrouw even na zonsopgang al voor de tent. ‘Miss America is gekies as Miss Universe’, zegt ze opgewonden. Tja, in Windhoek was ons al duidelijk geworden dat de Miss Universe verkiezingen razend populair zijn bij de bevolking. Plotseling geeft Eric een schreeuw en wijst met afgrijzen naar een groot insekt dat voorbij kruipt. Het is van hetzelfde soort als we inmiddels al vaker op de weg hebben gezien. De vrouw schiet in de lach. ‘Is jy daarvir bang?’, vraagt ze ongelovig. ‘Dis maar net ’n koringkriek, ’n baie onskuldige ou goggatjie!’
Wanneer we de fietsen via het huis naar de voorkant rijden, blijkt de vermeende armoede van de vrouw enige nuancering te verdienen. Twee zwarte hulpen in de huishouding zijn druk bezig: de een met de afwas en de ander met het dweilen van de grond. Ondanks dat slavernij en apartheid zijn afgeschaft, zijn er toch nog vrij veel blanken die een zwarte bediende hebben. Zo zagen we in Windhoek diverse malen winkelende blanke vrouwen in gezelschap van zwarte dienstbodes die het winkelkarretje moesten duwen. Als we de poort uitrijden wenst de vrouw ons ‘lekker fiets’ toe. Grappig toch, dat Afrikaans.

Ook na Klein Aub wordt de omgeving ontsierd door hekken. We hebben de wind in de rug en de weg is prettig glooiend. Soms kruisen eekhoorntjes ons pad of lopen er ezels en schapen. Bij het zien van de vele onbekende insekten en de vreemdsoortige begroeiing nemen we ons voor om in een grote stad een boekje te kopen over de flora en fauna in Namibië.
Klein Rietoog is het eerste en tevens laatste dorpje op de route van vandaag. Het bestaat uit tien huizen, een drankwinkel, twee kruideniers en een tankstationnetje met eetgelegenheid. Dit is een goede plaats om voor de rest van de dag water in te slaan. Voor de zekerheid willen we extra benzine tanken voor de brander, maar er is geen druppel meer verkrijgbaar. Wel is er koude frisdrank te koop. De eigenaresse praat honderduit en snapt niet waarom wij geen lekker ontbijt in haar restaurant willen nuttigen. Teleurgesteld ziet ze ons weer vertrekken.
Even voorbij Rietoog is een splitsing. De weg naar rechts heeft Footprints ons afgeraden omdat hij te slecht zou zijn. Wèl is hij vijftien kilometer korter. Omdat Eric liever lui dan moe is, stelt hij voor een stuk de weg op te rijden om de staat van het wegdek te beoordelen. Deze blijkt heel redelijk te zijn, zodat we de gok wagen. Omdat niet voor honderd procent vaststaat of dit inderdaad de weg naar Naukluft is, nemen we ons voor om het aan de eerste automobilist te vragen. Het is tekenend voor de drukte dat pas een half uur later een auto verschijnt. Door de stofpluim is hij al van verre te zien. De bestuurder bevestigt dat dit de weg naar Naukluft is en dat de kwaliteit van het wegdek hetzelfde blijft. Desondanks wordt het slechter. Regelmatig zijn er uithollingen overdwars die zo diep zijn dat we flink door elkaar worden geschud. Veel fietsers noemen dit soort wegdek een wasbord, maar wij geven de voorkeur aan een ribbenkast. Dit geeft beter het gevoel van armoede en ellende weer en bovendien, welke jeugdige lezer weet tegenwoordig nog wat een wasbord is? Dat de automobilist geen benul heeft van de kwaliteit van het wegdek, kunnen we hem niet kwalijk nemen. Met een vierwielaandrijving en goede schokbrekers heb je er nagenoeg geen last van.
Een enkele keer staat er in het landschap een boerderij, nou ja, boerderij is eigenlijk een groot woord voor een vierkant hok met een plat dak. Het kleine hokje ervoor is het toilet. Bijna altijd staat er een windroos naast, die zorgt voor de aandrijving van een pomp. Deze brengt het water vanuit de diepte naar boven.
Soms stijgt de weg enigszins en moeten we klimmen. Juist dan slaan de vliegen toe. Het lijkt wel alsof ze wéten dat ze vrij spel hebben. Meteen strijkt een stel neer op het randje van Erics pet. Aangezien ik geen hoedje draag, cirkelen ze bij mij eerst hard zoemend rond mijn oren alvorens er op te landen. Als ze daar verjaagd worden, vliegen ze naar een ander uitstekend deel: de neus. Hier kriebelen ze nog erger. Dan kiezen ze het volgende uitstulpsel. Blijkbaar is het lippenvet een lekkernij, want de lippen vormen zonder meer de favoriete plaats; hier laten de vliegen zich niet zo makkelijk verdrijven. Tijdens het klimmen trek ik talloze gekke bekken en probeer ze met mijn tong het leven zuur te maken. Handwerk is echter toch het effectiefst.

In de buurt van Naukluft ligt de Büllsport Guestfarm, die veel meer boerderij lijkt dan de eerder genoemde vierkante hokken. Hier kun je als toerist ‘logeren bij de boer’, maar wij fietsen door. Naukluft is het meest oostelijke gedeelte van het Namib-Naukluftpark; met een oppervlakte van bijna 50.000 vierkante kilometer het grootste park van Afrika. Naukluft ligt op het randje van de Namib-woestijn en is bergachtig. De talloze kloven en ravijnen maken het park schaduwrijk. Er schijnen veel bergzebra’s en herten voor te komen. Rond de eeuwwisseling waren hier vaak schermutselingen tussen de Duitse kolonisten en de Hottentotten, maar tegenwoordig is het een oase van rust.
Vanaf de toegangspoort van het park is het twaalf kilometer naar de camping. Aangezien we de bergen inrijden, wordt het klimmen geblazen. Na een dag ploeteren ontneemt dit zware stuk ons de laatste krachten. Vaker dan ons lief is moeten we op de trappers staan. Door het losse zand en de keien glijden de achterwielen soms vervaarlijk weg. Hoelang duurt het nog voordat een van ons beiden valt? Tien kilometer later stuiten we op een hek, waarachter zich de receptie bevindt. De bewaker laat weten dat we in Windhoek een kampeerplek hadden moeten reserveren. Nu kan hij ons niet toelaten. Vriendelijk maakt Eric hem duidelijk dat als we dat hadden geweten, we het zeker gedaan hadden. Omdat de man ook wel inziet dat terugsturen weinig zin heeft, mogen we na betaling van achttien gulden doorrijden.
De camping ligt in een prachtige kloof naast een beekje, waar zowaar water in staat. Eensklaps zijn we weer in de bewoonde wereld: er kamperen veel toeristen onder de hoede van een reisleider. Naast een grote bus staan vijf identieke tenten. Terwijl een aantal mensen bij een open vuur van een gekoeld drankje geniet, bekijken ze ons ongelovig, met een blik van: ‘Die zijn gek dat ze hier fietsen.’ Op onze beurt kijken we smachtend naar hun drankjes waarnaar we al urenlang hunkeren, maar niemand biedt ons iets aan. Ik ben erg moe; het was zwaar trappen op de grindweg en in de brandende zon. Zittend voor het tentje genieten we van de rust en vragen ons af wat de dag van morgen zal brengen. Onze Zuid-Afrikaanse buurvrouw die even een praatje komt maken, waarschuwt voor de aanwezige bavianen, die alles stelen wat los- en vastzit. Inmiddels is het donker en komt de maan opzetten. In het bleke schijnsel koken we ons kostje. Het is verbazingwekkend hoeveel licht de maan reflecteert van de zon. Het is zelfs zo fel dat er schaduwen op de grond te zien zijn. Voordat ik doodmoe in slaap val, houdt slechts één vraag me bezig: zullen we het morgen halen?

Zullen we het vandaag halen?, vraag ik me meteen na het opstaan af. Sesriem, ons doel van vandaag, is ruim 120 kilometer ver weg. Omdat we inmiddels weten hoe zwaar het fietsen over ribbenkasten en grindwegen is, heb ik er een hard hoofd in en laat dat ook merken. Eric twijfelt ook wel, maar hij heeft een houding van: niet zeuren, gewoon stevig doortrappen, de beloning wacht ons in de vorm van een rustdag in Sesriem. Dat is een van de verschillen tussen ons. Eric laat het meestal niet zo blijken als hij een traject zwaar vindt, terwijl ik heel wat af mopper. Voor mij is het een uitlaatklep, maar op Eric komt het over alsof ik totaal geen plezier meer heb in het fietsen. Hij kan wel eens boos uitvallen en duidelijk maken dat de vakantielol er voor hem op deze manier al gauw vanaf is.
Tijdens het ontbijt komen er een paar bavianen loerend op onze tent af. Al schreeuwend weet Eric ze weg te jagen voordat ze iets kunnen grijpen. ‘Een gevoede baviaan is een dode baviaan’ staat op de vergunning voor het Naukluftpark. Als bavianen eenmaal doorhebben dat er in de buurt van mensen altijd voedsel te vinden is, dan worden ze een plaag voor de camping. Aangezien ze een goed reukvermogen hebben, zullen ze zonder pardon je tent vernielen als daar iets eetbaars in ligt. Zelfs voedsel in een afgesloten auto moet uit het zicht worden opgeborgen. De apen die herhaaldelijk voedsel stelen, worden doodgeschoten. Een harde straf, maar als één baviaan deze plaats weet, weet de volgende die ook snel. De vuilnisbakken op de kampeerplaats zijn verzonken en afgeschermd met gaas. De gaten zijn groot genoeg om afval doorheen te gooien, maar te klein voor bavianen.
We zien er als een berg tegenop om de twaalf kilometer terug te rijden naar de toegangspoort en hopen op een lift van vroege vertrekkers. Maar helaas, de meesten kruipen net uit de tent wanneer wij de kloof uitrijden. Is de omgeving in het ochtendgloren aanvankelijk zacht van kleur, al gauw wordt het licht bleker en harder. Tegen de tijd dat de poort opdoemt, hebben we onze zonnebrillen al weer op. We puffen even uit in de schaduw en smeren ons in met factor tien. Dit ritueel herhalen we om de twee uur, zodat we nog steeds niet verbrand zijn. Hadden we toch maar op de Büllsport Guestfarm overnacht in plaats van totaal 24 kilometer extra te fietsen. Een bezoek aan Naukluft loont wèl als je er een paar dagen blijft. Bijvoorbeeld om in de omgeving te wandelen. Zo is er de tien kilometer Olive-trail of de zeventien kilometer lange Waterkloof-trail.

In de wetenschap nog 110 kilometer te moeten rijden, rusten we niet lang. De omgeving oogt anders dan gisteren. De weg loopt door een brede vallei met aan de rechterkant imposante bergruggen. Aan een rij bomen is precies te zien waar een rivierbedding loopt; daarbuiten groeien alleen wat struiken. Aan de linkerkant: heuvels waarover een rode gloed ligt, typisch een gebied waar je veel wilde beesten verwacht. Maar het enige dier dat zich vandaag laat zien, is een eenzame Hartmann’s bergzebra, die iets kleiner is dan de huis-, tuin-, en keukenzebra. Dat hij alleen loopt is vreemd, want zebra’s zijn echte kuddedieren.
De weg – weliswaar een grindweg – is goed begaanbaar en loopt vals plat naar beneden. Het landschap wordt geleidelijk weidser: de bergen raken steeds verder van ons verwijderd. Sommige hebben bizarre vormen; de verschillende steenlagen zijn goed te zien. Soms lijkt het alsof er stenen muren op gemetseld zijn. Ook de plantengroei verandert. Er groeien niet alleen de vertrouwde lage doornstruiken, maar ook plantjes met dikke, rubberachtige blaadjes. Ze liggen vlak boven de grond, waarschijnlijk om zo veel mogelijk opstijgend vocht op te vangen. Langzaam rijden we de Namib-woestijn in. In de taal van de lokale Nama bevolkingsgroep betekent Namib ‘onmetelijke, droge vlakte’. De begroeiing is spaarzaam, doornstruikjes groeien er niet meer. De grond is gebarsten en het landschap strekt zich tot aan de horizon uit onder een schitterende wolkenlucht. De witte schapenwolkjes steken scherp af tegen het hemelsblauw.
Na een uur wordt het wegdek toch weer slechter. Mul grind en ribbenkasten wisselen elkaar af. Dan zien we in de verte een Volkswagenbusje. Een dikke vrouw gaat midden op de weg staan en sommeert ons min of meer om te stoppen; alsof we dat sowieso niet hadden gedaan. Eric zet zijn fiets op de standaard en loopt op de bestuurder af die gehurkt bij de voorkant aan het sleutelen is. Het euvel blijkt een lekke band te zijn. ‘Ik probeer het reservewiel los te halen, maar krijg de bout niet los’, legt de man zwetend uit. Eric kruipt op zijn rug onder de voorkant en adviseert de man dat ook te doen. Gehurkt kun je nu eenmaal niet goed bij de bouten komen. Dan staat die echter op. Onder het draaien van een sjekkie geeft hij aanwijzingen. ‘Ja zeg, wat is dit nu?’, denkt Eric en gaat staan: ‘U zult er toch onder moeten kruipen.’ ‘Ach, het lukt zo wel en anders wachten we gewoon tot er een auto langskomt’, zegt de man luchtig. ‘Ja, ja,’ denkt Eric aangebrand, ‘hij wil zijn kleren niet vuil maken en doet indirect een beroep op iemand die daartoe wel bereid is.’ Intussen klampt de dikke vrouw mij aan met de vraag of ik vanuit Sesriem naar haar kinderen in Zwitserland wil bellen. Want misschien worden die ongerust. Ik knik. Ze staat zeker op het punt naar huis te gaan? Nee, dat is niet het geval. Dan begrijp ik het niet. Wellicht telefoneert de vrouw elke dag met haar kinderen. Is ze bang dat ze de nacht op deze plek moet doorbrengen, zodat ze niet kan bellen? Dat zou kunnen, dus ach, als ik haar daarmee een plezier kan doen. Ze maakt echter geen aanstalten om mij geld te geven. Ik ben toch echt niet van plan het uit eigen zak te betalen. ‘Kom, we gaan!’, zegt Eric kortaf, ‘ik heb geen zin om zo’n raar stel nog verder te helpen.’ Wanneer we aanstalten maken om weg te rijden, laat het groepje ons in eerste instantie niet door. Eric duwt echter gewoon zijn fiets voor zich uit en baant zich een weg door de groep. Hij belooft dat als we een auto zien, we die hun kant zullen opsturen.
Een verderop gelegen rivierbedding is een mooie plek om te lunchen. Alvorens op de grond te gaan zitten, schoppen we tegen de stenen in de directe omgeving om eventuele insekten weg te jagen. De hele tijd letten we goed op of er schorpioenen rondlopen. Hier in de Namib-woestijn zal door deze rivierbedding zelden water stromen. Maar àls het gebeurt, is het waarschijnlijk een woest kolkende watermassa, gezien een meegesleurde boomstronk en grote afgeronde keien. De boom die ons schaduw biedt, staat midden in de bedding en heeft een geweldig dikke stam. Hij heeft zowaar bladeren, iets wat tot nu toe weinig is voorgekomen. We worden opgeschrikt door een hels kabaal en zien de Volkswagenbus naderbij komen. In het voorbijgaan roept de bestuurder trots dat hij het reservewiel ervan af heeft gekregen. Alleen zit het wiel met de lekke band muurvast. Daarom rijden ze er gewoon mee verder. Verbijsterd kijken we ze na. Ongelofelijk dat zulke mensen met een huurbus in Namibië rondrijden! Het busje heeft zo weinig vaart dat we het na de lunch weer inhalen. De lekke band is inmiddels van de velg afgeslagen en de keien doen nu een aanval op het metaal. Als een half uur later de tweede auto van vandaag aan komt rijden, verzoeken we de bestuurster even bij het busje te stoppen om te vragen of ze nog hulp nodig hebben.

Bij een splitsing houden we even halt. ‘Goh, ik wou dat ik nu in India was, want daar is bij bijna elke kruising wel een theehuisje’, verzucht Eric. We hebben vandaag al tachtig kilometer gefietst en zijn nog geen één woning of winkel tegengekomen. Het is om en nabij twee uur, dus de tocht gaat redelijk voorspoedig. Toch raakt ons water sneller op dan gedacht. Daar Footprints ons had verteld dat we onderweg een paar boerderijen zouden tegenkomen, wilden we niet meer water dan noodzakelijk meenemen. Pas na honderd kilometer doemt een eind van de weg eindelijk een boerderij op. Het huis moet echter al een tijd verlaten zijn, want het is een bouwval. Naar water kunnen we wel fluiten.
Pech komt nooit alleen. Na een paar kilometer krijg ik een lekke band. Niet verwonderlijk met al die scherpe keien. Dan blijkt dat de solutie die we vorig jaar hadden gekocht bijna is uitgewerkt. De tube was nog wel helemaal dicht, maar blijkbaar is het vulkaniserend vermogen verdwenen. Ik dacht toch dat we de fase waarin we domme fouten maken al gepasseerd waren. Blijkbaar niet. Achteraf gezien zijn de vervelendste ervaringen vaak de vermakelijkste. Problemen als een lekkende tent, een wiel dat dubbel klapt en gescheurde fietstassen behoren voor ons al tot een ver verleden. Maar dat je niet al te veel op routine moet vertrouwen is ons inmiddels wel duidelijk geworden: op Schiphol waren we ook al een inbussleutel vergeten.
De volgende boerderij wordt afgeschermd door een groot hek. Ook dit gebouw oogt verlaten, maar we laten ons niet ontmoedigen. We klauteren brutaal over het hek en treffen in een grote golfplaten ton water. Het smaakt goed, ook al zegt dat niet alles. Met name in stilstaand water kunnen zich allerlei bacteriën bevinden. Met behulp van het Katadynfilter vullen we de bidons en een van de waterzakken. Het is niet de eerste keer op deze reis dat de verschafte informatie oud blijkt te zijn. Vooral hier, waar slechts enkele auto’s per dag op de weg rijden, moet je goed voor jezelf kunnen zorgen. Het is niet verstandig te wachten tot het water op is en dan pas te gaan zoeken, zoals wij dus bijna gedaan hadden. Toch weer wat geleerd.

Intussen verstrijkt de tijd bijna ongemerkt. Met de blik op oneindig proberen we alle energie in het fietsen te stoppen. Soms nemen we vijf minuten pauze, waarna we ons weer op het zadel hijsen. De hobbels vallen niet eens meer op. Ik heb de neiging om in een soort trance te verzinken, maar het losse grind en mulle zand op de weg vereisen dat ik alert blijf. Schaduw is er nergens; de zon teistert ons al de hele dag. Het is een race tegen de klok: in het donker fietsen willen we niet, omdat oneffenheden in de weg dan onzichtbaar zijn.
Als er uiteindelijk een afslag opdoemt, weten we dat Sesriem niet ver meer kan zijn. Hoe ver precies, is onduidelijk. Op een kaart met een schaal van 1 op 2 miljoen staat een afwijking van één millimeter al snel gelijk aan twee kilometer. Voor een automobilist maakt een paar kilometer meer of minder toch niets uit. Het is nagenoeg donker als we in de verte een paar gebouwen rond een toren ontwaren; een sjieke lodge met bungalows, zoals later blijkt. Even daarachter ligt de camping.
Opgelucht rijden we door de toegangspoort, waarachter tientallen toeristen met hun fototoestellen in de aanslag staan. Zo zie je de hele dag bijna niemand en zo word je geconfronteerd met een horde mensen die foto’s wil nemen. Met onze laatste krachten zwaaien we ze toe, maar ze geven geen krimp. Pas als ik over mijn schouder kijk, wordt duidelijk waar het ze werkelijk om te doen is: de volle maan is zojuist opgekomen en staat als een reusachtige lila ballon vlak boven de kim.
Bij de receptie staat tot onze grote vreugde een koelkast met blikjes koude Coca-Cola; hier hebben we al twee dagen naar uitgekeken. Ook voor de camping in Sesriem blijkt een reservering nodig te zijn, maar gelukkig is een Australisch stel, dat juist de laatste plaats in gebruik neemt, bereid die met ons te delen. De receptioniste legt ons geduldig uit wat de naam Sesriem eigenlijk betekent: ‘Die naam dateer uit die dae van die ossewage; die ou togryers moes destyds nie minder nie as ses rieme aanmekaar bind om oor die rand van die kloof ’n emmer water uit die rivier daaronder te skep.’
De kampeerplek bestaat uit een stuk grond rond een boom, afgebakend door een cirkelvormig muurtje. Er is plek voor wel zes tenten, dus staan we onze buren niet in de weg. Behalve een waterkraantje is er ook een braaiplek. Aangezien de afstand tussen twee kampeerplaatsen zo’n twintig meter bedraagt, hebben we geen last van burengerucht. Als de camping ‘vol’ is, dat wil zeggen als alle plekken bezet zijn, wordt er niemand meer toegelaten. Het verbaast ons dat ze niet meer plaatsen hebben; tussen de ‘eilandjes’ is nog genoeg ruimte voor honderden tentjes.
Onder het genot van een blikje geven we onszelf een schouderklopje: 120 kilometer over grindwegen is niet niks. Morgen houden we hier een rustdag om de beroemde rode zandduinen te kunnen bezoeken.
Omdat er geen kampwinkel is, maakt Eric aanstalten om een gevriesdroogde maaltijd uit de tassen te pakken. ‘Hé, wacht, misschien is er bij de lodge wel een restaurant! Zullen we gaan kijken?’, stel ik voor. Het blijkt een goede inval. Hetgeen we aantreffen overtreft onze stoutste dromen. Op een groot terras bevindt zich een sfeervol restaurant met een lopend buffet. Er is keuze uit diverse soepen, salades, vlees, vis, groenten, aardappelen, pudding en taart. De bediening is zonder meer schattig. De kelners doen erg hun best het ons naar de zin te maken. ‘Are you happy?’, vraagt er één diverse keren om te controleren of het smaakt. We eten ons buikje rond en zijn volmaakt tevreden. Wie had dit kunnen denken? De hele dag zijn we onderweg geweest zonder iets tegen te komen. Ook al wil je dan geld uitgeven, het kàn gewoon niet! Dat we nu ruim vijftig gulden kwijt zijn, vinden we helemaal niet erg. Dat onverwachte blijft toch een van de charmes van reizen. Het staat borg voor afwisseling, waarbij je van het ene in het andere uiterste terecht kunt komen.

Slapen onder de sterren

Er hangt iets in de lucht. Psssjjjjt, pssssjjjt klinkt het hard over de in stilte gehulde camping. Het is een geluid dat absoluut niet is thuis te brengen. Omdat het vrij snel ophoudt, val ik weer in slaap. Maar dan begint het weer. Wat is dat toch? Bij een blik uit de tentopening is een enorme luchtballon zichtbaar, wiens heldere kleuren prachtig afsteken tegen het zachte ochtendrood. Enige mensen zijn druk bezig de ballon met warme lucht te vullen. Dan stijgt hij op voor een tocht over de Namib-woestijn. Verlangend kijk ik hem na. Wat moet dat mooi zijn om zo hoog boven dat landschap te zweven, zo vrij als een vogel. Reizen per fiets geeft ook vrijheid, maar op een andere manier. Je bent één met het landschap, terwijl je het vanuit een ballon van een afstand bekijkt.
‘Marijke, waar heb je de mieliepap gelaten?’, haalt Eric me uit mijn overpeinzingen. Tja, over tot de orde van de dag maar weer. Na het ontbijt maken we een praatje met onze buren Jennifer en David. Ze hebben vijf jaar in Londen gewerkt, en gaan terug naar hun vaderland Australië. Maar eerst reizen ze nog vijf maanden door Afrika. Hun aanbod om mee te rijden richting Sossusvallei accepteren we graag. Je mag er namelijk niet overnachten en de afstand heen èn terug – 140 kilometer – is voor fietsers te groot. Het wordt ons al gauw duidelijk dat het rijden in zo’n auto zonder airco ook best zwaar is: het is veel warmer dan op de fiets en alles komt onder het stof te zitten. De weg loopt door een brede vallei met aan weerszijden langgerekte bergketens. Zijn de zandduinen links roodgekleurd, rechts lijken ze wel wit vanwege de lichtval. De verschillende rijen boompjes in de vallei geven de loop van de Tsauchab-rivierbedding aan. De rivier heeft zijn bron in de Naukluft-bergen en stroomt alleen als daar hevige regenbuien zijn gevallen. In een goed regenjaar doorbreekt de stroom de zandbarrière, ontwikkelt zich langzaam ten oosten van de vallei en stroomt dan de Sossusvallei in zodat die boordevol water komt te staan.
Vijf kilometer voor de Sossusvallei gaat de grindweg over in zeer mul zand. Alleen wagens met vierwielaandrijving komen daar doorheen. Omdat Jennifer en David een gewone auto hebben, parkeren we braaf op het aanwezige parkeerterrein. Prompt komen de wielen vast te zitten in het zand. Bij gebrek aan een schep slaan Eric, Jennifer en ik verwoed met de blote hand aan het graven, terwijl David stuurt. Na hard werken lukt het de wagen eruit te krijgen. Gelukkig kunnen we een lift krijgen van een Landrover die ons een paar kilometer verder brengt. Van daar lopen we naar de Dode Vallei. Het is flink klimmen over de metershoge zandduinen, je zakt tot aan je kuiten weg. Het uitzicht is prachtig: staand op een rug strekken zich zo ver het oog reikt golvende rode duinen uit in de prachtigste vormen. Door de wind ontstaan er steeds andere patronen in het zand. Tot onze verrassing groeit er een stekelachtige struik met vruchten. Het is de inheemse naraplant, die uitsluitend in de Namib-woestijn voorkomt. Hij is familie van de komkommer. Niet alleen dieren als jakhalzen en kevers eten hiervan, maar ook de Topnaar bevolkingsgroep; zij eten het vruchtvlees en exporteren de zaden.
De Dode Vallei doet zijn naam eer aan. De kurkdroge grond vertoont grote barsten en hier en daar staat een dode kameeldoornboom van meer dan 500 jaar oud. Doordat er zich aan de westkant een zandbarrière ontwikkelde, kon deze vallei zich niet meer met water vullen.Verder westwaarts zijn waarschijnlijk andere valleien die nu geheel met zand zijn bedekt. Het is doodstil, zowel letterlijk als figuurlijk is het hier uitgestorven.
De Sossusvallei oogt heel anders. Dat hier nog niet lang geleden water in heeft gestaan, bewijst een groen stukje grond. De vallei wordt omgeven door zandduinen van driehonderd meter, de hoogste in de Namib. Hier is het zand op zijn roodst. De kleur ontstaat door het ijzeroxide dat de duinen bevatten; hoe langer ze water ontberen, hoe roder ze worden. De oudste duinen, die het verst van de zee zijn verwijderd, zijn het diepst gekleurd. Om te kunnen genieten van de zonsondergang gaan we op een hoger gelegen gedeelte zitten. Het is een adembenemend schouwspel: door de schaduwwerking ontstaat er een prachtig reliëf en veranderen de duinen geleidelijk van kleur: van rood naar diep bordeaux met een zachte gloed. Als de zon bijna onder is, is het tijd om terug te gaan. We komen nog nèt op tijd om met de laatste auto mee te kunnen rijden naar de parkeerplaats. Dat is geluk hebben, anders was het minstens een uur lopen geweest in het donker èn door het mulle zand. Tijdens de terugrit doemt een bruingevlekte jakhals op in het licht van de langzaam rijzende maan. Op de grote gele bol is precies te zien waar de bergen en dalen zich bevinden.
Terug in Sesriem begeven we ons met z’n vieren meteen naar de lodge om nog een keer goed te eten. Op nog geen honderd meter afstand is een verlichte waterbron en terwijl Eric van zijn oryx-steak aan het genieten is, komen er vier antilopen drinken. We observeren de majestueuze dieren met hun meterslange, kaarsrechte hoorns ademloos. Ze schijnen zich niet van de aanwezigheid van mensen bewust te zijn, ze gaan rustig hun gang. Als ze na een tijdje langzaam wegschrijden, vraagt Eric aan de ober wat een oryx eigenlijk is. Achteloos wijst de man naar de antilopen.

Wanneer we op het punt staan uit Sesriem te vertrekken, blijken Jennifer en David er al vroeg met de auto op uit te zijn getrokken. In een afscheidsbriefje spreken we de hoop uit ze over twee dagen in de Kuiseb Canyon te zien.
Het eerste traject verloopt vrij vlot. Bij het doorkruisen van een stukje van het Namib-Naukluftpark zien we een kudde springbokken en enkele antilopen. De stilte op de wegen went snel. Als er binnen een uur opeens een stuk of vijf auto’s langsrijden, waaronder drie vrachtauto’s met watertanks, vinden we het maar wàt druk. Sommige remmen af bij het passeren, aangezien er veel stof opdwarrelt, andere racen gewoon door. Wel groet bijna iedereen. Dat kan ook makkelijk in zo’n dunbevolkt land.
Opeens wordt het wegdek veel slechter en krijg ik een lekke voorband, de derde al in vijf fietsdagen! Twee kilometer verderop zijn graafmachines aan het werk. De grindwegen in Namibië worden één keer in de drie maanden schoongeschraapt. Als je geluk hebt, is dat net gebeurd, als je geen geluk hebt moet het nog gebeuren. Het is de grootste pech als ze er net mee bezig zijn; dan is de weg geheel omgeploegd. Zelfs na dat stuk blijft de weg slecht. Tot nu toe troffen we wel eens een slecht stukje, maar dat was dan van korte duur. Het is heel vermoeiend rijden: er ligt een laag los grind met daaronder mul zand, zodat je constant op je hoede moet zijn. Er is nu weinig gelegenheid voor één van de aspecten die ik juist zo plezierig vind aan fietsen: de omgeving goed bekijken. Zelfs aan het bord dat opeens midden in dit niemandsland opduikt en dat onze nieuwsgierigheid wekt, kunnen we pas echt aandacht schenken als we er met de neus bovenop staan. ‘Ruskamp Weltevree’ meldt het uitnodigend. Hé, daar hebben ze vast wel water. Het blijkt een heerlijke plek te zijn, waar we even genieten van ijskoude cola. De potten met groene planten vormen een oase in dit grauwe gebied. Als we wat meer tijd hadden gehad, had ik hier best een nacht willen blijven. Het aanbod van de Afrikaans sprekende gastvrouw is dan ook erg verleidelijk. Ze vertelt dat ze morgenvroeg met de auto naar Walvisbaai gaat en biedt ons een lift aan. Toch slaan we het af; we hebben ons nu eenmaal voorgenomen fietsend naar Solitaire te gaan. Vervolgens biedt ze aan voor ons te bellen, zodat men daar weet dat we eraan komen. De mensen hier zijn enorm behulpzaam en gastvrij. Ze nemen echt de tijd voor je.
Na de welkome onderbreking rijden we de weg weer op. Voor zover we iets van de omgeving kunnen zien, is het opvallend dat er altijd wel een bergketen vóór en achter je is. Ben je er een gepasseerd, dan doemt de volgende alweer op. Bovendien hangt er geen bepaalde geur. Meestal ruik je in een gebied wel iets speciaals, of het nou koeiepoep is of hooi. Het is zwaar fietsen over de losliggende kiezels. Soms loopt mijn fiets vast in een stuk mul zand. Ondanks de rustdag voel ik me nu alweer doodop.
In de buurt van Solitaire kijk ik reikhalzend naar het dorpje uit. Wat gek, er is helemaal niets te zien, terwijl Solitaire volgens een bordje slechts drie kilometer verderop moet zijn. Als we er eenmaal aankomen, blijkt het zó klein te zijn, dat je het gemakkelijk over het hoofd zou kunnen zien. Het bestaat slechts uit een benzinepomp, een winkeltje en een gebouwtje. Het winkeltje is het eerste sinds Rietoog, zo’n 250 kilometer hier vandaan, en er is van alles te koop: niet alleen levensmiddelen, maar ook T-shirts waarop de oude boom voor de deur staat afgebeeld; hij schijnt vrij bekend te zijn.
We maken een praatje met Moose, de beheerder. Als hij ons plan verneemt om naar Swakopmund te gaan, roept hij uit: ‘O, maar dan moeten jullie veel water meenemen, onderweg is er niets. Het eerstvolgende tankstation is zo’n 300 kilometer verderop. Weet je wat? Ik kan water voor jullie meegeven aan automobilisten die hier komen tanken!’ Ondanks dat het ons veel kilo’s gewicht zou schelen, slaan we zijn vriendelijke aanbod af. We willen voor zo’n elementaire levensbehoefte niet van anderen afhankelijk zijn. Stel je voor dat er niemand komt tanken, terwijl wij maar tien liter water hebben meegenomen…
Moose blijkt hier samen met zijn zus en haar gezin te wonen. Behalve Solitaire bezitten ze ook nog 9000 hectare grond. ‘Is het niet ontzettend eenzaam hier?’, vraag ik hem, maar hij zegt dat ze het juist erg naar hun zin hebben; hier hebben ze de ruimte en de vrijheid. Alsof ze dit wil illustreren, bestijgt zijn zus op dat moment haar paard en galoppeert het wijde landschap in. ‘Ken je het verhaal van de pot met goud, aan het einde van de regenboog?’, vraagt Moose. ‘Nou, voor mij is Solitaire die pot met goud. Trouwens, de stilte valt wel mee doordat het toerisme de laatste tijd is toegenomen. Wat dat betreft ligt Solitaire op een strategische plaats, zo tussen Sesriem en Walvisbaai. Zo kan ik aardig mijn kostje verdienen, maar een van de nadelige gevolgen is dat toeristen veel water verbruiken, terwijl dat juist zo schaars is. De watervoorraad van Namibië bevindt zich voor het grootste gedeelte in de grond en is maar voor een beperkt aantal mensen toereikend. Wanneer daar dan honderdduizenden toeristen bijkomen zal de voorraad binnen tientallen jaren op zijn. In de toekomst zal dat een groot probleem worden. Wij halen ons water uit de grond met behulp van een pomp. Het is meer dan 5000 jaar oud en prima te drinken.’
Een van zijn neefjes onderbreekt het verhaal om ons zijn schorpioenen te tonen die in een glazen bak huizen. Vervolgens houdt hij trots twee slangetjes omhoog. Voor Eric er erg in heeft, krijgt hij er ook een in zijn handen geduwd.
Na het opzetten van de tent en een verfrissende douche keren we terug naar het winkeltje, waar Moose aan het oefenen is op een dartbord. In plaats van zijn werkpet draagt hij nu een vrijetijdspet, zoals hij die noemt: een schots geruite met een rode pompoen erop. Ondanks dat hij al een aantal jaren in Afrika woont, blijft hij zijn afkomst trouw. Het is al bijna donker; Moose heeft inmiddels de generator aangezet. Gewone elektriciteit is er niet; de eerstvolgende aansluiting is van de mijn, zo’n zeventig kilometer verderop. Maar aangezien de mijn is opgeheven – zoals zovele in Namibië – wordt de aansluiting niet meer gebruikt.
Moose bereidt een heerlijke maaltijd voor ons: boerewors, maïs, gekookte aardappelen in de schil en salade. Behalve rode bieten en wortels worden alle groente en fruit geïmporteerd uit Zuid-Afrika. In Namibië groeit heel weinig. Bij de grens komt er 20 procent bovenop de prijs en bij de verkoop nog eens 25 procent. Groente is hier behoorlijk duur. Schaapsvlees wordt vanuit Australië naar Walvisbaai verscheept en is zelfs dan nog goedkoper dan het Namibische schaapsvlees.
Op de veranda staat een televisietoestel met een videorecorder. De twee neefjes van Moose kijken samen met hun zwarte vriendjes, de zoontjes van de arbeiders van het tankstation, naar een video. Veel boeren in Namibië kiezen ervoor hun kinderen zelf op te voeden op de boerderij, maar Moose vindt dat zulke kinderen daardoor op den duur erg beperkt zijn. Daarom zitten zijn neefjes in een stad 250 kilometer ten noorden van Solitaire op een soort kostschool, waar ze zoet mee zijn van hun zevende tot hun achttiende jaar. Nu genieten ze echter van een korte vakantie.

Als iemand ooit vraagt hoe een fietsvakantie in Namibië is, zou je hem kunnen verzoeken over het strand van Zandvoort naar Scheveningen te rijden, mèt bagage en tegen de wind in, en hem na afloop vragen of hij dat leuk vond. Zo is fietsen in Namibië, althans vandaag.
Bepakt en bezakt vertrekken we uit Solitaire. Afgezien van de uit Nederland meegenomen noodrantsoenen bestaat onze voorraad uit 27 liter water, twee bruine broden, twee blikjes cola en biscuit. De komende paar honderd kilometer zullen we immers niets tegenkomen. Het water is verdeeld over de bidons, twee waterzakken met elk een inhoud van tien liter, en ééntje van vier liter. Na enig herschikken passen die bovenin de achtertassen.
Net als gisteren vormen de eerste twintig kilometer geen probleem. Daarna komt alles tegelijk: omdat de weg draait, waait er opeens een sterke wind van opzij. Het wegdek verandert in een ribbenkast met mul zand en veel hobbels. Bovendien gaat het heuveltje op, heuveltje af. Het tempo ligt op de mulle stukken niet hoger dan vijf kilometer per uur. Ik ga voorop, omdat ik in het algemeen het beste spoor kan vinden en meestal nog wel vooruit kan komen. Eric moet vaak afstappen en de fiets voortduwen: hij weegt sowieso al twintig kilo meer, hij heeft tien kilo meer bagage èn het meeste water. Gisteren viel het op dat de rechterkant van de weg vaak het best berijdbaar is, omdat daar niet veel mul zand is. Ook vandaag blijkt dat het geval. Een verklaring is misschien dat vooral in de winter de wind uit het oosten komt; aangezien deze weg naar het noorden loopt, waait het meeste zand naar de linkerkant van de weg. Na een tijdje zwoegen houden we buiten adem een korte pauze in de berm met de blikjes nog koele cola. De wind laat ons echter ook nu niet met rust, het fijne zand stuift ons om de oren. Ik houd mijn handen beschermend voor mijn ogen: als je contactlenzen draagt, zijn vuiltjes extra pijnlijk.
De uren verstrijken. De enige afleiding vormen de mineraalstenen en grote blokken kwarts in de berm. In Namibië worden veel diamanten gewonnen. In enorme gebieden, bijna zo groot als Nederland, liggen ze voor het oprapen. Onbevoegden wordt daar de toegang ontzegd. Het Zuid-Afrikaanse bedrijf De Beers schijnt een aardige vinger in de pap te hebben, ook politiek gezien. Het verhaal gaat dat ze silo’s vol diamanten hebben, maar die van de markt houden om de prijs op te drijven. Toen een paar jaar geleden het IJzeren Gordijn openging, wilden de Russen de markt laten overstromen met diamanten, maar toen schijnt De Beers te hebben gedreigd zijn silo’s te openen. Daardoor zou de prijs dermate dalen dat de Russen niets meer zouden kunnen uitrichten. Zodoende zijn de Russische diamanten maar mondjesmaat op de markt gebracht.
Even na het middaguur verandert het landschap geleidelijk. De vertrouwde heuvels maken plaats voor leisteengebergte. Via de Gaubpas, met een hellingspercentage van 18 procent, dalen we af naar de gelijknamige droogstaande rivier. In de schaduw van een rots staat een picknicktafel met bankjes; dàt is nog eens een lekkere plek om je middagpauze te houden. Desondanks kan ik niet voor de volle honderd procent van de rust genieten. Het besef dat ons straks een pittige klim in de brandende zon wacht, laat me niet los. Wat zou het heerlijk zijn hier vrij te kamperen, maar helaas is er geen water en met onze voorraad moeten we zuinig zijn. Dus hijsen we ons een uur later met moeite op de fietsen en kruipen we langzaam omhoog. Al binnen een paar minuten druipt het zweet in straaltjes van ons af. De koele cola van vanochtend lijkt wel een hallucinatie te zijn geweest. Op zo’n moment vraag ik me echt af waar ik aan begonnen ben. De helling is zo steil, dat zelfs een klein verzet al niet meer helpt; ik moet lopen.
Na de Gaub-pas nemen de heuvels het weer van het leisteengebergte over, alsof ze er altijd zijn geweest. Soms ligt tussen twee glooiingen mul zand. Dan stop ik en duw de fiets voor me uit. Eric daarentegen rijdt met een behoorlijke snelheid door de zandhoop.
Dan nadert een politiewagen. De agent stopt vlak bij ons en informeert of er iemand is die ons in de gaten houdt en wat we doen in geval van problemen. ‘Het julle genoeg water saamgeneem? Julle sou nie die eerste fietsers wees nie wat van die droogte verrek.’ We weten hem gerust te stellen door te vertellen dat we ons grondig hebben voorbereid. Toch leuk dat hij zo bezorgd is.
Een tijdje later haalt een auto ons onder luid getoeter in. Ingespannen turen we naar de bestuurders. Hé, het zijn David en Jennifer. Maar wat nu, rijden ze door?! Nee, David zet de auto een paar honderd meter verderop stil. Jennifer stapt uit en pakt iets uit de kofferbak. Tegen de tijd dat we bij de auto komen, houdt ze uitnodigend twee blikjes frisdrank omhoog. Dankbaar pakken we ze aan. Niets smaakt op zo’n moment zo lekker als een blikje koude cola. We wisselen in het kort onze belevenissen uit. Aangezien ze vandaag ook naar de Kuiseb Canyon gaan, bieden ze aan wat zware dingen mee te nemen. Nou graag, dan halen we het zeker wel voor het donker! Dus legt David onze voorraad water, de tent en de slaapzakken in de achterbak. De fietsen zijn nu weliswaar een stuk lichter, maar qua snelheid blijkt het nauwelijks uit te maken en als de weg nog slechter wordt, scheelt het niets meer. Volgens David moet de kampeerplaats 85 kilometer van Solitaire af liggen, maar als onze kilometerteller ’86’ aangeeft, is er nog niets te zien. Alhoewel het bijna donker is, zitten we nog steeds op de fietsen. Dat de Kuiseb Canyon dichterbij komt, is te merken aan de bergen die opdoemen. Erachter hangt een sprookjesachtige, oranje gloed. Wat zonde dat de omgeving aan onze neus voorbijgaat. Hij moet echt spectaculair zijn. De maan laat nog op zich wachten en als we geen hand voor ogen meer zien, stappen we af. Zelfs de tientallen sterren baten niet. Het lopen in die doodstille, ruige omgeving voelt heel onwerkelijk, als in een droom. Zouden Jennifer en David zich ongerust maken? Hadden we onze spullen nu maar niet meegegeven, dan hadden we de tent kunnen opslaan. Nu móeten we doorgaan. Stom, maar het is een goede les voor de volgende keer.
Dan leidt een wildrooster het Namib-Naukluftpark in. Even blijven we aarzelend staan. Zou het niet gevaarlijk zijn? Misschien lopen er wel talloze wilde dieren rond. Maar we kunnen hier toch moeilijk blijven staan en bovendien kan de camping niet ver meer zijn. Dus knipt Eric de zaklantaarn aan en proberen we voorzichtig verder te fietsen. Ik ben echter bekaf en kan me niet meer concentreren. Na iedere bocht kijk ik hoopvol rond, maar tevergeefs. Net als ik begin te wanhopen klinkt een zacht gebrom en zien we twee koplampen. De opluchting is groot als het David blijkt te zijn, die poolshoogte komt nemen. Aangezien de kampeerplaats nog vier kilometer verderop blijkt te liggen, accepteer ik dankbaar zijn aanbod om mijn fiets in de auto mee te nemen.
Eric fietst de laatste kilometers, die kunnen er voor hem ook nog wel bij. Hij is nauwelijks op weg, als er in het donker opeens iets opdoemt. In de veronderstelling dat er misschien iets uit de achterbak is gevallen, stopt hij en schijnt erop met zijn zaklantaarn. Het is een s-vormig ding dat rechtop staat, maar plat op de weg gaat liggen zodra het het licht bemerkt. Het duurt even voordat het tot zijn vermoeide brein doordringt, maar dan gaan Erics haren recht overeind staan: een slang, wegwezen! In een recordtijd komt hij bij de kampeerplaats aan die is opgericht door het Directoraat van Natuurbehoud.
Om er te mogen staan is een vergunning nodig. Wij hebben er geen en riskeren een boete van tachtig gulden, maar zijn te moe om ons dáár druk over te maken. In de wijde omgeving is geen water, ook niet op deze kampeerplek. Het toilet bestaat uit een afgeschermd gat in de grond. Jennifer vertelt dat ze de afgelopen nacht in Naukluft hebben gekampeerd. Zij hadden meer problemen met de brutale bavianen dan wij, want terwijl ze een wandeling maakten, hadden de apenkoppen alle haringen uit de grond getrokken, de tentstokken verbogen en de slaapzakken naar buiten gegooid. Toen ze dat aan de opzichter meldden, vertelde hij dat het een week eerder ook was gebeurd en dat de boosdoener was doodgeschoten om herhaling te voorkomen. Wellicht hadden ze de verkeerde te pakken. Opeens slaakt Jennifer een gil en springt op. Vlak bij haar blote voet kruipt een kleine schorpioen. David grijpt een losliggende tak en zwiept hem een aantal meter verder.

Na een verkwikkende nachtrust ontbijten we voor de laatste keer samen met Jennifer en David, met uitzicht op de drooggevallen Kuiseb-rivier. Deze staat vaak verscheidene jaren droog, maar na hevige regenval in het hoogland verandert hij in een kolkende watermassa die door het dorre landschap stroomt. De watervloed spoelt dan het zand weg dat in de rivierbedding was geblazen. Zodoende helpt de Kuiseb-rivier voorkomen dat de zandduinen zich uitbreiden ten koste van de grindvlaktes die zich noordwaarts uitstrekken naar de Swakop-rivier. We geven Jennifer en David ons adres en zwaaien hen dan uit. Even daarna zijn ook wij klaar om te vertrekken.
Meteen begint een pittig klimmetje uit de Kuiseb Canyon. De weg is van slechte kwaliteit en dermate steil dat we een stuk moeten lopen. Na het ravijn wacht een landschap met een totaal ander karakter. Hier strekt zich een eindeloze, grijswitte grindvlakte uit. Grote stukken zijn onbegroeid, op enkele gedeelten groeit een soort beige helmgras dat op de wind golft. De weg loopt alsmaar rechtuit, kilometer na kilometer, en verdwijnt ergens in de verte. De enige afwisseling in het fietsen wordt gevormd door een enkel heuvelruggetje. Wat daarachter ligt, is in het begin een verrassing, maar op den duur weten we dat hetzelfde soort landschap wacht. Het aantal auto’s dat ons deze dag passeert is op één hand te tellen. De enige andere geluiden die we horen, zijn het waaien van de wind en het geluid van de fietsen. De eentonigheid beklemtoont onze moeheid, we fietsen met het verstand op nul, de blik op oneindig. Ik ga steeds op kop en zoek de weg, terwijl Eric achter me aan hobbelt. Als ik af en toe naar de andere kant van de weg oversteek, moet hij al zijn krachten aanspreken om niet te blijven steken in het mulle zand.
Gestaag volgen de kilometers elkaar op. Het landschap verandert nagenoeg niet. Na zestig kilometer houden we het voor gezien. De zware dag van gisteren breekt ons op. Hoewel het verboden is om in het Namib-Naukluftpark van de weg af te gaan of te kamperen, doen we dit noodgedwongen toch. De spaarzame planten in deze onvruchtbare omgeving groeien langzaam en zijn erg kwetsbaar. Bovendien nestelen er zeldzame zeevogels op de grond. Er is niet veel voor nodig om het ecosysteem te verstoren.
Een eindje van de weg, net achter een paar kleine rotsblokken, slaan we ons kamp op. We zetten alleen de binnentent op en laten de tassen op de fietsen zitten. Er is geen zuchtje wind, geen levende ziel te bekennen. We kunnen ongestoord voor de tent zitten, want één van de voordelen van de Namib-woestijn is dat er geen muggen zijn. Tijdens de maaltijd verkleurt de hemel langzaam: van geel, naar oranje, naar rood. Dan is het donker en verschijnen talloze heldere sterren. We zouden bang kunnen zijn omdat we ons in zo’n eenzaam gebied bevinden, maar we voelen ons totaal ontspannen. Juist vanwege de ongekende rust en ruimte is Namibië zo fantastisch. Je kunt de stilte horen, de vrijheid opsnuiven en slapen onder de sterren.

Midden in de nacht schrik ik wakker van een geluid vlakbij de tent. Ik zit als verstijfd. Wat kan dat zijn? Koortsachtig denk ik na. Het lijken wel voetstappen van iemand die rond de tent sluipt. O jee, zijn de fietsen er dan nog wel! Ja, gelukkig, het geluid komt van de tegenovergestelde kant. Wat dan? Misschien is het een beest. Het geluid klinkt enigszins als gegraas. Wat moet ik doen? Snel por ik Eric wakker. ‘Hoor je dat ook?’, fluister ik angstig. Eric legt zijn oor te luisteren. Ja, hij hoort het ook. De spanning is om te snijden. Mijn adem stokt. Ik rits heel voorzichtig een stukje van de tent open en kijk met één oog naar buiten: niets. ‘Wacht eens,’ zegt Eric, ‘ik heb in de grond holletjes gezien. Misschien zitten er kevers in die er nu proberen uit te komen en dan tegen het grondzeil aankomen’. Voorzichtig glijden onze vingers over de grond, maar we voelen niets. Muisstil blijven we een kwartier rechtop zitten en houden onze oren gespitst. ‘Zou het misschien de tent zelf zijn?’, oppert Eric uiteindelijk. Het geluid blijkt veroorzaakt door een flapje van de binnentent dat door de opgestoken wind over het grondzeil schuift. Opgelucht schieten we in de lach.

Inmiddels hebben we de routeplanning veranderd. We gaan naar Walvisbaai en niet naar Swakopmund; dat scheelt een hele dag fietsen. Zou die stad nog bij Zuid-Afrika horen? Als dat nog steeds het geval is, is een visum nodig en dat hebben we niet. We wagen het er maar op, omdat de vermoeidheid steeds meer toeslaat en onze watervoorraad waarschijnlijk nèt niet toereikend is.
Als je een tocht door de woestijn maakt, zou je eigenlijk van dag tot dag een waterboekhouding moeten aanleggen, waarin staat hoeveel water benodigd is voor: tandenpoetsen, wassen, thee zetten, maaltijden en, in ons geval, contactlenzen inzetten. Verder moet je natuurlijk van tevoren precies checken waar water en voedsel te krijgen is. Dat kan aanzienlijk in gewicht schelen.
Het landschap oogt min of meer hetzelfde als gisteren. Het ziet er nog steeds uit als een reusachtige zandbak met af en toe minimale begroeiing in de vorm van een soort helmgras of kleine planten. De wegen zijn heel breed, zodat we makkelijk het beste spoor kunnen zoeken. De weg naar Walvisbaai loopt naar het westen; omdat er een noordoostelijke wind waait valt ook hier de rechterkant het beste te berijden. Een voordeel daarvan is dat we niet worden bedolven onder het stof dat de spaarzame auto’s die langsrijden doen opstuiven. Verrast stoppen we bij een paar cactussen die in de berm groeien. Er staat een bordje bij: ‘if you have any water to spare, please give us and share’. Aangezien we betwijfelen of onze watervoorraad voldoende is tot aan Walvisbaai, schieten ze er helaas bij in.
Voelden we de eerste paar dagen van onze tocht onze armen en nek, nu steekt vooral moeheid de kop op: onze krachten nemen geleidelijk af. Desondanks houden we de moed erin. Als er later zowaar een auto aankomt, houd ik hem aan en vraag aan het echtpaar of ze wat water kunnen missen. De vrouw vult meteen de beide bidons, samen goed voor anderhalve liter. Daarmee zullen we het zeker redden. We lassen meteen een pauze in en zetten thee. ‘Gelukkig, nu hoeven we niet meer zuinig aan te doen,’ verzucht ik, ‘op dit traject maakte ik me zorgen of de watervoorraad wel groot genoeg was’. Eric knikt: ‘ik weet het. Ik verzekerde je er toch steeds van dat we genoeg water hadden om limonade te maken en thee te zetten? Ook al twijfelde ik daar zelf soms aan, ik hield het toch vol. Stel je eens voor dat ik had gezegd dat we rustig aan moesten doen. Door de gedachte alleen al zouden we allebei erge dorst hebben gekregen en nog meer hebben gedronken!’

Al sinds een tijdje waait er een heerlijk frisse wind in plaats van die warme woestijnwind en als er tot onze grote verrassing asfalt verschijnt, zijn we uitgelaten. Na acht dagen zwoegen over grind en door zand is dat een grote luxe. Eric stapt af en kust het van pure vreugde.
Naarmate we Walvisbaai naderen, neemt de luchtvochtigheid toe en wordt de wind kouder. De muur van wolken duidt erop dat de oceaan niet ver meer is. De woestijn maakt plaats voor bebouwing, moeheid voor blijdschap. We rijden door een luxe buitenwijk met brede boulevards met palmbomen en mooie gazons; de villawijken zijn netjes in blokken verdeeld volgens de straatnamen 1e Straat, 2e Straat, enzovoort, die worden gekruist door de 1e Weg en de 2e Weg. In de eerste de beste supermarkt kijken we onze ogen uit: fruit, snoep, frisdrank en verse broodjes, wat een heerlijkheden allemaal. Wat waarderen we die weer! We eten ons buikje rond. De afgelopen twee maanden is het in Walvisbaai dertig graden geweest, maar uitgerekend vandaag is de temperatuur maar liefst twintig graden gedaald en naar verwachting blijft het zo. Voor ons doen is het koud en huiverend trekken we onze sweaters aan.
De reisgids meldt dat de stad een gemeentecamping rijk is. Onderweg daarheen rijden we langs hijsinstallaties, containers en loodsen. Walvisbaai is de enige diepzeehaven langs de kust. Alleen hier kunnen grote boten heen. Namibië is voor zijn zeehandel en visserij geheel van deze haven afhankelijk. Het is voornamelijk een commerciële plek, waar mineralen zoals koper, lood en uranium worden geëxporteerd. Op de camping zijn volop voorzieningen, zoals warme douches, een ligbad, wasmachines en wasdrogers. Wat een buitenkansje. De drogers zijn er niet voor niets, want ’s ochtends trekt de lucht vanuit zee het land in, waardoor alles vochtig wordt. Dit gedeelte van de kust is dan ook redelijk groen.
Tijdens het doen van de was raken we in gesprek met een Zuid-Afrikaanse vrouw die al meer dan dertig jaar in Namibië woont. Ze vertelt dat het land vier jaar geleden onafhankelijk is geworden. Daarvoor heette het Zuid-West-Afrika en viel het onder Zuid-Afrika. Maar Walvisbaai is nog lange tijd een Zuid-Afrikaanse enclave gebleven. Pas in 1994 is de stad Namibisch geworden. Officieel konden alleen buitenlandse werknemers die er langer dan vijf jaar werkten een vaste werkvergunning krijgen of de Namibische nationaliteit aannemen. Maar de regering was vrij soepel en bepaalde dat ook mensen die er korter werkten een vergunning konden krijgen. De blanke inwoners hebben er geen nare gevoelens aan overgehouden. Tegenwoordig probeert de Namibische regering de achterstand van de zwarten weg te werken door ze bij vacatures positief te discrimineren. Deze zogeheten ‘affirmative action’ vinden de blanken een kwalijke zaak.

Alvorens Walvisbaai te verlaten, nemen we eerst nog een kijkje bij de lagune, die wordt beschouwd als een van de belangrijkste woonplaatsen voor vogels in Afrika. Hij onderhoudt ’s zomers zo’n 80.000 vogels en ’s winters 68.000, waaronder een groot deel van de flamingo-populatie van zuidelijk Afrika.
Als je goed kijkt, is Walvisbaai een grappig opgezette stad met brede straten en verschillende soorten huizen, die vaak zijn geschilderd in pasteltinten. Net buiten het centrum aan het strand staan eenvoudige huisjes. Te oordelen naar de grootte en de staat waarin ze verkeren, wonen hier de minder welgestelden, met name zwarte inwoners.
De kustweg is naar onze maatstaven vrij druk. Af en toe jagen de voorbijrazende auto’s ons de stuipen op het lijf. Het wegdek bestaat uit een mengsel van grind en zout. Dat wordt met water bij elkaar gemengd en dan uitgestreken. Als het regent wordt het spekglad. Al is het gezien de vele kleine gaten geen stevig materiaal, voor ons rijdt het fantastisch.
Vlak voor de kust zijn in zee verscheidene houten platforms gebouwd. Ze dienen als tijdelijke nestplaatsen voor de duizenden zeevogels in het gebied. Jaarlijks wordt ongeveer duizend ton mest van deze platforms verzameld en verkocht aan de mestindustrie. De kust is ook een waar paradijs voor vissers. Het koude water is rijk aan plankton en daardoor een broedplaats voor vele soorten vis. Er zitten tientallen hengelaars, vergezeld van pelikanen die geduldig staan af te wachten. Aan de kust bevinden zich een resort en een bungalowpark. Regelmatig is er een afslag richting zee. Ook al zijn daar parkeerplaatsen, het betekent niet dat er gelegenheden zijn waar je iets kunt eten of drinken: er is helemaal niets.
Als we rond half twee Swakopmund binnenrijden, is het opvallend rustig op straat. We willen hier twee dagen blijven en trakteren onszelf op het eenvoudig hotel, JJ’s genaamd. Hier is duidelijk sprake van achterstallig onderhoud. De ijzeren veren in de bedden kraken en onder het doorgezakte matras liggen houten planken. De gordijnen hangen half los, de deurkrukken zijn kapot, lichtschakelaars doen het niet, tegels in de badkamer ontbreken, de vloerbedekking is hier en daar stuk en op de gang hangt het behang op veel plaatsen los. Toch deert het ons niet. Door de ervaringen met hotelletjes in Azië zijn we wel wat gewend.
Het meisje achter de receptie, Belinda, vertelt dat de winkels nu wegens middagpauze zijn gesloten, maar tussen vier en zeven uur weer open gaan. Het is behoorlijk lastig iets te eten te vinden. Ik voel mij aangetrokken door Erich’s restaurant, maar daar serveert men alleen een warme maaltijd als lunch. We werken bij Küchis Pub een vette ‘Bratwurst’ naar binnen, die één van de vele aanwijzingen blijkt te zijn dat Swakopmund Duits georiënteerd is. Het stadje wordt niet voor niets omschreven als ‘een stukje Duitsland aan de rand van een woestijn’. Een groot aantal gebouwen en huizen dateert uit de Duitse koloniale periode en zijn in de toentertijd zo populaire Jugendstil gebouwd. Bij een uitspanning langs de kust kun je ‘frühschoppen’ en bij Konditorei-Café Anton aan de Bismarck Strasse eten we ‘Apfelstrudel’. Er wordt overwegend Duits gesproken. Veel Duitssprekende Namibiërs hebben hier namelijk een vakantiehuisje en Swakopmund is tevens een populaire bestemming voor met name gepensioneerde Duitsers van overzee, die zich hier vanzelfsprekend erg thuis voelen.
Na een tijdje slenteren, keren we terug naar JJ’s en strijken neer in het eetzaaltje dat sprekend op een huiskamer lijkt. Aan het aanwezige bureau zitten twee oudere vrouwen te praten. Belinda blijkt de kleindochter, respectievelijk achterkleindochter van hen te zijn. De moeder van Belinda verblijft in Zuid-Afrika en daarom heeft oma Jacky haar kleindochter onder haar hoede genomen.
Belinda vertelt dat ze een paar jaar geleden als au pair in Spijkenisse heeft gewerkt. Het staat haar nog levendig voor de geest: ‘Ek het in Januarie gekom en ek was glad nie gewoond aan dié koue. Ek het nie geweet wat gaan aan nie. Ek het met my voete op die verwarmer geslaap en drie paar sokke in die bed gedra, drie paar wol broekiekouse en ’n mussie. Buitekant het ek nog oorwarmers oor my mussie gesit ook. Alles in Holland is so naby mekaar. ’n Mens hoef amper te reis. Jy vat die metro, of die bus en jy is sommer vinnig daar.’ We kunnen ons dat goed voorstellen, want wij vinden de afstanden in Namibië juist zo groot.
‘Ahem, wil u miskien ietsie drink?’, vraagt dan iemand beleefd. Naast de tafel staat een man in een onberispelijk oberpak, compleet met een bijpassend mutsje. Wat doet die hier nou? Hij lijkt zo uit het Hilton te zijn weggelopen. Maar schijn bedriegt: Johnnie werkt al jaren bij JJ’s en hij heeft het erg naar zijn zin. Het is werkelijk een grappig hotel. We vallen van de ene verbazing in de andere. Jacky, de eigenaresse, vertelt ooit een document te hebben ondertekend, zonder de kleine lettertjes te hebben lezen. Had ze dat maar wel gedaan! Het bleek namelijk om een advertentie voor een jaarboek te gaan, waarvoor ze 1600 gulden moest neertellen en dat vier jaar lang! Een andere keer komt Jacky met een zorgelijk gezicht op ons toelopen. ‘Belinda heeft de sleutel in de opslagruimte laten liggen en een reservesleutel is er niet’. ‘O, die deur open ik wel even voor u, ik ben namelijk een rasinbreker’, grapt Eric. En inderdaad, binnen tien minuten is de klus geklaard.
Swakopmund mag dan nog zo’n populaire badplaats zijn, in de winter is er bijna niets te beleven. Langzamerhand beginnen we ons te vervelen. Het liefst zouden we morgen weer vertrekken, maar de bank is morgen pas open en bovendien is een tijdje rust na die zware dagen in de Namib-woestijn wel goed.
Als we terugkeren naar JJ’s, zit Jacky gewoontegetrouw in haar gebloemde tentjurk aan het bureau in de eetzaal. Daar bevindt ze zich zo’n beetje de hele dag. Geen wonder dat ze zo dik is. Op het bureau ligt een stapel puzzelboekjes en een aantal woordenboeken. Dat is blijkbaar haar grote hobby. Tussendoor werpt ze een blik op de tv die de hele dag aan staat. Terwijl we op ons avondeten wachten, vraagt Eric aan Jacky of hij een foto mag maken van haarzelf en Johnnie. Ze barst in lachen uit en zegt dan resoluut: ‘Aikôna! Nee glad nie!’ Wel mag Eric een foto van Johnnie en de kok nemen, die door Jacky gesommeerd worden om naast elkaar te gaan staan. Verlegen blikken ze in de lens.

Tijdens de maaltijd hebben we het erover dat het alweer zo lang geleden lijkt dat we door de woestijn fietsten. Nu pas dringt het voor de volle honderd procent tot mij door dat ik bijna geobsedeerd was door de gedachte aan water. Na iedere hobbel was ik blij een slok te kunnen nemen en de uitgebreide pauzes waren een feest, want die betekenden dat we limonade of thee konden drinken. Eric op zijn beurt hield zich in gedachten met andere lekkere dingen bezig, zoals een blikje koude cola. Voor de lol zei hij weleens tegen me: ‘Achter de volgende bult is vast een tankstation met koude cola en een zwembad ernaast’, maar dat kon ik niet echt waarderen.
’s Nachts worden we gewekt door een ouderwets soort muziek uit een cassetterecorder in de kamer naast ons. Het lijkt wel een hippie met een rauwe stem die zichzelf begeleidt op een akoestische gitaar. De melodietjes klinken heel eenvoudig, maar ze zijn dermate pakkend dat ze in ons hoofd blijven zitten.
We zijn blij wanneer het maandag is; Swakopmund is dan aanmerkelijk levendiger dan in het weekeinde. Het is druk op straat en de winkels maken een gezellige indruk. In het centrum lopen diverse groepjes Afrikaanse jongeren. Ze doen alsof ze overal naar kijken, behalve naar ons. Eerst viel het me niet op, maar nu Eric me er attent op maakt, zie ik dat ze vanuit hun ooghoeken naar onze spullen gluren. Het maakt ons niet aan het schrikken: afgezien van de vraag of die jongens nou iets willen of niet, letten we sowieso altijd goed op onze bezittingen.
Bij het wisselen van geld bij de bank blijkt dat de koers op het vliegveld gunstiger is. Kost een Namibische dollar daar 40 cent, hier kost hij ons 45 cent. In eerste instantie dachten we: ‘Goh, wat stom dat ze dit doen, want iedereen zal geneigd zijn om op het vliegveld meer geld dan nodig te wisselen.’ Pas toen Eric er langer over nadacht kwam hij tot conclusie dat het niet eens zo gek bedacht is. Omdat de lagere koers de eerste is waarmee toeristen in aanraking komen, zullen ze deze waarschijnlijk de hele reis blijven hanteren. Hierdoor zullen ze meer geld besteden dan bij een hogere koers. Het is echter veel waarschijnlijker dat er helemaal geen filosofie achter dit verschil in koers zit.
Hoe langer je door Swakopmund loopt, hoe meer Duitse invloeden je ontdekt: er zijn Duitse scholen, kunstenaars, verenigingen en diverse ‘Kindergartens’. De antiekwinkel Peter’s Antiques verkoopt enge medailles met hakenkruizen en Duitse oorlogsliteratuur. Er hangen akelige vlaggen die tegenwoordig door de neo-nazi’s in Heidelberg worden gebruikt. Zelfs de lucht heeft iets Duits. De gistlucht van de Hansa bierbrouwerij hangt over de hele stad. Na nog enkele omzwervingen hebben we het idee Swakopmund echt helemaal te hebben gezien. Het wordt de hoogste tijd op de fiets te stappen, op zoek naar het èchte Namibië.

Zandkoekjes in de woestijn

De twee rustdagen hebben we echt nodig gehad, goed uitgerust laten we Swakopmund achter ons. Twee dingen treffen ons: de koude en de grote leegte. Al fietsend over de kustweg bruist links de Atlantische Oceaan en strekt zich rechts een schijnbaar oneindige grijze zandvlakte uit. Uit de oceaan waait een kille wind. Het wegdek lijkt op asfalt, maar is in werkelijkheid een zoutweg. Marijke peutert met haar nagel zo een stukje los en, waarachtig, het smaakt nog zout ook.
Langs de kust zijn diverse kampeerplaatsen. De eerste die we tegenkomen wordt Mile 4 genoemd. Die naamsaanduiding is de afstand in mijlen tot Swakopmund. Het terrein is leeg en verlaten. Over een afstand van bijna een kilometer staan om de dertig meter grote ‘vierkante blokken’ op het strand. De laatste camping aan de kust heet Mile 108. Deze ligt aan de Skeletenkust waar we niet zullen komen. Vandaag zijn we op weg naar Mile 72, die dus 115 kilometer van Swakopmund ligt.
Na Mile 16 volgt een spookstad. Op de zandvlakte tussen de weg en de oceaan staan honderden blokhuizen met geblindeerde ramen. Naast ieder huis staat op een stellage een grote waterton. In de maand december is het op het zuidelijk halfrond zomer. De temperatuur in het binnenland kan oplopen tot meer dan veertig graden. Mede doordat vissen een populair tijdverdrijf is, trekken de mensen naar de koele kust. De spookstad is dus niets anders dan een verlaten vissersdorp voor vakantiegangers.
We zijn al diverse keren ingehaald door auto’s met aan de voorkant een aantal lange stokken die op antennes lijken. ‘Een noodfrequentie in dit land is geen slechte vervanger voor ANWB-palen’, bedenk ik. Bij nader inzien blijken de stokken lange vishengels te zijn die in houders op de voorbumper zitten. Dan moet Marijke plassen. Als man heb je hier nooit problemen mee; je gaat met je rug naar de weg staan en niemand die iets ziet. Voor een vrouw schijnt dat toch anders te liggen. Zomaar gehurkt in je blote kont gaan zitten, spreekt Marijke niet zo aan. Vooral omdat er regelmatig auto’s passeren. Pas als ze aangeeft dat de nood hoog is, kijken we goed in de verte. Geen auto? Ze grijpt haar kans.
’s Middags eten we in Hentiesbaai, de laatste kuststad in het noorden. Daarna volgt 600 kilometer onherbergzame kust met een paar campings en een verlaten mijnstad. Hentiesbaai was vroeger een vissersplaats, maar tegenwoordig is het één groot vakantiedorp voor binnenlandse toeristen. Nu, in het laagseizoen, blijkt de plaats nagenoeg uitgestorven en is er niets wat het bezichtigen waard is. Langs de weg ligt een bungalowpark met een restaurant, supermarkt en tankstation. Vooral de supermarkt komt na 75 kilometer fietsen als een aangename verrassing. Ik stap naar binnen en sla spullen in, want na een overnachting op Mile 72 zullen we doorrijden naar Kaap Kruis en dan weer terugfietsen naar Hentiesbaai. Precies op die avond zal de Champions League-finale tussen Ajax en AC Milan gespeeld worden. Ik wil dan een bungalow huren met tv; wellicht dat op een van de zenders de wedstrijd zal worden uitgezonden. Stom eigenlijk, ben je op vakantie en dan kijk je uit naar zoiets…
Na Hentiesbaai doemen rechts in de verte duinen op. De vlakte die hiervoor ligt is begroeid met donkergroene, lage bolle struiken die we ‘broccoli’ noemen. Overal waar rotsblokken liggen, staan ze. Blijkbaar kunnen ze daar tenminste nog houvast vinden. Langs de kant van de weg liggen vaak kleine stapels met keien. Soms staat er een lege cola-fles, een bierblikje of een stokje bovenop. Het lijken wel kunstzinnige kilometerpaaltjes. We vragen ons de hele dag al af wat dat te betekenen heeft.
De camping Mile 72 is even verlaten als hij groot is. Naast de ingang staat een hutje waarin de enige andere bezoekers zich bevinden. De stukken grond waar je de tent mag zetten zijn weer bijzonder groot en ook de braaiplekken ontbreken niet. De karakteristieke vierkante blokken blijken toiletblokken te zijn. Onder de gebouwen zitten grote betonnen bakken waarin de uitwerpselen worden opgevangen: de geur wordt alleen door de vliegen gewaardeerd. De kampeerplaats kost 4 gulden en voor 40 cent mogen we gebruik maken van de warme douches. Omdat drinkwater erg schaars is, wordt het verkocht voor 4 cent per liter. Na het opzetten van de tent lopen we naar de woeste oceaan. Op het strand ligt een zeehond. Hopelijk zijn de zeehonden bij Kaap Kruis anders, want deze verkeert in staat van ontbinding. De zeemeeuwen zijn al aan de kop begonnen.
Terwijl we in de schemering voor ons tentje ons zelfgemaakte kostje eten, discussiëren we over het verschil tussen een zeerob, een zeeleeuw en een zeehond. We komen er niet uit. Vanaf het hutje bij de ingang komt een bakkie aanrijden. Achter het stuur zit een jochie van een jaar of twaalf dat vraagt: ‘Kom u ’n stukkie wors braai?’ ‘Ons kom over vijf minuut’, zeg ik, in de hoop dat het correct Afrikaans is.
Het jochie is de oudste zoon van Jan, een blanke schoenenverkoper uit Swakopmund. Hij is er met zijn dochtertje en zoontjes een paar dagen tussenuit geknepen. Ik spreek mijn verbazing erover uit dat zijn zoontje al auto rijdt. Jan lacht er om en zegt dat hij hier toch geen brokken kan veroorzaken. We nemen plaats rond de braaiplek, waarna Jan in een ijzeren rooster een lange boerewors stopt. Hij port het houtskool op tot de vlammen gedoofd zijn en legt dan het rooster erboven. We krijgen ook wat brood en als groente ui en tomaat.
Ondertussen geeft Jan zijn visie op Namibië. Vroeger, toen Namibië nog Zuid-West Afrika heette en bij Zuid-Afrika behoorde, was het volgens hem beter. Zo waren toentertijd bijvoorbeeld de schoolboeken gratis. Nu ervoor betaald moet worden maakt dat het leven, vooral met drie kinderen, een stuk duurder. Ook op het huidige lessysteem heeft hij kritiek. Vroeger werd het Zuid-Afrikaanse systeem gehanteerd, tegenwoordig het Cambridge-systeem. Omdat het Afrikaans, de meest gesproken taal, als officiële taal is afgeschaft, moeten alle lessen in het Engels worden gegeven. Maar de leraren in het noorden spreken naast het plaatselijke dialect alleen Afrikaans, de taal waarin ook alle lessen werden gegeven. ‘Hoe is dit moontlik dat ’n nie-Engelssprekende onderwyser skool hou in Engels?’, vraagt Jan zich af. ‘Afrikaans is waarskynlik net afgeskaf omdat dit ’n link het met apartheid.’ Jan drukt zich nu nog voorzichtig uit, ‘…want’, zo zegt hij, ‘ek het op ’n stadium besoek gehad van ’n klompie Kanadese wat glad niet van my standpunt gehou nie.’ Volgens de Canadezen waren de zwarten achtergesteld in Namibië en Zuid-Afrika. Jan legt uit dat dat de zwarten juist door de overstap van het Afrikaans op het Engels nog meer worden achtergesteld. Ook de parlementsleden worden geacht Engels te spreken, iets dat ze bij officiële gelegenheden ook doen. Maar in de wandelgangen wordt nog onverminderd Afrikaans gesproken. Ook president Nujoma kan in Jans ogen niet veel goed doen. Hij is een voormalige leider van de South West Africa People’s Organization, afgekort SWAPO. Vlak voor de verkiezingen heeft hij een grootschalige razzia laten houden onder zijn SWAPO-aanhangers. Op grote schaal zijn toen van spionage verdachte medewerkers gemarteld, langdurig opgesloten in afgesloten kuilen en zelfs vermoord. De president heeft slechts tot de ‘fourth grade’ op school gezeten. ‘Wat is de vierde graad?’, vragen wij meteen. Als blijkt dat iemand van zestien jaar in de twaalfde graad zit, wordt het ons duidelijk. Jan is beter te spreken over de Zuid-Afrikaanse regering. Daar hebben alle ministers tenminste nog gestudeerd, zoals Nelson Mandela.
Na de onafhankelijkheid is er in Jans ogen veel geld besteed aan nutteloze dingen zoals vliegtuigen voor de regering. In de periode voor de onafhankelijkheid was er veel meer geld beschikbaar voor sociale voorzieningen omdat Zuid-Afrika een rijk land is. Tegenwoordig haalt de regering zijn inkomsten uit de paar aanwezige uraniummijnen en de diamantvelden. De SWAPO heeft veel van Jans vrienden vermoord. Deze groepering is tegenwoordig een ogenschijnlijk keurige politieke partij, maar heeft jarenlang met geweld voor een onafhankelijk Namibië gestreden. Tja, en dan duurt het lang voordat je de gepleegde moorden op je vrienden bent vergeten. Ondertussen schakelen we over van het Afrikaans op het Engels omdat dat toch iets beter gaat. Alleen wanneer Jan langzaam Afrikaans spreekt kunnen we hem goed volgen. Voor het Engels moet hij iets meer nadenken, dus spreekt hij vanzelf langzamer.
De zwarten in Namibië zijn volgens Jan bijzonder laag opgeleid. Hij vertelt over de groepjes mannen van de Ovambo-stam, die je vaak in grote steden ziet zwerven, en waarschuwt: ‘Ze lopen vaak met z’n drieën of vieren en kijken wat ze kunnen stelen. Vooral toeristen zijn vaak een makkelijke buit.’ ‘De Ovambo’s komen uit het noorden, een streek die je zou moeten proberen te ontwijken indien mogelijk,’ gaat Jan verder. ‘Een enkele Ovambo is geen probleem omdat het lafaards zijn, maar zodra ze met meer zijn, worden ze erg brutaal. De gevaarlijkste plaatsen in Namibië zijn Windhoek en Ovambo-land.’ Van Windhoek kunnen we ons dat voorstellen. Als je daar ’s avonds over straat loopt, zie je bij alle grote bedrijven nachtwakers voor de deur staan. Jan vraagt waar we morgen heengaan. Als hij hoort dat dit Kaap Kruis is, vertelt hij over een leeuw die een week geleden is gesignaleerd bij Mile 108. Het beest is door de woestijn naar de kust gelopen op zoek naar iets eetbaars. Van hyena’s is het bekend dat ze regelmatig de stranden afstruinen, maar een leeuw is zeer bijzonder. Ook over Uis Mijn, ons doel voor over drie dagen, weet Jan het een en ander te vertellen. Omdat de regering een groter percentage van de winst wilde hebben, waren veel mijnen, zoals Uis, niet meer rendabel en moesten ze noodgedwongen sluiten. Daardoor zijn veel mensen uit Uis Mijn vertrokken en heeft het plaatsje nu veel weg van een spookstad.
Nieuwsgierig vragen we wat die stapeltjes keien in de berm te betekenen hebben. Jan verklaart dat vissers ze daar vaak neerleggen zodat vrienden weten waar ze zitten. Omdat het strand soms erg breed is, is vanaf de weg niet zichtbaar wat er bij de kustlijn gebeurt. Ze rijden van de weg dan in één keer het strand op, getuige de vele sporen. Lege cola-blikjes of bierflesjes moeten het ene stapeltje onderscheiden van het andere.

Vanaf Hentiesbaai is het 25 kilometer naar Kaap Kruis. Vlak voor de toegangspoort zien we twee hyena’s het binnenland invluchten. Ze rennen een kort stukje, staan even stil, kijken om zich heen en rennen dan weer verder. Ze zien ons wel, maar gelukkig komen ze niet op ons af. Waarschijnlijk zijn ze op rooftocht geweest en hebben zich tegoed gedaan aan een van de zeehonden. Nu snappen we ook waarom een hyena in het Afrikaans ‘strandjut’ wordt genoemd.
Kaap Kruis is een kaap die een eind de Atlantische Oceaan inloopt. Hij heeft zijn naam te danken aan een granieten kruis dat door de Portugezen is geplaatst. In 1486 kwamen zij hier als eerste Europeanen aan land. Ze zijn weer snel weggegaan, want het achterland is gortdroog en er groeit niet veel bijzonders. Misschien is het land daarom pas vierhonderd jaar later door de Engelsen geannexeerd.
Achter het kruis liggen rotsen en het strand. Nu ontneemt een muurtje nog het zicht, maar de zeehonden – of zijn het zeerobben – zijn al hoor- en ruikbaar. Na een eerste blik over de afscheiding blijkt het tot onze verbazing werkelijk zwart te zien van de zeehonden: tienduizenden! Je hebt kleine, maar ook grote dikke. Ze maken een lawaai van jewelste. Er zijn ook ukkies bij die in november of december zijn geboren. Die maken een grappig geluid dat veel wegheeft van het mekkeren van een geitje. Terwijl sommige babietjes met genietende ogen bij hun moeder aan de tepel sabbelen, kruipen anderen door elkaar. De grote grommen agressief als ze elkaar in de weg zitten en proberen elkaar van hun plaats te verdrijven. Elke vierkante meter is wel bezet. Het zijn grappige beesten. Soms liggen ze met hun kin op een rots te zonnen, een andere keer luieren ze op hun rug in het zand. Vlak voor de kust laten honderden zeehonden zich meevoeren op de metershoge golven. Ze liggen lekker op hun rug in het water en spartelen dat het een lieve lust is. We vermaken ons uitstekend door een tijd naar ze te kijken.
De rust wordt echter verstoord door andere kuddedieren: toeristen die busjes uitstappen. Al snel ergeren we ons aan de geijkte vragen die prompt op ons worden afgevuurd: ‘Waar kom je vandaan?’, ‘Fietsen jullie heel Namibië door?’ Die mensen hebben er geen flauw benul van hoe groot Namibië is en hoe zwaar het hier fietsen is. Tegen de tijd dat Marijke iemand voor de vierde keer te woord moet staan, baalt ze als een stier en verwijst hem door naar mij. Ik heb er al net zo weinig animo voor. De man vraagt of wij Duitsers zijn. Ik zeg verbaasd: ‘Hoe komt u daar nu bij?’ ‘Nou, negentig procent van de mensen die hier komen, zijn Duitsers’, zegt de man. Ik zie Marijke denken: ‘Ach man, ga fietsen!’ Zonder een woord te zeggen wenden we ons af; de boodschap is duidelijk. Het heeft ons al eerder verbaasd dat veel toeristen weinig weet van het land en van andere bezoekers hebben. De mensen die met de bus zijn gearriveerd, kijken hier even vijf minuten rond en aanvaarden dan al weer de terugweg. Het lijkt erop dat ze alleen maar hier komen om te kunnen zeggen: ‘We zijn bij Kaap Kruis geweest en het was zóóó enig.’ Marijke en ik nemen lekker de tijd alvorens weer terug te gaan.

Buiten de poort staat een bord met ‘Mile 108 52’. Het duurt even voordat ik begrijp wat er wordt bedoeld. Natuurlijk, Mile 108 is nog 52 kilometer ver weg. Wij gaan echter de andere kant op, met de bedoeling om bij Hentiesbaai het binnenland in te gaan. Vanaf Mile 72 is het nog 45 kilometer naar Hentiesbaai. Drie uurtjes fietsen zou je zeggen, ware het niet dat er een enorme tegenwind op komt zetten. We zwoegen ons een rotje en vorderen langzaam. De weg is recht en saai, zodat Marijke echt het gevoel heeft dat we in Namibië nooit eens een makkelijke dag kunnen hebben. Of het wegdek is slecht, òf de afstand is erg groot, òf er staat harde tegenwind. Na een eeuwigheid doemt in de verte Hentiesbaai op. We rijden meteen door naar de supermarkt en ploffen afgemat neer op het stoep bij de ingang. Onze benen trillen van de inspanning.
Na een tijd wezenloos voor ons uit te hebben gekeken, ga ik informeren naar de bungalows. Omdat Ajax vanavond speelt, wil ik graag een kamer met tv. Ik leg uit dat voetballen voor mij net zo belangrijk is als de Miss Universe-verkiezingen of rugby voor de Namibiërs. Dat verduidelijkt veel. De verhuurder zet zijn personeel aan het werk om uit te vinden of de wedstrijd op een van de satellietstations te ontvangen is. Hij kan geen uitsluitsel geven, maar zegt dat er waarschijnlijk wel iets te zien zal zijn op African Television 2. Mocht hij het vanavond zeker weten, dan zal hij even bij ons langskomen. We blijven nog even babbelen en hij vertelt dat er vandaag een warme harde oostenwind uit het binnenland waaide. Hij kijkt mij verbaasd aan wanneer ik vertel er niets van gemerkt te hebben en adviseert ons om morgenochtend zo vroeg mogelijk te vertrekken, omdat de wind meestal pas in de middag opsteekt. Voor 18 gulden per persoon huren we een bungalow met keuken, badkamer, twee slaapkamers en tv. We stoppen de koelkast vol met inkopen uit de supermarkt. Daarna is het tijd om net als de zeehondjes te gaan te badderen; een ligbad is goed voor de vermoeide beenspieren. Lekker rozig lopen we naar het restaurant en gaan daarna vroeg naar bed. Ik sta midden in de nacht een paar keer op om te zien of de voetbalwedstrijd wordt uitgezonden, maar zonder succes.

’s Ochtends halen we uit de koelkast lekkere koude melk en kijken tijdens het ontbijt naar CNN. Dan pas komen we aan de weet dat Ajax dankzij een doelpunt van Kluivert de Champions League heeft gewonnen. Een goed begin van de dag.
Het eerste wat ik doe als ik buiten sta, is kijken hoe de wind staat. Hij komt vanuit zee, dus dat is gunstig. Na de fietsen uit de garage te hebben gehaald, tanken we voor twintig cent benzine. De komende dagen zullen zwaar zijn. Vannacht moeten we vrijkamperen en pas de dag daarna kunnen we weer water en voedsel inslaan. Voorlopig is er genoeg voorraad: een pak biscuit, twee pakken zandkoekjes, vier blikjes cola, limonade-poeder, twee Bar-one chocoladerepen, veertig kauwgompjes, vier appels, anderhalf bruin brood en bijna twintig liter water. Vooral mijn fiets is met vijftien liter water erg zwaar.
De eerste zeven kilometer loopt de zoutweg richting Kaap Kruis. Dit is nu al de derde keer dat we hier fietsen. Daarna laten we de kust definitief achter ons en rijden naar het oosten, het binnenland in.
Inmiddels bestaat het wegdek weer uit grind. Na een paar dagen op de zoutweg te hebben gefietst is het wel even wennen aan het gehobbel. ‘Wat zullen de komende dagen brengen?’, vraag ik me af. Juist het onbekende maakt deze vakantie erg spannend. Je kunt je nog zo goed voorbereiden en nog zoveel foto’s bekijken, toch ervaar je de reis zelf altijd anders, in ieder geval intensiever. Je bent je veel meer bewust van je eigen doen en laten. Je reist onder omstandigheden die in geen enkele reisgids beschreven worden. Een slechte grindweg, harde tegenwind, gevaarlijke dieren, gebrek aan water: pas als je er mee geconfronteerd wordt, besef je de volle betekenis van deze woorden. Zal het komende stuk erg verschillen van het zware traject van Sesriem naar Walvisbaai? Zal er een ander soort begroeiing te zien zijn? Zullen we hyena’s tegenkomen?
Iets wat mij erg bezighoudt, is de vraag of we eindelijk eens meer oorspronkelijke inwoners zullen tegenkomen, zoals de bosjesmannen en de Himba. Tot nu toe lieten de steden en dorpen waar we geweest zijn de indruk achter dat het grootste gedeelte van hun inwoners uit blanken bestaat. Vooral ik heb niet het gevoel dat dit het èchte Afrika is. We zijn al vaker in Afrika geweest en al trappend kom ik tot de conclusie dat je dit continent eigenlijk in drie stukken kunt onderverdelen – typisch Nederlands? -: het noorden is overwegend Arabisch met landen als Marokko, Algerije, Tunesië en Egypte. Het midden is het zwarte Afrika: Senegal, Ivoorkust, Rwanda, Oeganda, Kenia en Tanzania. Het zuiden is erg verwesterd en blank, zoals Zuid-Afrika en Namibië. Geen wonder dat dit land geen ‘Afrika-gevoel’ bij ons oproept, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Kenia.

In de verte ontwaar ik een soort luciferhoutje dat boven het wegdek zweeft. In de trillende lucht is het dan weer wel en dan weer niet zichtbaar. Het is alsof het houtje een paar meter boven het wegdek zweeft. Naarmate we dichterbij komen wordt het zwarte houtje breder en komt het steeds dichter bij het wegdek. Pas als het nog maar een paar honderd meter van ons verwijderd is, blijkt het in werkelijkheid een auto te zijn. Vreemd hoe de hete lucht je parten kan spelen.
Na een uur fietsen pauzeren we in de schaduw van onze fietsen. Andere schaduwmogelijkheden zijn er niet. We eten een Bar-one en drinken de nog koude cola op. Fleece-jasjes zijn niet alleen handig om warm in te blijven, maar ook om bij warmte frisdrank koel te houden. In het afgelopen uur is er slechts één auto voorbij gekomen, zodat we gerust aan de kant van de weg kunnen pauzeren. Aan weerszijden van de weg is een grote uitgestrekte vlakte met de bekende broccoli-struikjes. In de verte zijn grote wolken zichtbaar die boven het landschap zweven. Kilometer na kilometer vragen we ons af wat ze te betekenen hebben. Zou er een grote brand zijn, of zijn het onweerswolken? Het laatste is zeer onwaarschijnlijk, want de kans dat het hier gaat regenen is één op duizend. Pas in de middag zien we dat ‘de wolken’ grote rotsen zijn. Die warmte…
Na dertig kilometer steekt de gevreesde oostenwind op: recht van voren, hard en warm. Nu heb je warm en warm, maar deze wind is echt gruwelijk warm: de thermometer die aan mijn achtertas hangt, wijst een temperatuur aan van boven de 35 graden. De wind voelt aan alsof je een reuzenföhn voor je hebt die op de hoogste stand staat. Ik kan bijna voelen hoe het vocht uit mijn lichaam wordt getrokken. Binnen vijf minuten ben ik kapot en is mijn huid kurkdroog. Er is niets dat de wind zou kunnen breken, want om ons heen ligt een grote kale vlakte. Algauw ben ik genoodzaakt om op mijn lichtste verzet over te schakelen. Ik moet dan even aan onze tocht van Nederland naar Indonesië denken. Toen hoefde ik dat pas in Nepal, na 14.000 kilometer, te doen, terwijl we nu krap drie weken in Namibië zijn. Je bent geneigd te denken dat je het kleine voortandwiel alleen gebruikt bij steil bergachtig terrein. Dat ik door de wind gedwongen zou zijn zó licht te gaan trappen, had ik nooit gedacht. Vijf minuten later is Marijke het spuugzat. Ze zet de fiets op de standaard, raapt een paar keien op en gooit die woedend tegen de wind in: ‘Zie je wel, had ik het niet gedacht, je kunt in dit rotland niet eens behoorlijk fietsen. Er is altijd wel iets! Denk je een makkelijke dag van zestig kilometer tegemoet te gaan, is er toch weer iets dat tegen moet zitten!’ Ze staat te vloeken en te tieren: ‘Kloteland!, klotewind!’ Opnieuw smijt ze een paar keien. Het is net alsof ze de goden verzoekt, want de wind gaat nog liggen ook!
Snel stappen we op en gaan verder. Na honderd meter steekt de wind weer op. In twintig minuten trappen we de longen uit ons lijf en leggen desondanks amper twee kilometer af. We houden maar weer pauze en drinken de resterende blikjes cola leeg. Marijke heeft daar profijt van, want haar fiets is daardoor anderhalve kilo lichter. Ik heb nog steeds de vijftien liter water, wat het traject dubbel zo zwaar maakt. Bijna krijg ik een hekel aan Marijke. Zij heeft de lichtste fiets en weegt ook nog eens twintig kilo lichter dan ik. Al met al moet ik veertig kilo meer mee zeulen dan zij. Ik begin bijna aan mezelf te twijfelen. Had ik meer moeten trainen in Nederland? Zou de leeftijd mogelijkerwijs een rol spelen? Ik ben tenslotte al boven de dertig. Uit de wind, vlak achter het ‘zwakke geslacht’ aanfietsen, levert ook al niet veel voordeel op. Zodra ze uitwijkt voor een mul stuk zand, slaat ze meteen een gat. Mijn fiets loopt vast en ik moet boven op de trappers gaan staan om los te komen. Het duurt niet lang voordat ook Marijke langzamer gaat fietsen. Zo langzaam zelfs dat ik haar inhaal. ‘Zou ze eindelijk eens moe worden’, denk ik. Nee hoor, het washandje dat op haar bagagedrager vast zat om te drogen, blijkt tussen de ketting en de tandwielen te zijn gevallen. Een zware fiets, harde tegenwind, grind en hobbelen tot je nieren protesteren; dat het zwaar is moge duidelijk zijn. Om de ontbering compleet te maken word ik gezandstraald door fijne zanddeeltjes die door de wind worden meegevoerd.

We gaan er opnieuw tegenaan, maar ik kan Marijke onmogelijk bijhouden: slecht voor mijn ego. Na een half uurtje, houden we de zoveelste pauze. Dat ook Marijke doodmoe is, ga ik nu beseffen. We vergaan weer van de dorst en zijn niet zuinig met het water; zo wordt mijn fiets tenminste ook wat lichter. In de schaduw van de fietsen eten we brood en een paar zandkoekjes. ‘Marijke, hoe heb je in godsnaam voor Namibië kunnen kiezen!’, zeg ik geprikkeld. Ik ben door-en-door kapot, voor mij is dit de zwaarste tocht tot nu toe. ‘Hoor eens, Namibië is overwegend vlak, dus is het logisch dat ik dacht dat het niet zo zwaar zou zijn’, verdedigt zij zich.
Na een uur stappen we weer op. Ongemerkt is de wind gedraaid en komt nu vanuit zee. Op slag is het een stuk koeler. De thermometer wijst een temperatuur aan van onder de dertig graden. De woestijn heeft inmiddels terrein gewonnen op de broccoli-struikjes. Afgezien van wat mieren en een enkele vlieg is er niets levends te bespeuren. Alhoewel? We komen warempel een eenzaam boompje tegen en ik moet prompt denken aan het traject naar Walvisbaai. Daar stonden de cactussen met het bordje: ‘if you have any water to spare, please give us and share’. Ik vind dit boompje zo dapper dat ik, ondanks dat er dit keer geen bordje bij staat, toch de moeite neem om af te stappen. Ik wroet wat zand er omheen los, knijp een paar keer krachtig in mijn bidon en gooi dan wat zand over de nattigheid heen; anders is het zo verdampt. Dan zigzaggen we verder; van links naar rechts en van rechts naar links. Marijke rijdt schijnbaar luchtig voorop en vindt vaak de beste stukken. Ik trap me suf om haar bij te houden. Als we door een grote kuil rijden, is er in het midden vaak mul zand. Bij te weinig vaart, glijdt het achterwiel opzij zodat je snel een voet op de grond moet zetten om onderuit gaan te voorkomen. Met een aardige snelheid schiet je er meestal wel doorheen. Vooral met de SPD-pedalen vergt dit enige reactie-snelheid. Ik neem altijd een flinke aanloop, maar Marijke durfde dat tot nu toe niet en remde behoorlijk af. Waarschijnlijk heeft het te maken met het ongeluk dat ze vier jaar geleden in Roemenië had. Ze is toen met fiets en al over de kop gegaan. Sindsdien rijdt ze extreem voorzichtig op slecht wegdek. Daar is nu verandering in gekomen; de afgelopen dagen heeft ze zich erin geoefend om vaart te maken wanneer ze door mul zand rijdt. Het Roemenië-trauma lijkt verleden tijd.
Op de weg stopt een eind voor ons een busje in de berm. De twee inzittenden pakken tuinstoeltjes en installeren zich naast het busje; blijkbaar willen ze de omgeving in zich opnemen. Kijk, dat zie je automobilisten bijna nooit doen. Meestal is hun doel zo snel mogelijk van de ene naar de andere plaats rijden. Wat er tussenin gebeurt, daarvoor gunnen zij zich meestal geen tijd. Als we voorbijrijden, steek ik mijn duim ter goedkeuring omhoog. Links in de verte staat de beroemde Brandberg en rechts de iets minder bekende Spitzkoppe, twee bergketens die duidelijk boven het landschap uitsteken. Ook hier liggen langs de kant van de weg veel mineralen. Vaak grap ik tijdens een pauze: ‘Hé, alweer een diamant.’ Marijke vond dit een week geleden maar flauw, maar nu speurt ze ook om zich heen. Ter afwisseling hebben we een aardig windje in de rug. Omdat het net zo snel is als onze fietssnelheid, verdampt het zweet minder snel. Vaker dan mij lief is moet ik de kriebelende druppels van mijn neus vegen. Op mijn voorhoofd vormt zich zout.

Als we in de namiddag een aantal grote zwerfkeien zien, lijkt ons dat een goede plek om te overnachten. Het kamperen is in die drie weken alweer routine geworden. Na het opzetten van de tent ga ik koken en ruimt Marijke de tent in. Ze haalt alleen datgene uit de fietstassen dat we vanavond nodig hebben plus de kostbaarheden. Ik vertel haar over mijn eerste fietsvakantie. Tot dan toe was ik altijd met mijn ouders op vakantie geweest, maar dat jaar mocht ik met een schoolvriend naar Frankrijk op de fiets. Op de vraag van zijn ouders of ik al eens zelfstandig op vakantie was geweest, moest ik wel bevestigend antwoorden, want stel je eens voor dat ons avontuur niet door zou gaan. Ik was toen al erg verstandig; ik wist dat we alleen eten mee konden nemen dat lang houdbaar was. Wat is er dan handiger dan een doosje Iglo diepvriesspinazie. Vele fietstochten later ben ik nog verstandiger geworden en nu neem ik gevriesdroogde maaltijden mee.

Lachend controleren we onze waterboekhouding op basis van twee personen:
drinkwater voor onderweg �? 6 liter
thee onderweg �? 0,5 liter
’s middags limonade �? 0,5 liter
avondmaal en thee �? 1 liter
wassen en tandenpoetsen 1 liter
’s ochtends thee 0,5 liter
lenzen schoonmaken 1 liter
drinkwater voor onderweg 6 liter
thee onderweg 0,5 liter
’s middags limonade 0,5 liter
————–
Totaal voor twee dagen 17,5 liter

We moeten ons nog wassen en onze tanden poetsen en hebben nu nog iets van 10 liter over, dus dat klopt. Grappig dat we voor het schoonmaken van vier contactlenzen net zoveel water nodig hebben als voor het wassen van twee grote lijven. Het wassen doen we als volgt: Marijke giet een beetje water in mijn handen die ik al eerder met zeep heb ingesmeerd. Als ze onder een dikke laag schuimend water zitten, verdeel ik het over mijn armen. Marijke spuit daarna me de bidon wat water op mijn bovenarm, dat vanaf mijn spierballen langs mijn arm naar beneden loopt. Daarna was ik mijn gezicht. Met één kant van het washandje veeg ik mijn gezicht en armen af. De andere kant gebruik ik voor mijn benen. Met de handdoek veeg ik alles nog even grondig schoon. Marijke gebruikt de binnenkant van het washandje dat daarna, net als de handdoek erg smerig is, maar spullen wassen doen we morgen in Uis Mijn wel. We genieten weer intens van de zonsondergang. De gele hemel verkleurt langzaam van oranje naar rood. Daarna verschijnt een prachtige sterrenhemel. Leuk zijn de satellieten die overvliegen; het zijn net kleine sterren.

Na het tandenpoetsen en plassen gaan we de tent in, waar we orde op zaken stellen. Op het licht van de zaklantaarn komen veel insekten af. De herrie die de beesten maken, verbaast ons. Ze gaan buiten het tentdoek als gekken tekeer. Dan hoor ik onder het grondzeil een soort geschraap: dit keer is het wèl een beestje. Ik dirigeer het van bovenaf naar de buitenkant van de tent. Dan is het tijd om te gaan slapen. Mijn gezandstraalde en verbrande huid houdt me nog een tijdje wakker.

5.45 uur, zoals gewoonlijk staan we vroeg op. Er staat een stevige wind, waardoor de tent behoorlijk staat te schudden. De wind komt uit het noord-westen, zodat we hem ook vandaag tegen hebben. Terwijl we vooruit kruipen, hap ik naar adem. Het landschap bestaat uit een uitgestrekte vlakte met verderop de Brandberg en de Spitzkoppe. De grindweg loopt steeds maar rechtuit en bevat soms mulle stukken. Naarmate we vorderen lijkt het alsof de wind sterker wordt. Marijke kan haar stuur maar moeilijk in bedwang houden en stuurt soms pardoes een zandhoop in. Vloekend duwt ze haar fiets door het zand en gaat het laatste stukje op de trappers staan tot ze weer op het grind rijdt. Je kunt je wel het apezuur trappen, maar als je toch het idee hebt fietsend net zo snel vooruit te komen als lopend, wat is er dan logischer dan af te stappen? Moedeloos lopen we hele stukken. Zelfs de korte pauzes zijn geen pretje. Alhoewel we in de luwte van de fietsen zitten, stuift het zand wild in het rond. Ook op het wegdek dwarrelen grote stofwolken. Kilometer na kilometer kruipen we vooruit; de hele tijd recht vooruit naar de horizon die maar niet dichterbij wil komen. Ik hou daar niet zo van, want ongemerkt ga je in jezelf praten.
Zo fietsend en soms lopend tegen de wind in, schiet er van alles door mijn hoofd. Ik denk aan vrienden en familie. Ondanks de vakantie mijmer ik ook over mijn werk en collega’s. En over mijn hobby’s natuurlijk. Ik overpeins de leuke dingen die het afgelopen jaar zijn gebeurd, maar vooral die dingen die verkeerd zijn gegaan of waar ik spijt van heb. Wat dat betreft geeft een fietsvakantie mij altijd het gevoel dat het voorafgaande jaar wordt afgesloten, iets wat eigenlijk bij oud-en-nieuw hoort. Door zo terug te denken verwerk je alles en kun je je leefomgeving in een betere context plaatsen. Juist het fietsen is goed om gebeurtenissen te verwerken en te evalueren. Ik ben voornamelijk fysiek bezig zodat ik mezelf de tijd gun om langer over voorvallen na te denken. Ook in Nederland ervaar ik het fietsen als een fijne ontspanning. Vaak ben ik zo druk bezig met van alles en nog wat, dat ik weinig stil sta bij wat er gebeurt. Het is daarom ook goed dat Marijke soms een ‘keutelbui’ heeft. Zo remt ze dan mijn enthousiasme af, waardoor ik me anders over de kop zou werken.

Marijke stelt voor om even een uurtje te pauzeren in de hoop dat de wind afneemt. Wetend dat het voor mij een ongeschreven wet is om geen lift te versieren, zegt ze voorzichtig: ‘Eric, stel dat er een truck langskomt, zullen we dan vragen of hij ons een lift wil geven naar Uis Mijn?’ Ik ben nog moeier dan zij, dus stem ik in met haar voorstel; voor deze keer overtreed ik mijn eigen wet. De kans dat je op deze weg een lift krijgt, is echter klein. Het zou wel heel toevallig zijn als die ene auto per uur ruimte heeft om ons mee te nemen. We zetten de fietsen dwars voor de wind en maken ons zo klein mogelijk achter de fietstassen. Vooral Marijke heeft erge last van het stuifzand dat steeds in haar ogen komt; van de pijn biggelen de tranen over haar wangen. Soms gaat de wind abrupt liggen en schrikken we van de stilte. Een seconde later begint hij eensklaps weer te loeien; om moedeloos van te worden.
We vorderen slechts zeven kilometer per uur en de vraag is of we Uis Mijn vandaag nog halen. Er is geen kilometer-aanduiding langs de weg, dus ik ben allang blij met onze kilometerteller. Ik schat de afstand op iets minder dan veertig kilometer, en dat betekent met deze snelheid nog zeker zes uur doorploeteren, pauzes niet meegerekend. In de verte verschijnt opeens een stofwolk boven het wegdek: ‘Hoera een auto!’, roept Marijke opgelucht. De personenauto zit echter vol mensen, zodat we een lift wel kunnen vergeten.
Ik stap weer op en draai een denkbeeldige schakelaar om: ik neem me voor om nu eens een heel uur door te blijven trappen. Mijn gedachten dwalen af naar de Trek-fietsen en onze bagage. Onze uitrusting is een goed voorbeeld van het Global Village principe. Dit wil zeggen dat de wereld tegenwoordig een dorp is waar iedereen het beste voor zijn geld koopt. Zo komen de Trek-fietsen uit de Verenigde Staten, de fietstassen en fietsbanden uit Duitsland, de schoenen uit Sri Lanka, de meeste onderdelen uit Japan, het Katadynfilter uit Zwitserland en de benzinebrander uit Zweden.
Net op het moment dat ik in een soort routine-achtige trance ben en me de kwelling van het fietsen in die rotwind niet meer bewust ben, komt bij Marijke een bakkie langszij. De chauffeur vraagt waar we naartoe gaan. Ik kijk eens naar de laadbak en zie dat er nog plaats is voor twee fietsen. Marijke vraagt: ‘Goh, is het mogelijk om mee te rijden? Met deze wind is het niet te doen, het is zo uitputtend dat we bang zijn Uis Mijn vandaag niet meer te halen.’ ‘Dis oké,’ zegt de chauffeur, ‘as julle jul fietsie achterin die bakkie kan sit.’ ‘Jeetje, zou het echt waar zijn, zouden we nu echt een keer geluk hebben’, zegt Marijke opgelucht. De chauffeur helpt ons samen met zijn bijrijder om de fietsen bovenop een stapel dozen te stouwen. De bestuurder vertelt dat Uis Mijn nog zo’n dertig kilometer is. Het is inmiddels twee uur, dus met onze snelheid zouden we het waarschijnlijk op het nippertje gered hebben. Na passen en meten past alles maar net, nu wij nog. Marijke gaat voorin en ik ga bij de fietsen zitten. Door het slechte wegdek word ik flink door elkaar geschud, zodat ik me goed moet vasthouden. Vanuit de achterbak lijkt de wind minstens vijf keer zo hard en ik hou de fietsen en de tassen dan ook goed in de gaten. Na een half uur gaat de wind opeens liggen en rijden we de heuvels in. ‘Jammer,’ denk ik, ‘hadden we doorgefietst dan hadden we Uis Mijn misschien toch op eigen kracht kunnen halen.’ Nu trekt het landschap op een andere manier aan ons voorbij. Heel langzaam wordt het terrein groener. We komen meer tussen de bergen waar waarachtig acacia’s en gras groeien. De omgeving oogt meteen aangenamer. Met de auto is de dertig kilometer zo gepiept.
Bij een kruising worden we eruit gezet en zijn dan nog een kilometer verwijderd van de camping van Uis Mijn. Meteen worden we belaagd door een paar jongens die stenen willen verkopen. Ik maak een praatje met ze, maar laat duidelijk blijken niet bijster geïnteresseerd te zijn in de kristallen en toermalijn. Dat is tegen dovemansoren gezegd, want dat een toerist geen interesse in die mooie stenen heeft, snappen ze totaal niet. Zonder iets te kopen fietsen we weg en laten de jongens achter, wachtend op de volgende auto.

Het zwembad op de camping van Uis Mijn ligt vol met dode koringkrieken. Gelukkig zijn de toiletten en douches wel schoon. Er is ook een bar waar we meteen cola halen. Naast de tent zittend, genieten we van de rust. Op dat moment betrekt de lucht en komen zwarte onweerswolken naderbij. Het begint te donderen en terwijl er een harde wind opsteekt, vallen de eerste druppels! Dubbel geluk voor ons, want als we nu nog op de fiets hadden gezeten, waren we kleddernat geworden. De regenponcho’s zijn thuis achtergebleven, want wie verwacht nou dat het in Namibië gaat regenen. We zoeken snel beschutting in de bar.
Als we binnenlopen, draaien zes blanke koppen zich om van de bar. We krijgen meteen iets te drinken aangeboden van Jorrie, een Zuid-Afrikaan die een deel van de mijn-installatie aan het demonteren is, zodat de onderdelen opnieuw gebruikt kunnen worden. Aangezien ons Afrikaans er de afgelopen weken op vooruit is gegaan, spreken we dat met hem. Hij woont hier 2500 kilometer vandaan en rijdt voor een klus van twee weken gewoon ‘even’ heen en weer. Jorrie heeft een andere versie over het sluiten van de mijn dan Jan. Omdat de prijs van tin op de wereldmarkt gezakt is, was het vijf jaar geleden niet meer rendabel om de mijn open te houden. De achtergebleven mensen in Uis Mijn hebben hun hoop gevestigd op het aantrekken van nieuwe industrieën. Ik opper dat ze van de restanten van de mijn een toeristische attractie moeten maken.
Uis moet je overigens uitspreken als Oewies, met een klik voor de Oe. Het is Damara voor waterbron. Jimmie de barman vertelt dat er vijf verschillend klinkende klikken zijn. De verschillen worden bepaald door de plaats waar de tong in de mond gedrukt wordt. In de schrijftaal wordt de klik aangegeven door middel van uitroeptekens die voor een woord staan. De zachte klik in de nara-vrucht wordt gemaakt door de tong tegen de zijkant van de wang te drukken. Volgens Jimmie is het voor het eerst in maanden dat het regent. Jorrie is hier al vaak geweest, maar heeft hier nog nooit eerder regen meegemaakt. Naast hem zit het stel dat twee dagen geleden bij hun busje langs de kant van de weg zat. Het zijn Duitsers, die zeggen dat je in Namibië bijna wel in een auto móet reizen in verband met de grote afstanden. Omdat zij zich meer bewust willen zijn van wind, temperatuur, geluiden en details in de woestijn, kiezen ze ervoor om soms zomaar ergens een kwartiertje te pauzeren. Ik complimenteer ze met deze houding.
Hongerig geworden lopen we naar het restaurant. In een donker hoekje staat een trolley op een stuk rails en van een muur is een mijnwand gemaakt. Er is maar één gerecht verkrijgbaar: ‘steak met rode biet’. Als we hebben besteld zegt de serveerster op een overdreven manier: ‘Thaank you, thaaank you veeerry much.’ Marijke heeft iets vegetarisch gevraagd, maar ja, dat is westerse luxe, dus krijgt ze extra frietjes en rode bieten. Ik hield vroeger niet van bietjes, louter omdat mijn moeder die altijd met rauwe uien klaarmaakte. Dat we ze hier krijgen, komt omdat er maar twee soorten groente in Namibië gedijen: wortels en bieten. Wat mijn verbazing wekt is dat de bietjes die hier geserveerd worden op mijn moeders manier zijn klaargemaakt; zou dit recept afkomstig zijn van Afrikaanse boeren die hun wortels in Nederland hebben? Ik krijg een lap vlees op mijn bord van heb ik jou daar. Dat is ons al vaker opgevallen; de lappen zijn vaak groot genoeg voor een heel gezin. Als ik de serveerster duidelijk maak dat een halve lap groot genoeg is, grijnst ze breed en zegt dat wij dat als fietsers hard nodig hebben. Ik kan niet nalaten terug te grijnzen, al is dat om een heel andere reden. Ze bezit namelijk een prominente kont.
Elke keer als de vrouw bij ons komt zegt ze lijzig: ‘Thank you, thank you verry much’. Bij de vijfde keer kan ik niet nalaten in de lach te schieten. Ze doet me denken aan de ober in Sesriem die om de haverklap vroeg: ‘Are you happy?’ Evenals Marijke ben ik soms geneigd om het vlees over te slaan. De enorme hoeveelheden die hier worden gegeten zijn echt onvoorstelbaar. Misschien is dat de reden dat veel blanke mannen in Namibië nogal vadsig zijn, maar het kan natuurlijk ook door het bier komen. Wel zijn ze allemaal zeer vriendelijk en gastvrij.

Het verteren van de lap vlees heeft een lange nacht nodig, waarna we genieten van het lekker rustig aan kunnen doen; vandaag is namelijk een rustdag. Na het ontbijt is het tijd voor een wandeling door het dorp. Vlak voor de camping staat een bord met de boodschap: ‘Ons kinders is ons erfenis.’ De camping zelf grenst aan twee graveltennisbanen en een rugbyveld. Verder zijn er nog een afgetakelde speeltuin en enige bijvelden. Pal hiernaast ligt het dorp, bestaande uit keurige geasfalteerde straatjes met mooie villa’s. In prachtige tuinen staan planten die rechtstreeks van een vreemde planeet zouden kunnen komen. We bekijken een grote boom met aan de takken tientallen dikke tuinbonen van ruim een meter lang. Op sommige erven groeien vetplanten die veel weg hebben van kroppen sla, zij het dat de kleur soms paars of felgroen is. Ook zien we enkele kokerbomen. De meeste huizen hebben tralies en gaas voor de ramen. Ik vraag me af of dat tegen apen of tegen dieven is. Velen ogen al enige tijd verlaten. Het dorp bestaat uit de Eerste tot en met de Vierde Laan en de sportvelden en de camping liggen aan de Sportstraat. Het is Uis aan te zien dat er vroeger veel geld was. Voor de pakweg honderd huizen doen de grote sportvelden nogal overdreven aan. In een gebouw naast de camping is zelfs een heuse theaterzaal gebouwd. Waarschijnlijk was het dorp voor de blanke werknemers bestemd en woonden de zwarte werknemers ergens anders. Opnieuw zijn we in een stad waar voornamelijk een westerse cultuur heerst. Het ‘Afrika-gevoel’ hebben we nog steeds niet ervaren.

In een klein winkeltje verkoopt men eenvoudige levensmiddelen. Hier slaan we een grote hoeveelheid snoepgoed en voedsel in. Pas na drie of vier dagen zullen we weer iets tegenkomen. De waterloze etappes zijn inmiddels verleden tijd, maar we zullen onderweg nog wel alert moeten zijn en daar water inslaan waar het kan. Ik wil een krant kopen in verband met het verslag van de wedstrijd die Ajax drie dagen geleden speelde. Aangezien ze nu in het winkeltje een exemplaar van vier dagen oud hebben, zullen ze waarschijnlijk vanmiddag de desbetreffende krant krijgen. Alhoewel, die dag was het Afrika-dag, een nationale feestdag, zodat er misschien geen nummer is uitgekomen. In dat geval moet ik de krant van eergisteren hebben. Het vergt nog heel wat denkwerk om een verslag van een simpele voetbalwedstrijd in handen te krijgen. Zullen we bij de volgende finale toch maar thuisblijven?
Omdat we de komende uren op de camping zullen blijven, gaan we wassen. Jorrie heeft er voor gewaarschuwd dat er vaak kleren van de waslijn gestolen worden. Vaak is er dan iets meegenomen door een Namibiër die ervan overtuigd is dat we één kledingstuk toch niet zullen missen. Hij redeneert in de zin van: ‘Ik kan het beter gebruiken dan zo’n rijke westerling.’ Of: ‘Waarom zouden die lui drie paar sokken nodig hebben als ze het ook met twee paar af kunnen.’ In dat opzicht kun je dan ook moeilijk van diefstal spreken, want hij heeft zonder meer gelijk. Toch houden we de was goed in de gaten, want zonder koersbroek is het lastig fietsen. Het washandje en de handdoek waarmee we ons gisteren hebben schoongeschrobd, zijn pas na drie wasbeurten schoon.
Na de gedane arbeid is het tijd voor een middagtukkie. Liggend in de tent zie ik vanuit mijn rechterooghoeken iets bewegen. Ik schop tegen mijn toilettas waaronder vandaan razendsnel een grote witte spin naar een kant van de tent vlucht. Hetzelfde moment zit ik met kippevel aan de andere kant en roep hard om Marijke. Ze komt snel aanlopen en ik red met een enorme kattensprong mijn vege lijf en sta met knikkende knieën buiten. De dappere Marijke gaat de tent in. Met een handdoek pakt ze de spin op en dropt die – alsof het de gewoonste zaak van de wereld is – een eind naast de tent. Ik houd mijn middagslaap voor gezien, één nachtmerrie is genoeg.
Het is duidelijk te zien dat we midden in een mijngebied zitten. Uis Mijn is omringd door bergen waarvan er vele uit afval bestaan en tientallen meters hoog zijn. Er werd open mijnbouw gepleegd: de grond is van bovenaf afgegraven en op een hoop gegooid. In het zuiden is een grote witte berg zichtbaar met daarboven de restanten van een lopende band. Meer naar het westen is op de flank van een andere berg met grote stenen ‘UIS’ geschreven.
We gaan ’s middags de mijn bezichtigen. De toegang is eigenlijk verboden voor onbevoegden, maar wij doen alsof we van niets weten en kruipen onder het hek door. De witte berg bestaat uit mica, dat net als leisteen uit dunne laagjes is opgebouwd. De afvalbergen steken ver boven ons uit en zijn hier en daar begroeid met helmgras. Al snel blijkt dat de mijn te groot is om in één middag te bezichtigen. Overal staan nog grote installaties als hijs- en hefwerktuigen en lopende banden die dwars op en onder elkaar lopen. Jorrie, de Zuid-Afrikaan met wie we in de bar van de camping in gesprek raakten, heeft nog veel demontagewerk voor de boeg. Hoewel de installaties vijf jaar geleden voor het laatst gebruikt zijn, verkeren ze nog in redelijke staat. Het zal wel door het gebrek aan regen komen. Op de grond liggen vele kristallen in allerlei kleuren. Bij de heldere zijn binnenin de adertjes duidelijk zichtbaar.

’s Avonds praten we weer met Jorrie. Op mijn vraag waarvoor het gaas en de tralies voor de ramen van de huizen dienen, antwoordt hij dat de SWAPO in dit gebied actief is geweest en een paar keer handgranaten naar binnen heeft gegooid. Wanneer ik vertel over het voorval met de spin kijkt hij bedenkelijk. Hij vermoedt dat het een ‘dansende witte dame’ was. Met een verleidelijke dans maakt zij een mannetje het hof, die zij na de paring opeet. Ik voelde me toch al niet zo gecharmeerd van die dame en dat is maar goed ook; volgens Jorrie is ze namelijk levensgevaarlijk.

De Verbrande Berg

Uitgerust vertrekken we uit Uis Mijn. Terug bij de splitsing komen we de stenenverkopers weer tegen. Ook nu hebben ze een slechte aan ons. Het landschap oogt zeer prettig na de droge omgeving van de afgelopen weken. We rijden tussen de heuvels, door de met geel helmgras begroeide velden. Voor Namibische begrippen zijn er zeer veel bomen. Na de ellendige tegenwind van twee dagen geleden genieten we weer echt van het fietsen. Ons humeur wordt geholpen door de zon en het zuchtje wind in de rug. Na een klimmetje staan we boven aan een bult en hebben een weids uitzicht over een goudgele vlakte met veel kleine groene bomen en struiken. Het is een soort Out of Africa plaatje. Onder ons kronkelt de weg richting horizon. In dit soort landschap verwacht je elk moment een kudde zebra’s of gnoes te kunnen tegenkomen. Helaas zien we geen enkel zoogdier, alleen wat vogels. Vooral de neushoornvogel die boven in een boom zit mag er zijn. Het zwart-witte lijf lijkt te klein om de felrode snavel te torsen, die mooi afsteekt tegen de blauwe hemel. Ik gebaar Marijke te stoppen en pak geruisloos mijn fototoestel. Snel druk ik af, maar tot mijn verbazing schrikt de vogel niet eens. Dan besteed ik wat meer aandacht aan de compositie en maak nog een foto. Omdat een wegvliegende neushoornvogel mij ook wel leuk lijkt, kies ik voor een korte sluitertijd en geef een gil. Hij laat zich echter niet wegjagen. ‘Boe!’, roept Marijke hard en we laten onze fietsbellen rinkelen. De vogel vertrekt geen spier. ‘Klap eens hard in je handen’, roep ik. Nèt op dat moment vliegt hij weg. ‘Stom beest!’, roep ik hem lachend na en Marijke krijgt bijna buikpijn van het lachen.

Waarschijnlijk leven er in deze omgeving bij gebrek aan goede drinkplaatsen weinig zoogdieren. Vooral de begroeiing verbaast ons. Veel verschillende bomen en struiken hebben we nog niet eerder gezien. De omgeving maakt het fietsen de moeite waard. Bovendien heeft de weg meer bochten dan de voorafgaande trajecten, wat het fietsplezier ook al verhoogt. Beter een heuvelachtige, kronkelende weg dan een vlakke, kaarsrechte weg.
Marijke was vanochtend nogal pessimistisch. Ze vroeg zich af wat er vandaag weer tegen zou zitten. Vooral zij is dan ook opgetogen. Na de heuvels komen we meer tussen de bergen. Er zijn veel rotsbulten die steil uit het landschap oprijzen. De grindweg is goed te berijden en we zigzaggen weer eens om de koringkrieken heen. In het begin vond ik deze krekels maar eng. Vaak lopen er honderden op de weg, maar de meeste zijn platgereden. De lijken trekken de nog levende soortgenoten aan die zich eraan tegoed doen. Het lijkt een vicieuze cirkel: juist de plek waar de dode koringkrieken liggen, is de plek waar de auto’s rijden. Lullig dat de nog kleine kannibalen zich tegoed doen aan hun oude makkers en daardoor op hun beurt doodgereden worden. Als we vlak langs ze rijden, gaan ze hard tsjirpen en maken zich groot door een hoge rug op te zetten. Als ze héél erg schrikken, gaan ze op hun vier achterpoten staan en kukelen spontaan achterover. Tijdens een moment van onoplettendheid, verpletteren we er minstens één; dan is een akelig gekraak hoorbaar. Eigenlijk zijn het onsmakelijke beesten. In plaats van koringkrieken noem ik ze kriekekoppen. Het waarschuwende getsjirp werkt vandaag op onze lachspieren. Het is ook zó komisch. Je rijdt voorbij en zo’n beestje gaat op zijn achterpoten staan met een houding van: maak dat je wegkomt!
Een lange brug voert ons over een gortdroge rivierbedding. Hier stroomt in de natte tijd een van de grootste rivieren van Namibië: de Ugab. Op de oever staan twee kleine boerderijen met een paar schriele koeien. Kinderen spelen in de buurt van enkele hutjes. In een daarvan, gebouwd uit ruwe planken, is een ‘Curio-shop’ gevestigd. We vertragen ons tempo en werpen een korte blik op de grond waar enkele kleine kristallen liggen. Meteen komt iemand enthousiast aanrennen. ‘Eindelijk een klant’, moet hij denken. Ondanks dat het ons spijt die arme man zo achter te laten, fietsen we door.

Na de Ugab-rivier moeten we klimmen om uit het dal te komen. Daarna wordt de omgeving minder mooi en het wegdek slechter. Ook duiken de inmiddels overbekende hekken weer op. Kilometer na kilometer staan ze langs de weg. Voor Namibische begrippen is het druk: er rijden wel vier auto’s per uur. Bij een boerderij waar we stoppen, verlaat de boer zojuist het erf met een ezelkar. Acht spelende kinderen rennen onder luid gegil hard naar hun moeder. Marijke vraagt aan haar of ze water heeft, waarop ze een halve waterzak met brak water vult. Als Marijke haar iets wil geven voor de moeite, laat de vrouw weten trek te hebben. We geven haar een half pak biscuit en gaan dan weer verder. Hoewel we niet genoeg water hebben om vanavond te koken en ons te wassen, durfde Marijke niet om nog meer te vragen. Nu maar hopen dat we nog iets anders tegenkomen. Bij een splitsing waar we linksaf moeten slaan voor de weg naar Twijfelfontein en de Verbrande Berg, staan twee grote tankwagens met drie tentjes ernaast. Navraag leert dat ze hier naar water boren. Ik vraag of we enkele liters kunnen kopen. Een man loopt naar een van de tankwagens en draait aan een kraan, waarna het water rijkelijk over de grond vloeit. Ik vul snel twee waterzakken en geef een paar dollar voor de moeite. Met die paar liter water voelen we ons de koning te rijk, rijker dan wanneer we veel geld zouden hebben. Nu kunnen we in ieder geval ons avondkostje koken en onszelf weer wassen.

De volgende dag worden we meteen na de eerste kilometers geconfronteerd met vliegen, net zoals een tijdje terug. Achter Marijke, die voorop fietst zwermen er tientallen. Bij mij zal het wel niet anders zijn. Misschien is wassen op de ‘zuinig-water’-manier toch niet zo’n goed idee. Ze zoemen in je oor, ze landen op je neus en eentje vliegt zelfs mijn mond binnen.
Aan alles is te merken dat het twee dagen geleden geregend heeft. De omgeving ziet er fris uit met honderden ontluikende bloemetjes, plantjes en groen gras. Voor het eerst ruiken we Namibië. Ieder land of landschap heeft wel een eigen geur en een Namibië-geur was ons tot nu nog niet opgevallen. En dan de omgeving: veel bergen rijzen hier steil op uit de grond. Het heeft wel wat weg van Phang Nga in Thailand of Guilin in China. Het landschap bestaat uit een zand- en grindvlakte met boompjes en helmgras. Op een afstand lijkt het een grijs-geel tapijt met daarop groene rondjes. Dat de Namib-woestijn de oudste woestijn ter wereld is, zie je aan de bergen die veel te verduren hebben gehad. Menige berg ziet eruit als een opeenstapeling van rotsblokken. In de loop der eeuwen hebben de zeldzame regenbuien er gleuven ingesleten. Na millennia waren de inkervingen zo ver weggesleten dat een stapel rotsblokken overbleef. Hier en daar ligt zo’n stapel midden in het landschap. Bij minder verweerde bergen bestaat alleen de top uit losse rotsen.
Soms moeten we een drooggevallen rivier oversteken. De rivierbedding bestaat altijd uit mul zand waar we dan doorheen moeten ploegen. Naast de uitgedroogde rivieren wonen vaak mensen. Eindelijk krijgen we het idee dat we in een zwarte woonomgeving komen. De mensen wonen in kleine boerderijen met wat geiten, ezels en rundvee. Een jongen rijdt op een ezel voorbij, zonder zadel, maar met het grootste gemak. Enkele kinderen vragen na enig aarzelen om een biscuitje of iets anders. Aangezien de weg soms over hun land loopt, moeten we zo nu en dan afstappen om een hek te openen dat ons de doorgang verspert. Om te voorkomen dat het vee wegloopt, denken we er aan het weer netjes af te sluiten.
Anderhalve dag fietsen van Uis Mijn komen we de eerste winkel tegen, een ‘bottle store’. We verheugen ons al op een lekkere koude cola, maar helaas is de winkel door gebrek aan klandizie opgeheven. Een paar kilometer verder staat een bordje met daarop ‘bottle store’. Hoera, tòch nog een. Waarschijnlijk is het de concurrent waar we misschien wat blikjes frisdrank kunnen kopen! Dan valt ons oog op de kleine tekst ‘4 kilometer terug’ en is het duidelijk dat het om dezelfde winkel gaat.
De eerste uren komen we geen enkele auto tegen, daarna tot twee keer toe een korte colonne. Vermoedelijk rijden veel toeristen hier in een konvooi, voor het geval een van de auto’s problemen krijgt; dan kunnen ze elkaar helpen of slepen. Omdat het wegdek vaak een ribbenkast is, staan onze banden op lage spanning. Ik kan me voorstellen dat het met een auto lastig rijden is. Als fietser stuur je gemakkelijk om de gaten heen en de erg mulle stukken zand doen we te voet.

Voor we er erg in hebben, zijn we bij de camping. Deze bevindt zich vlakbij de droge Abahuab-rivier en telt een paar kampeerplaatsen. Tussen wandjes van bamboe zijn een douche en een toilet gemaakt. Als je onder de douche staat, prijkt boven je de hemel. Er is een bar met koude drankjes, dus wat willen we nog meer. Dit gedeelte van het land wordt Damara-land genoemd, naar de gelijknamige stam. Op het terrein zijn negen Damara aan het werk. Ze tekenen op kastanjes figuurtjes en kerven ze daarna met een mesje uit. Je kunt ze los kopen, maar ook als hanger; leuk souvenir voor toeristen? De ezeldrijver vraagt: ‘Is julle lus om saam met my op die donkiekar te ry? Dat julle bene ’n bietjie kan rus.’ Hij biedt aan ons naar Twijfelfontein te brengen, maar daar gaan we morgen al met de fiets heen. Dan probeert een collega ons een neushoorn-hoorn te verkopen. Ik schrik en vraag of hij een grapje maakt, waarop de verkoper snel overgaat op een ander onderwerp.
Na het praatje zoeken we een plekje voor de tent. Er is zojuist een Namibisch stel uit Windhoek gearriveerd. Ze stellen zich voor als Faure en Marleen Bosman. Ze hadden al verwacht hier twee fietsers aan te treffen omdat ze diverse keren sporen van fietsbanden in het zand hadden gezien. Vooral de wielsporen met voetafdukken ernaast vonden ze tekenend voor de zwaarte van onze tocht. Faure en Marleen zijn elf dagen vrij en houden een korte vakantie met hun terreinwagen. Als we de tent hebben opgezet, komen ze vragen of we voor zonsondergang willen meerijden naar Twijfelfontein en de Verbrande Berg. Dat lijkt ons wel iets, want het scheelt ons morgen veertig kilometer heen en terug fietsen. Pas in de auto realiseren we ons dat we veel geluk hebben; het wegdek is dermate slecht dat we vaak hadden moeten lopen.
Twijfelfontein heeft zijn naam te danken aan een bron waaruit een dubieuze hoeveelheid water kwam. De opbrengst van de bron was amper één kubieke meter water per dag. Als drinkwater voor mens en dier is dit weliswaar voldoende, maar om bijvoorbeeld landbouwgrond te bevochtigen is het te weinig. In deze omgeving woonden vroeger veel San, bosjesmannen. Tot tweeduizend jaar terug waren zij de enige inwoners van het zuidelijk deel van Afrika. Veel dieren kwamen op het drinkwater af. De San hebben in de rotsen met dierenbloed honderden figuren geschilderd of uitgehouwen, van mensen en dieren die bij de bron kwamen drinken. Door de San werden de figuren gezien als spiritueel en machtig. Twijfelfontein dankt zijn faam aan deze rotstekeningen, waarvan sommige honderden en andere zelfs duizenden jaren oud zijn. Dit nationale monument wordt beheerd door de Damara-stam. Om het te mogen bezichtigen zijn we verplicht een gids te nemen, in ons geval een oudere Damara-vrouw. Er zijn twee wandelroutes. Omdat het te laat is voor de lange, die twee uur duurt, nemen we die van een half uur. We klimmen op een paar rotsblokken en zien een paar simpele figuren in de rotsen uitgehouwen. Ze zijn een paar decimeter groot en doen qua stijl denken aan stenen tijdperk-rotstekeningen. Het zijn voornamelijk dieren, zoals giraffen, antilopen en zebra’s. Een San heeft in het rode gesteente alleen de omtrekken van een dier uitgehouwen, terwijl een ander het complete lichaam uithakte. Ook zijn er enkele gravures van een leeuw, mensenvoeten en olifanten.
Bij een rots wijst de vrouw achteloos op een tekening van een zeehond – of is het zeerob? ‘Hoe is dit moontlik?’ zegt Marleen, ‘die see is mos meer as honderd kilometers ver.’ De vrouw vertelt in het Afrikaans dat deze tekening al miljoenen jaren oud is en dat de zee toen tot hier kwam. Ik geloof er niets van. De grote rotsblokken liggen her en der op de helling van de berg verspreid. Ik kan me niet voorstellen dat ze in de open lucht zo goed bewaard zijn gebleven. Als ze pas vorige week zouden zijn gemaakt, zou ik dat eerder geloven. Ik loop met een kater rond. Het valt me allemaal tegen. Hebben we hier zo’n eind voor gefietst! Ik had verwacht dat de tekeningen zich in een mooie grot zouden bevinden en dat er een betere samenhang zou zijn. Bovendien is de gids ongeïnteresseerd, ze probeert zich er snel en makkelijk van af te maken.

Vermoedelijk is de nabijgelegen Verbrande Berg mooier. Deze wordt namelijk in iedere reisfolder de hemel ingeprezen: ‘Die Verbrande Berg is dood in die sin dat daar feitlik nie plant groei nie. Dit skep ’n landskap van haas onnoembare verlatenheid, maar die rotse self is opvallend gekleur in skakerings van rooi en pers wat soos vuur in die strale van die ondergaande son gloei.’ Wat we te zien krijgen, is een aantal zwarte heuvels. Dat is alles. Het zijn een paar hopen zwart lavagesteente van tien tot twintig meter hoog waar je op kunt klimmen. Dat doen we dan ook. Van bovenaf kunnen we de omgeving zien, maar we zien nog steeds niets wat de aanprijzingen van de Verbrande Berg rechtvaardigt. We hebben alle vier zoiets van: nou, dit is het dan?! Marleen ziet mijn beteuterde gezicht en merkt nuchter op: ‘Wat kan ’n mens anders verwag van ’n verbrande berg!’ En zo is het natuurlijk. Er moet ook nog een pas met orgelpijpen in de buurt zijn, maar die is onvindbaar.

Terug op de camping horen we dat er een paar olifanten zijn gepasseerd. Dat is te ruiken ook: vlakbij de plek waar onze tent staat hebben ze geplast. Faure en Marleen nodigen ons uit voor het avondeten. Onder de sterrenhemel genieten we van ‘boerewors en braaivleis’, rijst en groenteprut. Marleen maakt ook nog mieliepappie, maar heel anders dan wij. Wij laten het maïsmeel even stukkoken, terwijl Marleen het een half uur laat pruttelen. Het resultaat is een soort couscous; zo zal het wel horen.
Rond de twee olielampen bevinden zich tientallen insekten. Op de grond kruipen grote torren en soms vliegt er een enorme sprinkhaan tegen ons op. Daarnaast zijn er insekten die we niet thuis kunnen brengen. Faure en Marleen weten ons gerust te stellen, ze zijn niet gevaarlijk. Als een grote sprinkhaan in Marleens rijst landt, haalt ze hem er doodgemoedereerd uit en eet gewoon verder.
Faure weet veel over Namibië. Als opwarmer voor het Etoshapark waar we naar toe gaan, vertelt hij een griezelverhaal. In 1993 sliep een stel Duitsers in het Okaukuejo-kamp in tenten. Een man had ruzie gehad met zijn vrouw en was daarom in de open lucht gaan slapen. Hij is toen door een leeuw aangevallen en gedood. We schrikken enigszins omdat wij in hetzelfde kamp zullen slapen. Wijzend op de sterrenhemel vertelt Faure over het Zuider-kruis. Tussen vier sterren kun je een kruis maken, waarvan je de langste poot recht moet doortrekken tot aan de horizon. ‘So kan ’n mens in die aand mooi sien waar die Suide is’, legt Faure uit. De Melkweg lijkt wel binnen handbereik. Jammer dat we in Nederland nooit zo van een sterrenhemel kunnen genieten. Altijd is er stoorlicht, luchtvervuiling of zijn er wolken.

In de omgeving van Twijfelfontein leefden volgens Marleen niet zo lang geleden nog vijfhonderd olifanten. Maar doordat er de laatste jaren honderden door stropers zijn afgeslacht, zijn er nu nog maar zo’n vijftig over. Het zijn woestijnolifanten, een uniek soort. Ze kunnen namelijk vier dagen zonder water. In die periode kunnen ze ongeveer 70 kilometer afleggen, om waterbronnen te zoeken. In tegenstelling tot andere soorten olifanten gaan woestijnolifanten zuinig om met de omgeving. Terwijl een huis-tuin-en-keuken olifant een boom uit de grond trekt en slechts de helft ervan oppeuzelt, zal een woestijnolifant een boom of struik uitzoeken die net groot genoeg is om zijn honger te stillen. Ze hebben zich dus uitstekend aan de woestijn, met zijn schaarse vegetatie, aangepast.

We zijn de volgende ochtend nog maar nauwelijks wakker, of Faure komt ons Rooibos-thee en onze schoongewassen bordjes brengen. Wat dat betreft ontmoeten we steeds ontzettend aardige mensen die ons echt in de watten leggen. We nemen afscheid van Faure en Marleen en maken een afspraak voor in Windhoek.
In het zand op de weg zien we grote pootafdrukken en olifantendrollen. De dieren zijn de richting opgelopen die wij ook opgaan. Dat is oppassen geblazen, want olifanten hebben een heel goed geheugen. Als in hun bijzijn soortgenoten zijn doodgeschoten door de mens, zullen ze mensen vijandig bejegenen. Onderweg ruik ik af en toe een olifantengeur. Volgens Marijke hangt de ammoniakachtige lucht van de pis die we de hele nacht hebben geroken nog in mijn neus. Maar ik ben er zeker van dat de jumbo’s niet ver weg kunnen zijn. Gespannen kijk ik steeds in het rond. Al komen we de olifanten niet tegen, in mijn hoofd zitten ze wel.
Het eerste stuk bestaat het wegdek voornamelijk uit los grind en mul zand; bij de doorgaande weg, die door een brede vallei loopt, wordt het beter. Wel glooit de weg behoorlijk doordat er regelmatig lager gelegen rivierbeddingen zijn. In de berm zit in de schaduw van een boom een groepje mensen. Ze hebben van stenen die je overal vindt simpele gebruiksvoorwerpen gemaakt. Zo moet een platte steen met in het midden een uitholling een asbak voorstellen. Het is nou niet dat je zegt: ‘Wauw, dàt wil ik hebben’. De mensen zitten de hele dag te wachten in de hoop dat iemand iets wil kopen. In een droge rivierbedding verderop houden we onze middagpauze. Daarna is het klimmen geblazen om de vallei uit te komen. Het is op het heetst van de dag en er staat geen wind, dus het is benauwd. De thermometer wijst tussen de 35 en 40 graden aan. Ook voor de Namibische winter is zo’n temperatuur ongekend.
Als we uiteindelijk de vallei uit zijn, glooit de weg nog altijd, omdat de rivierbeddingen regelmatig blijven komen. Vroeger dan verwacht komen we een bordje tegen met daarop ‘Versteende Woud linksaf.’ Voor een houten hek staat een kantoortje met een bewaker. Op tafeltjes zijn kleine souvenirs uitgestald, zoals hangers van kastanjes met kleine tekeningen erop, stukjes versteend hout en allerlei soorten stenen. Er wordt geen entreegeld geheven, de bewaker ziet er op toe dat de bezoekers geen versteend hout meenemen. We zetten de fietsen neer en lopen met hem mee. Langs het pad dat we volgen, staan enkele Welwitschia’s, zéér bijzondere planten die we nog niet eerder gezien hebben. Het midden wordt gevormd door bruine takjes. Daaromheen liggen grote groene bladeren in een cirkel, die iets weg hebben van prei. De bewaker, die in zijn vrije tijd botanicus is, vertelt dat de plant slechts zeer weinig water nodig heeft; de grote bladeren vangen de mist op die vaak vanuit de Atlantische Oceaan landinwaarts trekt. De Welwitschia’s Mirabili die hier groeien zijn nog klein. In het Namib-Naukluftpark zijn er volgens hem exemplaren van minstens zeshonderd jaar oud, zo hebben de Koolstof-14 proeven uitgewezen. ‘Op een paar geheim gehouden plekken in de Namib-woestijn groeit de Giant Welwitschia, die een doorsnede kan hebben van soms meer dan twee meter en een leeftijd van maar liefst tweeduizend jaar; ze stammen dus uit de begintijd van de christelijke jaartelling!’ Ja, ja, als het even meezit is hij zelfs ontkiemd op de geboortedag van Jezus. Hij vervolgt: ‘Deze levende fossielen hebben wetenschappers voor grote raadsels gesteld. Het is bekend dat er vrouwelijke- en mannelijke planten zijn, maar hoe ze zich voortplanten, is nog onbekend.’
Het voornaamste waarvoor we zijn gekomen is echter het Versteende Woud; het is geen woud in de zin dat er echte bomen staan. Tweehonderd miljoen jaar geleden zijn die door rivieren meegespoeld en onder modder begraven. Tegenwoordig zijn van de bomen alleen de versteende overblijfselen over. We stappen tussen duizenden stukken versteend hout door. Er liggen ook een paar complete stammen, waarvan eentje wel dertig meter lang is. Zelfs het schors is nog herkenbaar. Het is indrukwekkend om de fossielen overal te zien liggen. Ze zien er uit als hout, hebben zelfs de kleur, maar als je ze aanraakt zijn ze keihard. Zelfs de jaarringen zijn duidelijk zichtbaar. Het Versteende Woud is een nationaal monument, maar de stukken liggen overal voor het oprapen. Word je gepakt, dan kun je een boete krijgen van 2.000 gulden of een gevangenisstraf van 12 maanden. Na een half uur hebben we genoeg aangeraakt en gezien en gaan we even zitten onder een afdakje. Er stopt een bus met Duitse toeristen van boven de vijftig. Een stuk of vijf blijven echter in de air-conditioned bus zitten. Hoe bestaat het: reizen ze een paar uur om iets te bezichtigen en dan geloven ze het wel!
Ik vraag aan de bewaker of hij water voor ons heeft, maar hier is alleen zout water. Volgens hem is ongeveer vier kilometer verderop een boerderij met gewoon water. Daar staat op het schrale erf een kraal met schapen en geiten. Ook is er een ren met schriele kippen. In de schaduw van een hutje zit een groepje mannen, waar Marijke recht op af stapt. Kijk, dit is ook al zo’n verschil met vroeger. Bij vorige reizen moest ìk dit soort klusjes altijd opknappen, Marijke was daar vaak angstig voor. Het is net alsof ze een ontwikkeling heeft doorgemaakt die mij nu pas opvalt. Aan een van de mannen vraagt ze of hij drinkwater voor ons heeft. Omdat we weer gaan vrijkamperen, willen we graag de tien-liter-zak vol hebben. Dit slaat een behoorlijke bres in hun watervoorraad en daarom biedt ze geld aan. Dat is prima; zij blij, wij blij. Terwijl Marijke voor de man de zak ophoudt, kijkt ze terloops even rond. Het verveloze hutje bestaat uit een klein vertrek waar de mensen ook slapen. Er staat een gammel bed en er liggen enkele matten op de grond. Het ziet er ontzettend eenvoudig uit, elke vorm van luxe ontbreekt. Het is goed dat we altijd in oude kleren fietsen; anders zouden ze helemaal het idee krijgen dat wij rijke westerlingen zijn. Met de volle waterzak achterop nemen we afscheid en fietsen nog een paar kilometer door. Drie meter van de weg af vinden we achter een paar boompjes een aardige kampeerplek. Het is wel vlak naast de weg, maar auto’s rijden hier toch amper. Morgen staat Khorixas op het programma, zo’n 40 kilometer verderop. Dat wordt een lekker makkelijk dagje en dan zit het fietsen er bijna op. Het is de bedoeling vanuit Khorixas een lift te versieren naar Outjo, waar we over vier dagen opgepikt zullen worden voor de Etosha-tour. Na alle ontberingen lijkt het ons wel lekker: onder begeleiding van een gids vier dagen toeren in een auto door een wildpark.

We worden gewekt door vreemde vogelgeluiden. Al een paar maal hebben we een soort gekwaak gehoord, maar het kan geen kikker zijn, want die leven hier volgens mij niet. Het moet haast wel een vogel zijn, maar wat voor een dit er dan is? Ook alle ‘kriekekoppen’ maken herrie. Kortom, zodra de zon opkomt is er veel kabaal. We realiseren ons dat we vandaag eindelijk winkeltjes tegen zullen komen, de eerste in vier dagen. Omdat onze etensvoorraad op is, moeten we veertig kilometer afleggen zonder te eten. De mieliepappie van vanochtend tel ik niet mee; die was niet bijster voedzaam en kan dus niet voorkomen dat mijn maag knort. We hebben ook nog maar twee liter water. Na ruim dertig kilometer fietsen verandert het wegdek opeens in asfalt. We kunnen Khorixas al zien liggen. In het zicht van de haven voelen we ons opeens erg moe en hongerig; het lijkt wel alsof onze benen van lood zijn. Met onze laatste krachten fietsen we naar het Khorixas Ruskamp en belanden in een soort oase: mooie groene grasveldjes met volières, palmbomen en een zwembad met terrasjes eromheen. Er is opeens weer van alles te krijgen: in het restaurant, de bar en het winkeltje. Niet alleen zijn er bungalowtjes te huur, maar er is ook een grasveld waar je kunt kamperen. We worden aangesproken door een viertal dat zijn bewondering uitspreekt. Ze hebben ons inmiddels al driemaal gezien: bij Sesriem, op weg naar Walvisbaai en voor Kaap Kruis. Grappig, want zij zijn met de auto. Ze vinden het verrassend dat wij op de fiets zo snel zijn. Na een lunch in het restaurant zetten we de tent op in de schaduw van een boom. Toerisme is een snel groeiende bedrijfstak in Namibië. Werklui zijn druk aan het bouwen, er klinkt volop geklop, geboor en gehamer. De auto’s met constructiematerialen rijden af en aan. Van de naam Khorixas Ruskamp kunnen ze maar beter het woord ‘rus’ afhalen. Ook ’s nachts kunnen we niet uitrusten. De ganzen en pauwen die hier rondlopen maken behoorlijk lawaai. Bovendien loeit er urenlang een generator die de bungalows van stroom moet voorzien. Midden in de nacht arriveert een groep mensen die onder luid gekwebbel hun tentjes vlak bij die van ons opzet. Na al die eenzame stille nachten in de woestijn is het wennen om in de bewoonde wereld te vertoeven.
Wanneer we voor ons tentje ontbijten, komt een jongen uit de groep een praatje maken. Ze zijn hier gekomen met twee Landrovers die elk het eigendom zijn van twee Israëliërs. De anderen zijn lowbudget reizigers, die eigenlijk individueel rondtrekken. In de Cardboard Box in Windhoek hebben ze de twee Israëliërs ontmoet. In ruil voor het betalen van de benzinekosten mochten ze meerijden. Voor zelfstandige reizigers zonder eigen vervoermiddel is het in Namibië erg lastig rondreizen. Openbaar vervoer is er bijna niet. En op de rustige wegen kan het erg lastig zijn om een lift te krijgen. Dat is het voordeel van een onderkomen als de Cardboard Box. De kans is groot dat je daar mensen ontmoet met wie je gezamenlijk een auto kunt huren of met wie je kunt meerijden.
In de loop van de middag gaan Marijke en ik naar Khorixas zelf, dat drie kilometer verderop ligt. Het is even wennen om zonder bagage te fietsen. Alhoewel het wel lichter trapt, is het een stuk gevaarlijker: de wielen glijden eerder weg en de fiets schudt als een gek. Khorixas lijkt uit twee gedeelten te bestaan: een woon- en een winkelgedeelte. Het woongedeelte bestaat uit zogenaamde ‘compounds’: allemaal kleine, stenen huisjes met een golfplaten dak die er hetzelfde uitzien. Sommige mensen hebben een stukje aangebouwd met behulp van golfplaten. De huisjes staan aan brede ongeplaveide straten. Als een paar jongens ons zien, fluiten ze en roepen aanstellerig: ‘Hello!’. Daarna giechelen ze en komen brutaal kijkend dichterbij. Marijke heeft de neiging om weg te fietsen, want voor haar hoeft die aandacht niet zo. Als we even later langs een oude auto rijden waarvan de motorkap openstaat, vraag ik aan de man die over de motor heengebogen staat of ik misschien kan helpen. Hij lacht en zegt dat het gewoon een oude auto is. ‘Wil jy dalk jou fiets swop vir my kar?’, vraagt hij. ‘Liever niet, want we moeten nog verder.’ Ik wens hem sterkte en terwijl ik wegrijd nodigt hij ons uit om ’s avonds te komen eten. Ik bedank vriendelijk. Achteraf toch jammer. Misschien komt het omdat een zwarte stad nieuw voor mij is. Ook de andere mensen die we in de ‘compounds’ tegenkomen zijn erg vriendelijk; gelukkig zien ze ons niet als pottenkijkers.
We houden halt bij een bakkerij waar Marijke wordt aangesproken door een dronken jongen. ‘Van watter land is jy?’, vraagt hij. Als ze ‘Nederland’ antwoordt, begint hij meteen over ‘Roed Goellit’. ‘Ek hou baie van hom, hy is amper weer reg. Volgend jaar sal Holand seker de EK wen, dan is Goellit weer heeltemal reg.’ Hij is er zichtbaar blij om. Enthousiast geeft hij Marijke een hand en drukt er een kus op. ‘Goh, je bent een echte heer’, zegt ze. Met dit compliment is hij helemaal verguld. Ik sta perplex. Is dit nu de Marijke zoals ik haar tot nu toe heb leren kennen? Ze is het met me eens dat ze dit een aantal jaar geleden niet gedaan zou hebben. Als ze dan ergens zat en voorbijgangers bekeken haar, dan wilde ze zo snel mogelijk weg. Wanneer wij op een muurtje tegenover een supermarkt zitten, legt Marijke het aan mij uit. ‘Het is een soort angst. Je bent als toerist in een vreemd land. Je valt op, iedereen ziet je en ik wist me toen niet zo goed raad, een soort angst voor het onbekende. Nu heb ik meer zoiets van: ach, gewoon eens kijken wat er gebeurt. Het is leuk en ja, natuurlijk val je wel op, maar als je gewoon vriendelijk doet en de mensen gedag zegt, dan is er verder niets aan de hand. Door je open te stellen, maak je het jezelf veel gemakkelijker en krijgt een reis meer diepgang.’
Ondertussen bekijken wij de voorbijgangers en zij ons. Naast mij komen semi-nonchalant enige schoolkinderen zitten die vanuit hun ooghoeken naar me gluren. Ze weten zich niet goed raad met ons, de onbekenden. ‘Ek is bly u te ontmoet’, zeg ik en steek mijn hand uit. Ze schrikken ervan en beginnen druk te brabbelen in het plaatselijke dialect. Als de opwinding is bedaard, vraagt er een verlegen: ‘Wat is u van?’. Ik moet even goed nadenken voor ik hem begrijp. Hij wil graag mijn naam weten. Het woord ‘van’ wordt gebruikt omdat veel Afrikanen een achternaam met ‘van’ hebben, zoals Van den Berge of Van Blerick. ‘My is van Schuijt’, jok ik een beetje. Dan stellen de andere tien kinderen zich netjes aan ons voor. Een van de jochies laat zien dat hij óók een mooie mountainbike heeft. Hij trekt snel op en moet dan stoppen voor een vrouw die komt aanlopen. Omdat zijn fiets geen remmen heeft, mindert hij noodgedwongen vaart met zijn blote voeten! Een man die langsfietst staart ons verbaasd aan, terwijl hij intussen richting muurtje stuurt. Pardoes rijdt hij er zo tegenaan, niet hard, maar toch… Hij geeft echter geen krimp, sterker nog, hij schrikt niet eens. Hij heeft gewoon een houding van ‘O, dat was een muurtje’. Dan voel ik iemand aan mijn mouw trekken. Het is een van de kinderen die trots zijn zelfgemaakte auto van ijzerdraad en blik laat zien. Aan de auto is een handgreep bevestigt waarmee hij hem bestuurt.

Khorixas is het administratieve en financiële centrum van deze streek. Daarom doen veel boeren hier hun inkopen in de supermarkt. Ze laden hun bakkie vol met zakken mielie, suiker en zout. Armere boeren gebruiken een ezelkar. Aan de kassa zie je sommigen veel geld betalen. Vergeleken met de supermarkten in Windhoek en Swakopmund is deze niet zo ‘super’. Ze hebben er voornamelijk de eerste levensbehoeften in grote hoeveelheden.
Zittend op het muurtje laten we Khorixas op ons afkomen. In de reisgids staat weliswaar dat hier absoluut niets te zien en te doen is, maar wij ervaren de stad als een openbaring: eindelijk zwart Afrika, eindelijk hebben we het ‘Afrika-gevoel’ weer gevonden. Er lopen een paar Herero vrouwen in hun typische kostuum. Omdat er veel scholen zijn, dragen veel kinderen een uniform. De meisjes dragen ieder een wit bloesje met korte mouwen en een grijze rok. Marijke vraagt aan twee van hen of ze een foto mag maken. Ja hoor, dat is geen enkel probleem; ze gaan er echt voor poseren. Twee jongens zien dat en geven te kennen dat ze ook wel willen. In hun stoerste houding worden ze vereeuwigd. Als er dan ook een trotse moeder voorbijloopt met twee schattige dochtertjes, kan Marijke het niet laten om ook hen te fotograferen. De kleinste, van een jaar of drie, draagt haar mooiste jurk en krulspelden in het kroeshaar; een echt dametje. Enkele passerende vrouwen hebben hun haar juist laten ontkroezen; iets dat we al vaker hebben gezien. Blijkbaar is dat een nieuwe trend; misschien willen ze wel op Oprah Winfrey lijken. Vlakbij de supermarkt staan een hypermodern kerkje, enkele winkels en een benzinepomp. In verband met de voetbalwestrijd van Ajax probeer ik een krant te kopen, maar hier zijn zelfs geen oude exemplaren te koop. Kranten kun je in Windhoek kopen, zo krijgen we te horen, vijfhonderd kilometer naar het zuiden.

Terug op de camping kijken we in de bar naar een soap die zich in Zuid-Afrika afspeelt. Het aardige is dat al gauw duidelijk wordt welke waarden en normen het land nastreeft: mooie auto’s, picknicks met lekker eten, blank en zwart door elkaar en natuurlijk is iedereen jong en slank. ’s Avonds eten we weer in het restaurant en ook deze keer bestaan de salades uit rode biet met rauwe ui en wortelsalade met ananas. Ik bestel een ‘ladies filet’, omdat dat volgens de kaart een bescheiden vlees stuk is. Wanneer de serveerster het toch nog grote stuk brengt, zet ze het bij Marijke neer.

We willen met fiets en al een lift krijgen naar Outjo. Hier zal Peter van Footprints ons oppikken voor de Etosha-tour. Een tankstation lijkt ons de beste plaats om een lift te versieren. Maar voordat het zo ver is, moeten we eerst nog het kampeerterrein verlaten. Bij onze aankomst moesten we de bewaakster één gulden entree per persoon betalen. Wij wilden eerst even rondkijken, maar pas ná betaling mochten we doorrijden naar de receptie. Toen ik na de eerste overnachting voor de tweede nacht wilde betalen werd ik ook al zo raar behandeld. De receptioniste liep zomaar weg en ging wat rommelen achter een bureau. Vervolgens begon ze bij de buitendeur op haar gemak met iemand te kwebbelen. ‘Nou, dan niet’, dacht ik en vertrok. Deze ochtend houdt de bewaakster ons bij de uitgang aan. Ze wil ons betalingsbewijs zien. Als ik zeg dat we het per ongeluk hebben weggegooid, kijkt ze me met priemende ogen aan. Ik bluf: ‘Laten we anders naar de receptie gaan.’ Die is dertig meter verderop en dat is blijkbaar te veel moeite, want ze laat ons doorgaan. Wroeging hebben we niet, want de camping was erg duur: we betaalden zestien gulden per nacht en dan nog sliepen we in de herrie.
Bij het benzinestation informeert Marijke bij de eerste drie bakkies die komen tanken. Dan benader ik het volgende trio, waarna Marijke weer aan de beurt is. Inmiddels zijn we een uur verder en staan er nog meer mensen met spullen te wachten. ‘Is julle op pad Outjo toe?’, vraagt een meisje. En als we dat bevestigen: ‘Ons is ook op pad Outjie of Otjiwarango toe.’ Ik zeg tegen Marijke: ‘Anders gaan we toch gewoon fietsen, we hebben er per slot van rekening de tijd voor.’ Daarnaast is het, op die ene uitzondering na, sowieso tegen mijn principes om met een auto mee te rijden. Marijke wil het nog even proberen; we spreken af nog een uur te blijven. Het meisje legt uit dat je normaal gesproken voor een afstand van pakweg 140 kilometer zes gulden moet betalen. ‘Maar dié bakkie vraagt acht dollar,’ zegt ze en wijst naar de overkant, ‘vir ons is dit te baie.’ Ondanks haar veronderstelling dat de prijzen misschien zijn gestegen, blijven ze allemaal wachten op een auto met een lager tarief. Omdat er geen openbaar vervoer is, proberen sommige autobezitters op deze manier wat geld bij te verdienen. Het bewuste bakkie wacht al een uur, maar toch weigert de chauffeur ons mee te nemen. Hij wil de fietsen niet in zijn auto hebben. Blijkbaar gokt hij erop dat de anderen vroeg of laat zullen instappen. ‘Ag, daar sal seker ’n kar kom om julle op te laai’, probeert het meisje ons gerust te stellen. Ons probleem is dat we vanwege de fietsen zijn aangewezen op een bakkie. Stel dat er om drie uur ’s middags nog niets is, dan is het te laat om te gaan fietsen. Dus moeten we nu gewoon een besluit nemen. Als we om tien uur, gelukkig voor mij, nog geen lift hebben gekregen, doen we in een nabijgelegen supermarkt inkopen, tanken benzine en pompen de banden harder op, want van nu af aan bestaat het wegdek uit asfalt. We zwaaien nog even naar het meisje dat evenals de chauffeur nog steeds staat te wachten. Daar gaan we.

Dit is het territorium van de koringkrieken en sprinkhanen. Ze leven in een landschap dat bestaat uit glooiende heuvels begroeid met acacia’s en af en toe wat helmgras. De koringkrieken houden het grootste deel van het wegdek bezet, zo lijkt wel. We slalommen er weer omheen, maar kunnen niet voorkomen dat we er af en toe eentje invalide rijden. Onderweg zijn er geen dorpjes en winkeltjes. Slechts drie of vier keer staat ver van de weg af een kleine boerderij. Na zestig kilometer is er wel een guestfarm waar je iets kunt eten en drinken, maar die ligt een kilometer of vijf van de weg af. Dat betekent tien kilometer extra fietsen over een grindweggetje. Daar bedanken we voor. Veel auto’s die ons passeren hebben ons ook in Khorixas gezien, vandaar dat ze aanmoedigend toeteren. Ook een grote tankwagen haalt ons luid claxonnerend in. Leuk, dat zijn de mensen bij wie we water hebben gehaald op weg naar Twijfelfontein.

Het fietsen gaat lekker snel en ik kom tot de conclusie dat wanneer we twee uur eerder waren vertrokken, we vandaag nog Outjo hadden gehaald. Nu moeten we vrij kamperen, maar ach, dat is toch wel leuk. Bij een boerderijtje halen we water en zoeken dan een plek. Het is vooral lekker rustig en je ligt er in ieder geval vroeg in.

Beide dagen waait er een zachte oostenwind. Wat dat betreft lijkt Namibië wel het land van de oostenwind. Soms horen we in de berm iets hard ritselen of wegschieten. Een slang misschien, of een hagedis? Onderweg staan er veel termietenheuvels, waarvan sommige helemaal om een boom zijn aangelegd. De termieten zelf laten zich niet zien, nog niet…
Eigenlijk is de weg van Khorixas naar Outjo saai: lange rechte stukken en een eentonig landschap. Links en rechts liggen percelen land waarop zich boompjes uitstrekken tot zover je kunt kijken. In de verte liggen enkele heuvelruggen. We zetten gewoon ons verstand op nul en trappen stevig door. Ik denk aan onze fietsen en uitrusting. Denkend aan het Global Village principe reis ik in gedachten door al die verschillende landen. Ik ben in één klap terug in Namibië bij het zien van een man die achter een hek loopt met een geweer. Waar heeft hij dat nou voor nodig? Om mensen af te schrikken, of dieren?
Tegen het eind van de ochtend komen we in Outjo aan op de camping, die net buiten het stadje ligt. Hij was eerst eigendom van de gemeente, maar sinds februari is hij overgenomen door een echtpaar. De vrouw vraagt voor twee personen met een tentje twintig gulden per nacht. Ik weet vier gulden af te pingelen, maar het blijft prijzig. Er staan veel bungalowtjes met rieten daken en wanden van dunne boomstammetjes. Sommige zijn nog in aanbouw. Ook hier is duidelijk zichtbaar dat het toerisme in Namibië een zonnige toekomst tegemoet gaat, al is niet iedere Namibiër hier gelukkig mee. De camping heeft ook een zwembad, bar en restaurant en ondanks dat we te vroeg zijn voor de lunch wil de eigenaresse wel iets klaarmaken. Een zwarte ober die Engels spreekt, maar nauwelijks te verstaan is, vraagt of wij bier willen drinken. Ik leg uit dat we geen bier lusten en bovendien al een drankje hebben. Hij knikt begrijpend, om na vijf minuten weer dezelfde vraag te stellen. Even later staat de ober met de baas te praten en keert hij weer bij ons terug. Uit zijn woorden kunnen we opmaken dat hij een standje heeft gekregen omdat hij niet meteen het lege serviesgoed bij ons heeft weggehaald. ‘Maakt u zich niet druk, het is geen probleem’, stellen we hem gerust. Later komt hij vragen of we iets voor de lunch willen. Geduldig leggen we uit dat de bazin op dit moment al iets voor ons klaarmaakt. De ober doet ontzettend zijn best, maar komt nogal onbeholpen over.

Na de lunch knappen we ons op en gaan Outjo in. In tegenstelling tot Khorixas wonen hier veel meer blanken. Ik probeer een krant met een verslag over de Champions League-finale te krijgen, maar na het doorspitten van een stapel blijkt net die ene krant te ontbreken. We hebben er niet aan gedacht dat op zaterdagmiddag na 1 uur de winkels sluiten en dan is het als een zondag in Rotterdam. Geen nood, met de fietsen gaan we een beetje door het stadje rondtoeren. Het is welvarender dan Khorixas. Aan de rand staan mooie villa’s met grote tuinen met bloeiende oleanders en prachtige palmen en cactussen. In het centrum staan een paar oude koloniale gebouwen en een ultramoderne kerk. Er is maar één hoofdstraat waaraan winkels zijn gevestigd met echte etalages. Ook zijn hier veel drankwinkels, zoals in bijna elk stadje. Zelfs twee souvenirwinkels ontbreken niet. Normaal gesproken zie je die weinig, maar Outjo is natuurlijk een belangrijke uitvalsbasis voor het Etoshapark.

Terug op de camping maak ik een praatje met de barman. Omdat hij er uitziet als een Duitser, vraag ik of zijn ouders van Duitse afkomst zijn. ‘Nee, ek is ’n Afrikaan’, antwoordt hij. ‘Wat houdt dat precies in?’, vraagt Marijke. ‘Afrikane is eintlik Afrikaanssprekende blankes en Basters van Rehoboth. Jy moet dit eintlik sien as ’n wit stam…’ ‘Is een zwart iemand dan geen Afrikaan?’, wil ik weten. ‘Nou nee, die meeste behoort tot die Damara’s, die Herero’s, die San of die Ovambo’s. By die huis praat hulle hul moedertaal. Eers in die skool leer hulle Afrikaans. Hulle praat Afrikaans met ander swartes maar dis niet met mense van ander stamme.’ De barman legt uit hoe de Afrikanen hier zijn gekomen: nadat de Britten Zuid-Afrika waren binnengevallen, gingen ze aanvankelijk naar Angola, maar daar kregen ze het aan de stok met de Portugezen. Zodoende zijn ze naar Namibië gegaan en daar gebleven.

De bazin van de camping had al aangekondigd dat er vanavond een buffet is voor vijftien gulden per persoon. Het belooft heel lekker te worden. We zitten net na zonsondergang op het terras van het restaurant te lezen. De baas, met een pet op, een sweater en slippers aan, maakt zich druk om de ontvangst van alle gasten. De twee aanwezige obers, ook die van vanmiddag, instrueert hij zorgvuldig waar de schalen moeten staan en hoe de tafels moeten worden gedekt. Alles wordt wel drie keer nagelopen. Om kwart voor acht is het dan zover: we kunnen opscheppen. ‘Onze’ ober doet weer zijn best en loopt voor ons het vuur uit zijn sloffen. Als we de salade ophebben, haalt hij de bordjes weg en ook alvast de lepels voor het toetje die hij eerder had neergelegd. Hij kijkt niet begrijpend als we zeggen: ‘Laat maar liggen.’ Kort daarop verschijnt hij weer met de vraag of hij een leeg glas mag weghalen. Dan loopt hij daarmee naar de bar, komt terug en haalt een ander leeg bordje weg. Aan de ene kant hebben we met de man te doen, want op zijn manier doet hij erg zijn best. Aan de andere kant slaan we hem geamuseerd gade.

Peter van Footprints haalt ons de volgende dag op rond het middaguur met een klein Toyota-busje; dat is in ons geval handiger dan een Landrover omdat de fietsen er zo in kunnen. Tijdens het rijden maken we nader kennis. Peter is 24 jaar en komt uit Californië. Na enige omzwervingen is hij als gids in dienst getreden van Footprints. Hij is al vaker in Etosha geweest en heeft toen onder meer leeuwen gezien. De weg naar het noorden voert steeds door hetzelfde landschap. Schrale vlakten strekken zich uit, begroeid met stekelig struikgewas. In de verte graast af en toe wat vee. Er is geen enkel teken van menselijk leven. De enige afwisseling bestaat uit de bordjes die bij de zijpaden naar boerderijen met meestal Duitstalige namen wijzen. Ruim een uur later doemt de poort van het Etoshapark op. Het gehele park is naar Namibisch gebruik omringd met hekken. Voorbij de poort mag je niet fietsen, want dat is levensgevaarlijk. We rijden meteen door naar Okaukuejo, een kamp met een groot kampeerterrein en bungalows. Het is erg populair omdat er een verlichte waterpoel is waar ’s avonds veel dieren op af komen. Je kunt Okaukuejo alleen tussen zonsopgang en zonsondergang in en uit.
Ik vraag aan Peter hoe het kan dat er twee jaar geleden een Duitse toerist is gedood door een leeuw; het kamp is per slot van rekening omheind. Volgens het officiële verhaal werd de man vrij snel door het beest gedood, maar Peter heeft een andere versie. Er was een leeuw in de buurt die te oud was om zelf een prooi te vangen. Uitgehongerd heeft hij zich met zijn laatste krachten over het hek weten te werken en vond daar een smaakvolle Duitser. Het slachtoffer schijnt als een bezetene gegild te hebben. Volgens de wildwachters heeft de leeuw eerst een tijdje met hem gespeeld alvorens toe te happen.

Okaukuejo is van alle gemakken voorzien. Ten behoeve van de Miss Universe verkiezingen is er acht miljoen gulden in geïnvesteerd. Er is een kleine supermarkt, een kiosk, een restaurant en een bar. ’s Middags genieten we van het mooie zwembad. Onze Zuid-Afrikaanse buren hebben voor hun tent een lange houten giraffe staan. Omdat dit ons het souvenir bij uitstek lijkt, doen we navraag. Ze hebben het beest in Ovambo-land gekocht. Bestudering leert dat de giraffe erg uitgedroogd is en hier en daar barsten vertoont. Zij zijn op hun beurt zo gecharmeerd van onze fietsen, dat ze ze graag willen kopen. De prijs, 2.500 gulden, schrikt hen niet af, integendeel: in hun land kosten soortgelijke fietsen minstens het dubbele vanwege de import-belasting. Dit is al de derde keer dat iemand de Trek-fietsen wil kopen.
In de namiddag rijden we met auto door het park en kijken uit naar wild. De zogenaamde game-drive is erg kort, want Peter herinnert zich halverwege dat we voor zonsondergang weer terug moeten zijn in het kamp. Halsoverkop maken we rechtsomkeert.
Het avondeten in Okaukuejo is een nieuwe ervaring voor ons. Op elke camping zijn braaiplekken, dus ook hier. Eindelijk maken we er eens gebruik van. Peter heeft eten en steenkool meegenomen. Als de kolen branden, zet hij een ketel op het vuur voor de thee. Daarna instrueert Peter Marijke. Zij moet ongeschilde aardappelen drie keer in aluminiumfolie wikkelen en ze dan tussen het houtskool leggen. Na veertig minuten zijn ze gepoft. De groente heet ‘gem-squash’. Ik moet groene ronde vruchten doormidden snijden en ontpitten. Wanneer ze een tijdje zijn gekookt, kunnen we zó de inhoud eruit lepelen. Als vlees is er natuurlijk boerewors.
Peter vertelt tijdens het eten over Footprints. Ze hebben een aantal zelfhulpprojecten opgezet. De zwarte gemeenschap wordt met advies en financiën gesteund. Als een stam een kampeerplaats wil vestigen en onderhouden, krijgt men daar geld voor. Men kan extra geld verdienen door ’s avonds op te treden of door een groep toeristen te begeleiden. De opbrengst kan dan weer worden aangewend om andere toeristen aan te trekken. Na een tijd zal het dan economisch beter gaan. Alle gidsen van Footprints worden getraind. Ze worden in eerste instantie meegenomen door een ervaren gids. Hen wordt allerlei dingen geleerd, zoals het klaarmaken van maaltijden voor grote groepen en de ‘tent-speech’. Regel één is dat de mensen altijd op de eerste plaats komen. Als bijvoorbeeld aan de auto iets mankeert, moet je eerst de toeristen geruststellen of bezighouden. Zo herinnert Peter zich dat hij een keer een uur te vroeg aankwam bij de zeehonden op Kaap Kruis. Zijn groep vond het absoluut niet leuk. Hij gaf hen maar een frisbee als bezigheidstherapie en klom over een hek om iemand uit bed te halen die toestemming kon geven via een omweg naar de kaap te rijden. Deze weg gaf Kaap Kruis een geheel ander aanzicht; hij voerde langs een zeehondenfabriek! Hier worden de zeehonden verwerkt tot vet, vlees en geprepareerde vellen. Het stonk ontzettend. De enige mensen in Namibië die dat vieze werk willen doen zijn de Ovambo. Gelukkig hebben wij de normale toegangsweg gebruikt en is de stank ons bespaard gebleven. Peter vertelt dat hij twee weken geleden een Canadees op de fiets is tegengekomen. Die vertelde dat hij steeds onze bandensporen zag en probeerde ons in te halen. Jammer dat het hem niet gelukt is, maar blijkbaar fietsen we dan toch in een redelijk tempo.
Tijdens het eten komen er jakhalzen bij ons in de buurt. Ze zijn zo lenig dat ze makkelijk over het hek kunnen klimmen. Stilletjes komen ze dichterbij om wat voedsel weg te graaien, maar met een harde schreeuw weten we ze weg te jagen.

Na het eten gaan we naar de verlichte poel. Tientallen toeristen zitten ademloos op de bankjes die in de vorm van een halve maan op enige afstand van het water zijn neergezet. We zijn slechts gescheiden van de poel door een lage stenen muur met daarachter een aantal ijzeren balken om olifanten tegen te houden. Enkele giraffen naderen behoedzaam het water. Ondanks dat de poel verlicht is, schijnt het ze niet af te schrikken. Even later komen twee zwarte neushoorns aanwaggelen. We zijn aangenaam verrast: zwarte neushoorns zijn een zeldzaamheid in Afrika.
Als we teruglopen zijn er opnieuw jakhalzen bij de tent. Ze richten geen vernielingen aan, maar pikken wel alles wat los en vast zit. ’s Nachts werpen ze de vuilnisbakken omver op zoek naar etensresten. Bij de negerstammen in Namibië wordt de jakhals gezien als een intelligent beest dat vaak andere dieren, waaronder leeuwen, hun prooi afhandig weet te maken. Wanneer we in de tent liggen vult de nacht zich met het harde ‘lachen’ van de jakhalzen, een heel sinister geluid.

Twee giraffen en een krokodil

Als we om half zes opstaan, is Peter al volop in de weer. Na een snel ontbijt gaan we de auto in, want Peter wil als eerste bij de poort staan. Naarmate er meer auto’s op de weg zijn, worden de dieren sneller afgeschrikt. Dus als je de eerste bent, is dat natuurlijk het beste. Zodra het hek open gaat, gaan we op weg. Voor vandaag staat Halali op het programma, een kamp zo’n 75 kilometer van Okaukuejo. We rijden via de Gemsbokvlakte eerst naar Olifantsbad. Onderweg zijn wel wat dieren te zien: vooral springbokken en antilopen grazen nogal eens in de buurt van de weg. De mannetjesantilopen zijn prachtig met hun kaarsrechte horens. Ook een koedoe is erg fraai. Het vrouwtje van de koedoe ziet er wat kaal uit zonder horens. Ze wordt afgeleid door iets grijs dat zich beweegt tussen de bomen: ‘Hé, een olifant!’. Het is een mannetje dat alleen leeft; dat schijnt vaker bij olifanten voor te komen. We kunnen hem rustig observeren terwijl hij water uit een poel slurpt. Daarna steekt hij langzaam voor het busje de weg over. Hij zwaait even zijn kop naar rechts, alsof hij ons groet, en zwabbert dan weer verder.
Halali is vergelijkbaar met Okaukuejo, alleen kleiner en rustiger. De naam is afgeleid van het Duitse gebruik om op een hoorn te blazen na het beëindigen van de jacht. De jachthoorn is dan ook het symbool voor dit kamp. Ook in Halali bevindt zich een waterbron, maar aangezien het nu vroeg in de middag is, is er geen enkel dier te bespeuren. Meestal laten ze zich pas tegen de avond zien.
Na een pauze rijden we via het mooie Rietfontein terug naar Okaukuejo. We zien verscheidene giraffes, soms alleen, soms met z’n tweeën, en één keer zelfs een groep van tien vrouwtjes en een mannetje. Het verschil kun je zien aan de kleur: een mannetje is veel donkerder. Kleine dieren zijn er volop: eekhoorntjes, valken, haviken, duiven, secretarisvogels en korhoenders. Ook zien we jakhalzen, struisvogels en steenbokjes. Afrikaanse wel te verstaan, want het zijn geen steenbokken zoals wij ze kennen. Ze zijn juist heel klein, beige-achtig met wijd uitstaande oortjes, eigenlijk meer zoals reeën. Regelmatig grazen er zebra’s.
Onwillekeurig vergelijken we dit park met het Masai Mara-reservaat in Kenia. In Masai Mara waren er honderden exemplaren van een bepaalde diersoort, hier hooguit vijf of zes. Door de zware leefomstandigheden is er duidelijk geen overvloed aan bijvoorbeeld ‘wildebeesten’ oftewel gnoes. In Kenia hielden de gidsen elkaar op de hoogte; die van ons stopte regelmatig om aan de chauffeur van een voorbijrijdende auto te vragen of hij al leeuwen had gezien. Vervolgens reed er een kolonne auto’s dwars door de savannen naar een leeuw toe die onder een boom lag te rusten. Zo stonden we op een gegeven moment met tien Landrovers rond een enkele leeuw. In Etosha mogen de auto’s niet van de weg af; ze moeten echt de paden volgen. Hier is de natuur zó kwetsbaar dat een beschadigde boom waarschijnlijk sterft. Bovendien hebben de bomen en struiken uit een soort zelfverdediging doornen aan de takken. Er bestaat dus gevaar voor lekke banden bij het verlaten van de weg. Hier zijn de mensen gelukkig individueler ingesteld, waardoor er geen sprake is van massa-toerisme.
We rijden een stuk langs de enorme Etosha-pan, een laagvlakte van vijfduizend vierkante kilometer. In de regentijd valt er zo’n veertig centimeter water, waardoor de pan gedeeltelijk onder komt te staan. In tijden van grote regenval stroomt hij zelfs helemaal vol, maar dit gebeurt slechts één keer in de twintig jaar. Etosha betekent ‘grote witte plaats met droog water’. Die witte kleur is te danken aan het zout. Als het heeft geregend is het brakke water te zout om te drinken, maar vormt het een ideale leefomgeving voor algen. Die trekken op hun beurt weer honderdduizenden pelikanen en flamingo’s aan. Tegen de tijd dat het water verdampt is, zijn de flamingo’s allang vertrokken en profiteren de gnoes, springbokken en zebra’s van de spaarzame, proteïnenrijke begroeiing die daarna uit de grond schiet. Wij staan nu aan de rand van de zoutpan. Zover je kunt kijken, links en rechts, en ver voor ons, strekt ie zich uit. Pas als je de achtergrond kent van deze vlakte is hij indrukwekkend. Ken je die niet, dan is het gewoon een groot kaal stuk land.

Eenmaal terug in het kamp hebben we in totaal zeven uur getoerd. Het is voor ons erg wennen om zo’n tijd in een auto te zitten. Na zeven uur fietsen ben je ook afgepeigerd, maar op een hele andere manier. Lichamelijk span je je in een auto natuurlijk niet in, maar toch word je doodmoe. Oorzaak is de slaapverwekkende atmosfeer: door de warmte en het constante zoemen van de motor kun je na een paar uur gewoon niet meer geconcentreerd om je heen kijken.
In het kamp bezoeken we voor de laatste keer het zwembad. Er is ook een groep van zes Nederlandse toeristen, die per busje reist. Als één van hen zo een duik wil nemen, waarschuwt Marijke hem dat het water erg koud is. ’s Nachts is het hier namelijk maar tussen de vijf en tien graden. Dan begint hij ongevraagd te vertellen. Mensen willen immers altijd vertellen hoe ze gereisd zijn. Vooral de route en het aantal afgelegde kilometers zijn heel belangrijk. In Zuid-Afrika hebben ze 3.500 kilometer gereden en hier al 7.500 kilometer. Hij is er zichtbaar trots op. Als Marijke zegt dat wij zo’n 1.500 kilometer hebben afgelegd, kijkt hij zo van: ‘Goh, da’s ook niet veel’. Dat we fietsen vertelt ze maar niet eens.

De volgende dag maken we een korte game-drive westwaarts. Waar het eigenlijk op neerkomt is dat bij de waterpoelen het meeste wild te vinden is. Dus misschien zou je het beste direct daarheen kunnen rijden. Een neushoorn rent hard voor ons weg; vrij zeldzaam dat je die tegenkomt. Peter laat ons het Sprokieswoud zien, waar honderden Afrikaanse Moringo’s oftewel olifantenbomen staan. Over deze bomen gaat het verhaal dat God na het scheppen van de aarde nog wat bomen overhad. Die heeft hij toen in de lucht gegooid en toevallig zijn ze hier op hun kop neergekomen. De bomen hebben dikke stammen, die aan olifantenpoten doen denken. De wortels groeien vanaf halverwege de stam de grond in. Doordat ze sterk doen denken aan een kruin, lijkt het net alsof de bomen op hun kop groeien.
Op een zijweggetje ligt een jonge olifant. Het beestje ligt doodstil; de amandelvormige ogen zijn vochtig. We kijken goed om ons heen om te zien of de moeder in de buurt is. Vooral Peter is erg angstig omdat hij ooit is aangevallen door een olifant. Vanuit mijn raampje naar beneden kijkend, zie ik dat het olifantje dood is; we hadden al zo’n vermoeden. Er lopen geen bloedsporen, dus het beestje is niet neergeschoten. Volgens Peter is hij gestorven aan ‘Anthrax’, de infectieziekte miltvuur: naar verluid de voornaamste doodsoorzaak van olifanten.
Bij de meest westelijk gelegen waterpoel zijn allerlei soorten dieren: gnoes, zebra’s, springbokken en veel vogels. Het is fascinerend om te zien hoe de verschillende dieren broederlijk naast elkaar water drinken. Drie jonge gnoes draven elkaar speels achterna en twee mannelijke springbokjes oefenen alvast een gevecht voor later. Ze gaan op hun achterpoten staan en storten zich voorover zodat hun hoorntjes tegen elkaar botsen.
Peter heeft in het handschoenenkastje een boek met bijna alle vogels van zuidelijk Afrika liggen. Wanneer hij iets kleins ziet fladderen, pakt hij zijn verrekijker, volgt het geconcentreerd en roept vol enthousiasme: ‘Hé dat is een muisvogel.’ Snel pakt hij het boek en zoekt in de index waar de muisvogel staat. Als blijkt dat er een witrug muisvogel bestaat en een roodgekopte, weet Peter niet hoe snel hij weer zijn verrekijker moet pakken. Teleurgesteld legt hij hem even later terzijde. Jammer, het was een witrug muisvogel en die heeft hij volgens zijn aantekeningen al een half jaar geleden in het Waterbergpark gezien. We staan bijna een uur bij de waterpoel en rijden dan langzaam verder. Even verderop gaat Peter op de rem staan en pakt razendsnel zijn verrekijker. Ja hoor, weer een vogel. Hij moet een paar keer goed kijken. Is het een glanzende spreeuw, een vaalvleugel spreeuw of een gellelde spreeuw? Hij is zielsgelukkig wanneer het een vaalvleugel spreeuw blijkt te zijn, want die had hij nog niet in zijn boekje aangestreept. Nou, dat is boffen dat we die hier zomaar tegenkomen!
We bezoeken nog een andere waterpoel; hier zijn twee dagen terug leeuwen gesignaleerd. De poel staat helaas helemaal droog. Hebben we het hele eind voor niets gereden! Onderweg zien we het inmiddels vertrouwde beeld van grazende antilopen, zebra’s en giraffes. Vooral het aantal giraffes is verbazingwekkend. Waarschijnlijk vallen ze gewoon erg op, omdat ze met hun lange nek overal bovenuit steken.

’s Middags komen bij de poel in ons kamp vier olifanten aanlopen. Na te hebben gedronken, lopen ze bij elkaar vandaan en gaan om de poel met de konten naar elkaar toe staan. Ze staan in een perfect geometrisch kruis. Na een kwartier sjokken ze als op commando weg en verdwijnen in de eindeloze verten. Ze laten ons met veel vraagtekens achter. Waarom komen er precies vier? Waarom gaan ze gelijktijdig in zo’n onnatuurlijke geometrische vorm staan? Brengen ze soms een eerbetoon aan Okaukuejo? Al snel wordt onze aandacht afgeleid door giraffes en springbokken die water komen drinken. De lijven staan op een gelijke afstand van elkaar in precies dezelfde richting gekeerd; het lijken wel een aantal parallellogrammen. In de namiddag is een van de olifanten er weer. We vermoeden dat hij met de plaatselijke VVV een twee-uurs contract heeft afgesloten!
Als we bij het houtskoolvuur zitten te eten, fietst er iemand voorbij. Aangezien we al hadden vernomen dat er twee andere fietsers op de camping zouden zijn, roep ik: ‘Hé, fietser’, waarop hij omkeert. Hij blijkt een Braziliaan te zijn die samen met een vriendin aan het fietsen is. Paolo is een echte vrijbuiter. Hij heeft een half jaar in Nederland rondgescharreld en daar zijn vriendin met hun pasgeboren zoontje achtergelaten. Wel is hij van plan nog eens terug te gaan. Het Nederlands komt hier in ieder geval goed van pas. In Zuid-Afrika zocht Paolo een fietsmaatje. Dat werd Catherine, een verpleegster. Een Braziliaan, twee Nederlanders en een Zuid-Afrikaanse: eenmaal raden wat de voertaal is.
Natuurlijk bekijken we hun fietsen. Zij rijdt op een geleende Specialized van zeven jaar oud, het goedkoopste type en dat is ook duidelijk te merken: alles werkt erbarmelijk. Paolo heeft een zware fiets met oversized buizen. Bij het optillen schat ik dat hij minstens vijf kilo zwaarder is dan mijn fiets. Het grappige aan Catherines fiets is dat er dure SPD-pedalen op zitten terwijl ze met normale schoenen fietst. Ze rijdt gewoon met een rugzak achterop en Paolo fietst met achtertassen. Aan de low-rider-beugels bevestigt hij met elastieken zijn gereedschap en een grote brander. In plaats van bidons hebben ze gebarsten plastic flessen in hun bidonhouders. Ook aan hen is in Solitaire water aangeboden. Moose zou aan iedere automobilist vragen om een hoeveelheid voor hen mee te nemen. Wij durfden dat risico niet te nemen. Stel je eens voor dat er toevallig die dag weinig auto’s rijden of dat niemand water wil meenemen… Maar zij hebben dat aanbod geaccepteerd en werden inderdaad regelmatig van water voorzien. Paolo vertelt over een Duitser die een paar jaar terug óók in de Namib woestijn fietste. Hij schijnt op een gegeven moment erg duizelig te zijn geworden, omdat hij niet genoeg water bij zich had. Hij is onderuit gegaan, aan de kant van de weg gaan liggen en in eenzaamheid gestorven. Pas twee dagen later werd hij gevonden.
Catherine en Paolo fietsen in hun gewone onderbroek. De kans is dan groot dat je steenpuisten of kapot zitvlees krijgt. Op hun stuur hebben ze geen bar-ends – die vonden ze te duur – zodat ze hun handen nooit kunnen verplaatsen. Mijn ervaring is dat je na een uur fietsen in dezelfde houding tintelende handen krijgt door vernauwde bloedvaten. Op den duur heb je zelfs helemaal geen gevoel meer in je handen; zeker als je op slecht wegdek rijdt. Catherine heeft behoorlijk veel blaren op haar handen gehad en ze is op slechte wegen vier keer onderuit gegaan, iets wat ik ook wel van Marijke en mijzelf verwacht had. Omdat op hun fietskettingen werkelijk geen spatje vet of olie meer zit, smeer ik ze en geef hen het flesje mee; wij hebben het toch niet meer nodig! Paolo had grote problemen met zijn tassen die steeds losschoten op de hobbelige wegen en bekijkt vol waardering de Ortlieb tassen. Ik leg uit dat ze duur zijn, maar dat als je weet dat je voor langere tijd gaat fietsen, ze eigenlijk goedkoop zijn. Het is leuk hun verhalen te horen. Ze krijgen gemiddeld drie lekke banden per dag. Geen wonder, want die zijn ontzettend zacht. Er zit wel een kevlarstrook in, maar die helpt volgens hen niet zoveel. Toch gaat het fietsen hen, volgens eigen zeggen, makkelijk af. Ik kom er eerlijk voor uit dat wij het juist erg zwaar vinden en dat ons maximum op een grindweg 120 kilometer is. Catherine zegt: ‘Oh nou, dat hebben wij ook wel gedaan’. Ik vertel er dan pas bij dat onze 120 kilometer met wind in de rug was en dat de weg vals plat naar beneden liep. Toch blijft Catherine beweren dat het fietsen een makkie is. Wat al veel verklaart is dat ze vaak hebben gelift. Meestal bleek het geen probleem te zijn een lift te vinden, behalve dan die ene keer dat ze ruim acht uur moesten wachten. Dat betrof het zware stuk van Hentiesbaai naar Uis Mijn.
Paolo en Catherine fietsen ook ’s avonds en ’s nachts. Dat lijkt ons raar, omdat je in het maanlicht moeilijk keien en kuilen kunt zien. Bovendien is het overdag nou ook weer niet zó heet. Het is interessant om te horen wat er allemaal is mis gegaan: een gebroken low-rider-beugel, gesprongen spaken en een gescheurd zadel. Mijn gevoelens zijn tweeledig. Aan de ene kant denk ik ‘wat stom’. Aan de andere kant: het is hun eerste fietstocht en dan moet je nog veel leren, waar je achteraf om kunt lachen.
Op dat moment komt iemand ons waarschuwen dat er een moederneushoorn met haar jong bij de poel zijn. Eigenlijk is het een zeldzaamheid dat je veel neushoorns te zien krijgt. In veel Afrikaanse landen zijn ze nagenoeg uitgestorven. Laat staan dat je een moeder met kroost ziet. De olifant met zijn twee-uurs contract is ook weer op komen draven en er komen zowaar nog twee andere neushoorns aanlopen. Dat ze slechte ogen hebben, blijkt wanneer ze tergend langzaam naar elkaar toe lopen, tot ze hoorn aan hoorn staan. Na wat gesnuffel draaien ze zich weer om en lopen weg. Het reukvermogen van een neushoorn is veel beter dan zijn zicht. Valt eentje je aan, dan kun je dus het beste blijven staan of je achter een struik verstoppen. De kans is groot dat de neushoorn je dan niet als een levend wezen zal herkennen en je negeert. Je moet natuurlijk wel uit de wind gaan staan.
Als we het met Catherine en Paolo over autorijden hebben, blijken ook zij te hebben ervaren dat dat in Namibië erg vermoeiend is. Je wordt de hele dag passief door elkaar geschud en hebt last van naar binnen waaiend stof. Ook zij vinden fietsen een goede manier om een land te leren kennen. Marijke en ik zijn het erover eens dat een game-drive door Etosha wel mooi is, maar dat het goedkoper is om vanuit bijvoorbeeld Outjo of Windhoek een lift naar een van de kampen te versieren en daar de dieren bij de poel te bezichtigen. Deze mening wordt gestaafd door het feit dat we de meest bijzondere dieren hier in het kamp hebben gezien.

Peter is al erg vroeg actief. Nog voordat we zijn opgestaan, is hij al druk in de weer. In ieder geval staat het ontbijt al klaar. Terwijl we de eerste happen brood naar binnen werken, begint hij met het afbreken van de tent. Ik zeg: ‘Peter jongen, doe eens rustig aan, of moet je voor twaalven in Windhoek zijn? Kom er lekker bij zitten, we hebben nog de hele dag.’ Peter geeft gehoor aan mijn verzoek. Hij is door het leuke contact met Catherine en Paolo enthousiast geworden en praat tijdens het ontbijt aan één stuk door over zijn grootse fietsplannen.

Daarna breng ik Catherine en Paolo nog even een bezoek. Ze hebben gisteren niet de moeite genomen om de tent op te zetten en zitten op de grond met al hun kampeerspullen verspreid om zich heen; het is een grote bende. Een paar jakhalzen hebben vannacht geprobeerd de tent mee te nemen, die is nu aan flarden gescheurd. Eentje is er met Catherines schoenen aan de haal gegaan. Lastig fietsen lijkt mij. Ze hebben het hele terrein afgezocht en slechts een half afgekloven schoen teruggevonden; de ander is spoorloos verdwenen. Volgens een voorbijlopende wildwachter gebeurt dit bijna altijd als toeristen hun schoenen buiten laten liggen. Hij vertelt dat ergens in Etosha een enorme berg schoeisel moet liggen. In Thailand hebben wij ook eens een ‘schoenen-fout’ gemaakt. Marijke trok ’s ochtends haar schoenen aan, die gelukkig de hele nacht buiten hadden staan luchten. In eerste instantie dacht ze dat haar rechtervoet was opgezet of dat de schoen gekrompen was, maar na inspectie bleek er een pad in te zitten. Dan komt het busje aanrijden; Peter kon zijn ongeduld niet langer bedwingen. Het is acht uur; de hoogste tijd om te vertrekken. We nemen afscheid van Catherine en Paolo. De Etosha-tour zit erop. Hiermee vergeleken is een dierentuin een lachertje.

In Outjo eten we appeltaart in een ‘Konditorei’ en rijden dan in één keer door naar Okahandja. Peter praat weer honderduit over zijn aanstaande fietstocht. Hij vraagt waar hij allemaal op moet letten bij het kopen van een fiets. Als het aan hem lag zou hij meteen vertrekken. Zelfs de route zit al in zijn hoofd: van Kaapstad naar Malawi.
Na een paar uur in de auto valt het ons wederom zwaar. Marijke kan zich niet voorstellen dat ze ooit een georganiseerde reis zal boeken. Als haringen in blik zit je in de auto en je kijkt alleen maar, terwijl bij fietsen alle zintuigen aan bod komen. Je bent je intens van de omgeving bewust en voelt je veel voldaner. Dat het in Namibië zwaar fietsen is, nemen we dan maar voor lief. Toch zijn we blij het stuk naar Okahandja niet per fiets te hoeven afleggen: het is erg eentonig. Links en rechts van de weg liggen grote percelen land met doornbomen. Kilometer na kilometer staan er – parallel aan de weg – hekken!

Ik maak een ontnuchterende opmerking tegen Marijke: ‘Over een week hebben we alweer de eerste werkdag achter de rug.’ Zo zit je in het zuiden van Afrika en zo ben je weer aan het werk. Aan het idee weer in het gareel te moeten lopen, kan vooral Marijke nog niet wennen; sterker nog: ze wil er niets van weten.
Bij het binnenrijden van Okahandja zien we de markt waar we ons al weken op verheugen. Ja hoor, daar staan die leuke giraffes van hout met hun lange nekken. Vooral Marijke is verrukt. ‘Eric, er staat er zelfs een van wel drie meter lang!’, roept ze opgetogen. ‘Denk je niet dat die een klein beetje te lang is?’, kan ik niet nalaten te zeggen. Ze staat te popelen om te gaan kijken, maar eerst moeten we een onderkomen zien te vinden. Marijke informeert bij de Tourist Information, maar daar laat een vrouw weten dat er in Okahandja geen hotel is. Het dichtstbijzijnde is in Gross Barmen, zo’n 25 kilometer verderop. Als Marijke teleurgesteld terugkomt, schiet Peter haar te hulp. Hij loopt naar binnen en stelt dezelfde vraag. Nu schijnt er opeens wel iets te zijn. Bij een paardenclub langs de hoofdweg verhuren ze soms een kamer voor een nacht aan doorreizende toeristen. Vermoedelijk krijgt de dame van de Tourist Information provisie als ze klanten doorstuurt naar het hotel in Gross Barmen. Zo stond men in Windhoek ook niet te popelen om ons naar de Cardboard Box te verwijzen.
De paardenclub lijkt in eerste instantie meer op een parenclub: in een bar hangen allemaal blanke mannen en vrouwen rond die ons bevreemd aankijken. Maar op de eerste verdieping is een tweepersoonskamer die we voor een nacht mogen betrekken.

Okahandja is de hoofdstad van de Herero-stam. Peter vertelt dat de Duitsers eind negentiende eeuw de Herero’s steeds vaker van hun land verdreven. Logisch gevolg was dat ze in opstand kwamen en Duitse nederzettingen aanvielen. De Duitse generaal Lothar Von Trotha gaf in 1904 het bevel ervoor te zorgen dat de Herero’s de Duitsers nooit meer lastig zouden vallen. Hij vatte dat serieus op, getuige zijn bevel: ‘De Herero’s moeten het land verlaten. Iedere Herero die zich binnen de Duitse grenzen ophoudt, met of zonder geweer, met of zonder vee, zal worden doodgeschoten.’ Door toedoen van de generaal zijn er tienduizenden over de kling gejaagd en nog eens tienduizenden richting Botswana gedreven, dwars door de Kalahari-woestijn. Slechts enkelen overleefden de zware tocht; de meesten kwamen om van dorst of honger. Negenduizend mannen, vrouwen en kinderen heeft hij gevangen laten nemen. Wat er van hen is geworden is een raadsel. De Duitsers hebben niet lang van hun overwinningsroes kunnen genieten, want dertig jaar na het veroveren van Namibië zijn ze verdreven door het leger van Zuid-Afrika.
De Duitse eigenaar van de paardenclub komt even de fietsen bewonderen en wenkt een Herero-man dichterbij te komen. ‘Deze zwarte zal jullie spullen wel naar de kamer brengen’, en hij sommeert de knecht de spullen op te pakken. Voordat Peter wegrijdt, geeft hij ons twee evaluatieformulieren en vraagt die even snel in te vullen. Omdat we hem toch nog zien in Windhoek – we hebben onze tent en de slaapzakken aan hem meegegeven -, zeggen we dat we hem de papieren daar wel zullen geven. Als het busje wegrijdt, praten we even na over Peter. Hij doet zijn best als reisleider, maar hij is misschien te jong. In ieder geval is zijn kennis over dieren en het land nog niet groot genoeg. Achtergrondinformatie die hij ons vaak schuldig bleef, konden we soms wel in de Lonely Planet gids vinden, en dat is geen diepgravend boekwerk. Peter had trouwens veel meer gebruik kunnen maken van het Tourist Office in Okaukuejo. Bij de receptie lag een groot boek met informatie over waar welk beest het laatst gezien was en welke waterbronnen in deze tijd van het jaar droog staan.
Na een verfrissende douche gaan we naar de markt. Van te voren spreken we af niet te snel te laten blijken welke houten giraffen we mooi vinden omdat de prijs dan misschien wordt opgedreven. Aan de ene kant van de weg is een veld waar de ambachtslieden verwoed bezig zijn om het hout in allerlei vormen te snijden en te hakken. Hierachter wonen ze in houten krotten. We schrikken van de armoede. Hun kleding bestaat vaak uit niet meer dan lompen en als je de houtwerkers in de ogen kijkt, zie je dat ze geel zijn: van het vitamine-gebrek. Aan de andere kant van de weg staat alles uitgestald. Ik vraag een verkoper of hij een houten koringkriek heeft, want voor mij is dat het meest karakteristieke beest van het land. De verkoper schudt meewarig het hoofd. Welke toerist wil er nou een houten koringkriek? Dit insect wordt totaal niet geassocieerd met Namibië. De rugzaktoeristen die we tegen zijn gekomen, wisten niet eens waar we het over hadden. Op de markt staan verschillende houtsnijwerken: hardhouten mannetjes en vrouwtjes, donker gelakte stoeltjes, Afrikaanse trommels met dierenvellen en allerlei mogelijke dieren in alle soorten en maten. Maar we oriënteren ons alleen op de giraffen. Sommige exemplaren zijn zo reusachtig dat we ze onmogelijk in het vliegtuig kunnen meenemen, andere zijn ons te pietepeuterig. We kijken een tijdje rond en overleggen dan. Tussen de tientallen beelden stonden twee giraffen die we allebei het mooist vonden. ‘Zijn ze niet te groot voor in het vliegtuig?’, vraagt Marijke zich af, maar volgens Footprints mogen ze als handbagage mee. We kopen er uiteindelijk twee. De een is net zo lang als Marijke, een meter zeventig, de ander twintig centimeter korter. Eerst vragen we hoeveel de kleinste kost; 200 Namibische dollar. Uit gewoonte vraag ik netjes naar de laagste prijs, iets dat ik zelfs in Nederland wel eens doe. De verkoper stelt die vast op 130. De grote kost 250 Namibische dollar, maar voor 150 mogen we hem meenemen. Normaal gesproken zou ik gevraagd hebben wat de prijs voor beide wordt. Als je er twee koopt kun je meestal wel een betere prijs bedingen. Maar getroffen door de woonomstandigheden en de armoede laat ik het maar achterwege. Die 280 Namibische dollar hebben we er graag voor over en we gunnen de mensen hun geld. Wat is nou 110 gulden voor twee mooie houtsnijwerken? Verguld lopen we met de giraffen onder de armen naar ons onderkomen. Hoe moeten ze in godsnaam op de fiets mee? Zullen we ze op onze ruggen binden, als rugzakken? Nee, het is beter om ze rechtop in de achter- of de low-rider-tassen te zetten. De definitieve oplossing bedenken we de volgende ochtend.
Okanhandja is verder niet zo bijzonder; op de fiets heb je het binnen een half uur wel gezien. Slechts één keer per jaar is er een festival. Dan vereren de Herero’s hun voorvaderen, van wie de bekendste hier liggen begraven. Er komen dan honderden Herero-vrouwen naar Okahandja, gekleed in felgekleurde jurken en brede hoeden.

De volgende ochtend staan de giraffen fier rechtop in mijn low-rider-tassen; de poten, romp en lange nek in vuilniszakken gewikkeld. De nekken zijn met plakband vastgemaakt aan de bar-ends. Krom van het lachen fiets ik de eerste meters. Links en rechts van mijn hoofd kijken de twee beestjes mij parmantig aan. Het eerste kwartier verdwijnt de grijns niet van mijn gezicht. Het sturen gaat iets zwaarder dan anders, maar de giraffen zitten absoluut niet in de weg. Zekerheidshalve laat ik wat lucht uit mijn voorband ontsnappen om de hobbels wat beter te kunnen opvangen. We zijn allang blij dat we over asfalt rijden. Passerende automobilisten zien ook de humor van mijn vrolijk bepakte fiets en toeteren om ons aan te moedigen.
Even buiten Okahandja is nog een andere markt. Ook hier is armoede troef. Achter de markt, waar de ambachtslieden wonen, staan tientallen lappententjes. De mannen en vrouwen stoten elkaar grinnikend aan als ze ons zien. Hier geen houten giraffen, wel andere leuke beesten: een reusachtig houten nijlpaard bijvoorbeeld, dat amper is op te tillen en onmogelijk op de fiets mee kan. Een kleinere met een minibar in zijn buik is te kitscherig. Marijke is gecharmeerd van een anderhalve meter lange houten krokodil die er vervaarlijk uitziet en in grappige tinten is beschilderd. Ze bekijkt hem wel twintig keer, maar twijfelt. Ze blijft er maar omheen draaien en vraagt voorzichtig de prijs. Daarna blijft ze nog even rondkeutelen. Wanneer ik haar eraan herinner dat Windhoek nog 85 kilometer fietsen is, bewondert ze hem nog even en dan vertrekken we.
De eerste twee kilometer fietsen we zwijgend door, tot Marijke de stilte verbreekt: ‘Hij was toch wel leuk, vond je niet Eric?’ ‘Ja hartstikke, jammer alleen dat je twijfelt’, zeg ik. ‘Maar zou hij niet veel te zwaar en te groot zijn voor mijn fiets. Hoe moet ik hem meenemen?’, vraagt ze vertwijfeld. Op dat moment passeren we een bord: ‘Windhoek 68 kilometer’. Dat is zo’n vijftien kilometer minder dan verwacht – aanleiding voor Marijke onmiddellijk om te draaien. Op de markt bekijken we de krokodil opnieuw. De verkoper vraagt 130 Namibische dollar en ik kijk Marijke even aan. Hij zakt meteen naar 110 dollar, waarop ze snel zegt dat het in orde is; stel je eens voor dat de arme man het idee krijgt dat hij nog meer moet dalen met zijn prijs. 45 gulden voor zo’n leuk beest is geen geld. We proberen eerst of hij achterop Marijkes fiets past. De staart steekt een halve meter uit, maar dat is gewoon een kwestie van goed links blijven rijden. We wikkelen hem in twee vuilniszakken, zetten hem dwars op de achtertassen en binden hem vast met twee riemen.
Marijke gaat voorop, gevolgd door de krok, twee giraffes en mijzelf. De tranen biggelen over onze wangen van het lachen. De auto’s die voorbij rijden weten waarschijnlijk ook niet wat hen overkomt. Welke fietsers zijn er zo gek om van die immens grote souvenirs mee te nemen?
Op het gladde asfalt vorderen we snel. Het is een drukke weg; er rijden wel vijftig auto’s per uur! Voordat we er erg in hebben zijn we in Windhoek. Voor ons is de nieuwigheid van onze bepakking er al vanaf, maar de mensen in Windhoek fluiten en toeteren ons na. Zonder verdere problemen komen we weer bij de vertrouwde Cardboard Box. Aan het begin van de vakantie waren er alleen bedden in een slaapzaaltje vrij, nu krijgen we een tweepersoonskamer. Peter komen we ook weer tegen: in een garage bij het pand houdt Footprints kantoor. We nemen de tent en slaapzakken in ontvangst en babbelen wat na.

Na enen halen we in een supermarkt verse broodjes, die we buiten op het terras lekker rustig opeten. Het lijkt wel als de dag van gisteren dat we uit Windhoek vertrokken. Meteen werden we geconfronteerd met de koringkrieken, waarvan ik dacht dat het spinnen waren. Hoewel we intussen een groot deel van het land hebben gezien, is een nog veel groter deel ons nog steeds onbekend. Dat is jammer aan Namibië; de onmogelijkheid om het hele land in vier weken per fiets te kunnen zien. Vooral het noorden en de Caprivi-strip met de Okavango- en de Sambesi-rivier moeten erg mooi zijn. Het noorden is echter zeer zwaar om te bereizen. Zelfs Faure en Marleen zijn daar ‘in colonne’ op vakantie geweest. De wegen zijn voor een terreinauto eigenlijk al te slecht, laat staan voor fietsen. Tegen onze verwachting in hebben we maar weinig contact gehad met de autochtone bevolking. Een groot deel daarvan is ex-Zuid-Afrikaan of van Duitse komaf; er schijnen hier ook ex-nazi’s te zitten.

Henriëtte, een Nederlands meisje dat een rondreis per auto heeft gemaakt, komt bij ons zitten. Ook zij vindt Namibië erg blank. Als grapje trek ik een vergelijking met Nederland: ‘Zoals Amsterdammers wel eens denken: Wat zijn hier veel buitenlanders!, zo moeten de zwarte Namibiërs volgens mij denken: ‘Wat zijn hier veel blanken!’ Zowel de genaturaliseerde ‘buitenlanders’ als de Namibische blanken hebben echter evenveel recht om in dat land aanwezig te zijn.’

De Cardboard Box heeft een keuken die door iedereen gebruikt mag worden. De smerige koelkast staat vol spullen waarop namen zijn geschreven. Er is ook een wasmachine waar apart voor moet worden betaald. Dat het met de discipline soms mis gaat, blijkt wel uit de papiertjes die Aulden, de eigenaar, heeft opgehangen. Boven het aanrecht: ‘Alles wat je gebruikt hebt, moet je ook afwassen en opruimen. En daarmee bedoelen we géén condooms.’ Omdat de mensen blijkbaar wel hun spullen afwassen maar niet opruimen, hangt boven de overvolle afwasrek een blaadje met: ‘… Iets op het afdruiprek neerzetten is geen opruimen!’ Aulden, die zelf in een kamer in de bungalow woont, heeft als regel dat je hem altijd mag storen, behalve tussen elf uur ’s avonds en half acht ’s ochtends. Vroege vertrekkers die hun spullen bij hem in bewaring hebben gegeven, moeten die de avond voor hun vertrek weer bij hem ophalen. Toen Aulden toch een keer om zes uur werd gewekt, verwoordde hij zijn irritatie op een papiertje: ‘Zelfs al heb je geheugenverlies, ben je een sukkel, kun je niet lezen, of ben je geveld door het Ebola-virus, dat is nog geen reden om de tijden te negeren: dit kan ontaarden in een actie van gewelddadigheid!’ Reizigers die hier een tijdje willen blijven, mogen – als ze een paar uur per dag de bar runnen – gratis in de slaapzaal slapen. En wie ’s avonds de bar draaiende houdt, krijgt ook gratis drank. Vandaag is het betaaldag en loopt Aulden bij alle gasten langs om de nog openstaande bar-rekeningen te vereffenen, anders kunnen er geen inkopen worden gedaan. Sommige lowbudget reizigers hebben in een paar dagen negentig gulden ‘verdronken’. In de badkamer hangt, boven een groot ligbad, een papiertje: ‘Je moet zuinig zijn met water, Windhoek ligt midden in de woestijn. Het is economisch om met zijn tweeën te douchen.’ Iemand heeft eronder geschreven: ‘… en orale sex te hebben!’ Er zijn hier twee groepen toeristen: de ene groep zit ontspannen in de huiskamer een boek te lezen. De andere zit aan de bar en kijkt naar de wereldkampioenschappen rugby of luistert naar harde muziek. We horen het melodietje dat ook in Swakopmund werd gedraaid. Nu pas komen we er achter dat het gaat om de nieuwste cd van Nirvana met de onlangs overleden Kurt Cobain. Unplugged, vandaar het akoestische tintje.

We gaan de stad in om nog wat souvenirtjes te kopen voor familie en kennissen. Houtsnijwerkjes, zo blijkt nu, kun je toch het beste in Okahandja kopen: ze zijn er goedkoper en de keuze is er groter. Maar de zittende zebra’s en olifantjes die we zo leuk vinden, hadden ze er niet. Het onderhandelen levert problemen op: de vrouw die ons helpt, zegt geen goede prijs te kunnen berekenen omdat ze hier voor een vriend staat. Toch pakt ze een grote rekenmachine en begint driftig te rekenen. De zitbeestjes kosten dertig dollar per stuk maar als we er vijf kopen hoeven we slechts 25 Namibische dollar per stuk te betalen, dus in totaal 125 dollar. Dan zien we er nòg een die we willen hebben. De vrouw slaakt een diepe zucht en begint opnieuw te rekenen. Nu komt ze uit op een totaalprijs van 162 dollar, dus 27 dollar per stuk. We snappen er niets van. Ze verklaart dat als we er zes kopen er een andere ‘formule’ wordt gehanteerd. Ik leg haar uit dat als je er vijf verkoopt voor 25 dollar, je de zesde ook best voor 25 kan verkopen. Ze geeft geen millimeter toe. ‘Goed dan,’ zeg ik, ‘dan nemen we er vijf voor 125 dollar en de zesde voor 30 dollar, dus totaal is dat dan 155 Namibische dollar.’ Ik moet het vier keer uitleggen voordat ze het snapt. Als Marijke wil betalen, neemt het meisje het geld niet aan. Ze wil eerst opnieuw de prijs berekenen. Als een waanzinnige begint ze weer allerlei getallen in te toetsen en komt dan, erg knap, op een ‘special and last price’ uit van 28 dollar per stuk. We snappen er nu helemaal de ballen van, bedanken haar voor de moeite en kopen de zitbeestjes ergens anders.

Om onze behouden aankomst in Windhoek te vieren, nemen we een drankje op een terras en observeren de voorbijgangers; zwart en blank lopen door elkaar en zijn doorgaans zeer netjes gekleed. Af en toe wandelt een Herero-vrouw langs of een afstammeling van de San. We herkennen nu meteen de Ovambo-mannen die vaak in groepjes lopen. Na al die weken met weinig verkeer en mensen vinden we Windhoek maar wat druk. De stad is niet representatief voor de rest van het land.
Vlakbij staat de Christuskirche, een sprookjesachtige kerk. Hier in de buurt moet ook het Tintenpalast staan, oftewel het inkt-paleis. We lopen om een donker parlementsgebouw heen en zoeken in de buurt van de Alte Feste, een oud Duits fort. Na bijna anderhalf uur geven we het op. Het Tintenpalast staat niet op de plaats waar het volgens de kaart moet staan. Wel passeren we een aantal schoolgebouwen waarvoor een groot bord staat: ‘hoerskool’. Ik vind het wel grappig; een school voor prostituees. Maar volgens Marijke laten ze in het Afrikaans de ‘g’ weg en is het gewoon een hogere school.
Omdat het Tintenpalast ons toch blijft bezighouden, rijden we in de namiddag per fiets naar de omgeving van de Christuskirche. Dan blijkt dat het parlementsgebouw het Tintenpalast wordt genoemd. Vreemd, want het is een grauw hoekig gebouw, dat in de verste verte niet op een paleis lijkt. Zou het door de zware fietsdagen komen dat we niet zo helder zijn? Het wordt tijd voor vakantie.
Enige zware spullen sturen we per post naar Nederland om overgewicht in het vliegtuig te voorkomen; al met al scheelt het tien kilo. Daarna willen we nog naar een kunsthandel, maar die kunnen we ook al niet vinden. In een grote ijzerwarenzaak waar ze goede fietsen verkopen, wil ik een lange inbussleutel kopen waarmee in mijn stuur kan losdraaien, zodat ik straks mijn fiets in een doos kan verpakken. Van de sleutel die ik zoek, hebben ze maar één exemplaar: in de werkplaats. Ze zetten de stuurpen een tikje losser; nu kan ik èn veilig fietsen èn straks zonder al te grote krachtsinspanning mijn stuur een kwartslag draaien. Vol bewondering bekijkt de manager de Trek-fietsen. In Namibië en Zuid-Afrika is het erg moeilijk om aan dit merk te komen en hij vraagt, bijna smekend, of hij ze mag overnemen. We zijn gevleid. Terwijl we nog wat verder door Windhoek rondrijden, komen we stom toevallig toch bij de gezochte kunsthandel. Wat blijkt: de straat heeft twee verschillende namen!

Na zonsondergang valt ons weer op hoe onveilig Windhoek oogt. De stad is uitgestorven. Gebouwen van drie verdiepingen hebben zelfs op de hoogste etage tralies voor de vensters. Alle woonerven zijn ommuurd en afgesloten met hoge hekken. Wanneer je nietsvermoedend een villa passeert, krijg je bijna een hartverlamming van de woest aanstormende hond, die de taak heeft huis en haard met zijn leven te verdedigen. Vanuit de schaduw springt hij kwijlend en hard blaffend tegen het hek. Soms wil het helpen als je ‘vertrek’ brult, maar meestal is het vergeefse moeite. Op sommige plaatsen is het blijkbaar wel eens misgegaan gezien de provisorisch verhoogde hekken. Ook de Cardboard Box is beveiligd. Om binnen te komen moeten we twee sloten opendraaien. Verder zijn de meeste ramen van tralies voorzien, en is er een nachtwaker. Gelukkig zijn de twee grote waakhonden hier zo mak als lammetjes.

Al in Twijfelfontein hadden we met Marleen en Faure afgesproken dat ze ons vanavond zouden oppikken in de Cardboard Box. Klokslag zeven uur zijn ze er. Met hun auto gaan we naar een restaurant dat ze kennen, buiten het centrum van Windhoek. We praten bij over de laatste dagen van onze tocht en ons naderend vertrek. Faure en Marleen kennen Amsterdam uit verhalen. Ze zijn aanhangers van de Nederlands Gereformeerde kerk en hun predikant is ooit in Amsterdam geweest. De man was zwaar geschokt toen hij op de walletjes door een hoer naar binnen werd getrokken. Welke predikant loopt er nou in die buurt rond?! Tijdens het eten biedt Faure aan ons morgen naar het vliegveld te brengen. Op voorwaarde dat ze ons laten betalen voor het eten gaan we ermee akkoord.
Na het eten gaan we naar hun huis, een kleine eengezinswoning in een nieuwe buitenwijk van Windhoek. De wijk heeft wel iets weg van een fort: voor alle ramen zitten dikke tralies en de tuintjes zijn afgeschermd door hoge muren. Binnen ziet het er – door de tweedehands meubeltjes – uit als een studentenhuis. Ze hebben geen televisie, alleen een oude radio; zou dat door hun geloof komen? In een zijkamertje hangt een kaart van het zuidelijk deel van Afrika. Enthousiast vertelt Faure waar ze volgend jaar naar toe gaan en wij benijden hen erom. Het moet geweldig zijn om hier te wonen. Met een goede auto kun je in de weekeinden prachtige tochten maken en in de vakantie naar landen rijden als Zuid-Afrika, Botswana of Zambia. Faure is op zijn beurt jaloers dat wij in zo’n groot cultuurgebied als Europa wonen. Op de doorgezakte bank gezeten laten ze dia’s zien van een tocht door Kaoko-land in het noorden van Namibië. Een terreinauto met vierwielaandrijving is daar een absolute must, dat blijkt wel uit de dia’s. Bovendien zijn ze in een escorte van drie auto’s gegaan. Kom je vast te zitten op een van de zeer slechte wegen, dan heb je beslist hulp nodig. Pas op hun laatste reis zijn ze voor het eerst in hun leven in aanraking gekomen met traditioneel levende zwarte volken. Ongelooflijk!

Terug in de Cardboard Box, prijkt boven de bar een mededeling in Auldens handschrift: ‘Omdat wij vanavond een kroegentocht gaan houden is de bar gesloten.’ De volgende ochtend komen de stappers met een kater uit hun bed. Tijdens het ontbijt horen we alle sterke verhalen aan. Vandaag zijn de halve finales van de wereldkampioenschappen rugby. Aulden heeft een boodschap opgehangen: als Andrews van de Engelse ploeg als eerste tegen de bal schopt, dan zakt de prijs voor een flesje bier naar twee dollar, bij de eerste ‘try’ wordt de prijs 1,50 en als Zuid-Afrika wint, is er gratis whisky voor iedereen.
Het is tijd om alle spullen in te pakken en de fietsen te demonteren. Met breed plakband fabriceren we een handvat voor de in vuilniszakken gewikkelde giraffen. Ook de krokodil krijgt een handvat. Faure en Marleen halen ons om vier uur op. Lekker luxe, nu hebben we geen dure taxi nodig; die had waarschijnlijk niet eens alles in een keer kunnen meenemen.
Nadat alles is ingeladen rijden we de 45 kilometer naar Windhoek Airport. Voor de laatste keer nemen we de karakteristieke trekken van het land in ons op en realiseren ons hoe onwennig we vijf weken geleden tegen het land aankeken. We hadden toen absoluut niet verwacht dat het zo’n zware tocht zou worden. ‘Mijn wraak zal zoet zijn’, plaag ik Marijke. Namibië was per slot van rekening haar keuze. ‘Volgend jaar kies ik onze vakantiebestemming uit, en reken maar dat je dat nog lang zal heugen!’ Op het vliegveld ga ik eerst achter de dozen aan die we hier vijf weken geleden hebben achtergelaten. Ik heb toen de naam van de vrouw opgeschreven die ze heeft aangenomen. Gelukkig werkt ze vandaag. Ze herinnert zich mij nog goed en wijst me waar de dozen staan. Warempel, dat had ik helemaal niet verwacht. Alhoewel we niets hoeven te betalen, geef ik haar acht gulden als dank voor de goede service. In de ene fietsdoos gaat de zwaarste fiets en nog wat kleine zware spullen, de andere maken we zo licht mogelijk. Meestal wegen ze maar een doos in de veronderstelling dat de tweede net zo zwaar is. Ook nu is dat het geval. Na het inchecken nemen we hartelijk afscheid van Faure en Marleen en bedanken ze voor al hun goede zorgen.
Als we onze boarding-pasjes laten zien en de balie voorbij willen lopen, sommeert een vrouw ons te stoppen. ‘Dis nie moontlik die houtdiere saam te neem in die vliegtuig nie. Hulle is te groot. Dis nie toegestaan nie’, zegt ze met een autoritaire houding waarvan mijn nekharen overeind gaan staan. In het nauw gedreven lieg ik dat ik in Windhoek met iemand van Air Namibia heb gebeld die ons toestemming heeft gegeven. De dame zal wel door de wol geverfd zijn want ze laat zich niet om de tuin leiden. Jammeren, smeken, dreigen, klagen: niets helpt. Het machtsvertoon maakt Marijke zo woedend dat ze op het punt staat de vrouw in het kroeshaar te vliegen. Ik sis Marijke toe dat ze beter vijf stappen naar achteren kan doen, omdat ruzie maken alleen maar averechts werkt. Marleen en Faure kijken verbaasd toe. Ik vraag of ik haar leidinggevende mag spreken. Jammer, zij ís de desk-manager zodat er even een patstelling ontstaat. Dan zegt de vrouw gebiedend: ‘Daar ’s net twee maniere: of u los hulle hier of u check hulle in sodat hulle in die laairuim geset kan word.’ ‘Is het mogelijk dat ik de gezagvoerder van het vliegtuig te spreken krijg’, vraag ik in de wetenschap dat hij nog de enige is die ons kan helpen. Om haar duidelijk te maken dat dit onze laatste poging is, zeg ik toe dat wat zijn advies ook moge zijn, wij ons daarbij zullen neerleggen. De gezagvoerder heeft geen tijd, maar stuurt de manager van het vliegveld. Hij stelt zich keurig voor en vraagt wat de problemen zijn. Ook hij geeft geen millimeter toe, maar gaat wel diplomatieker met de situatie om; dat scheelt in ons gevoel van eigenwaarde. ‘Meenemen als handbagage is volgens de internationale richtlijnen verboden. Ik raad u aan ze goed in te pakken, ze in te checken en dan zal ik er persoonlijk voor zorgdragen dat ze met de hand naar het vliegtuig worden gedragen. Daar zullen ze op de plaats worden neergelegd waar we meestal de kostbaarheden bewaren.’ Hij neemt zelfs de moeite om het vliegtuig uit te tekenen en aan te geven waar die bergruimte precies is. Het vliegtuig vertrekt over een half uur, zodat we alleen nog maar kans zien om een paar extra vuilniszakken om de dieren heen te wikkelen en er veel ‘fragile’-stickers op te plakken. Ze worden echter alleen geaccepteerd als we onze handtekening zetten op Bagage Identificatie Labels. Hierop staat dat de vervoerder niet aansprakelijk is voor enige vorm van schade aan goederen die breekbaar zijn en onvoldoende zijn ingepakt. We zijn woest, maar staan met de rug tegen de muur. De labels zijn een vrijgeleide voor luchtvaartmaatschappijen om dit soort spullen te behandelen zoals het hen uitkomt. Vooral bij het overhevelen van bagage op vliegvelden zal door de grote werkdruk al snel met goederen worden gesmeten. Mochten de giraffes in duizend-en-een stukjes op Schiphol aankomen omdat er overduidelijk mee is gegooid, zelfs dan is de vervoerder niet aansprakelijk! Faure en Marleen proberen ons wat op te monteren. We geven hen een laatste zoen en rennen dan snel naar het vliegtuig.
De opgebouwde spanning ontlaad ik – zoals wel vaker in dit soort situaties – door grappen te maken. In een plastic zakje zitten allerlei spulletjes zoals nachtsokken, een maskertje om het licht tegen te houden en een hoofdtelefoon. Melig doe ik de donkerblauwe sokken om mijn oren en zet het maskertje op mijn voorhoofd. Marijke ligt krom van het lachen, ik kom zelf ook niet meer bij. De andere passagiers denken er het hunne van.

‘Loek, kijk eens, daar staat Marijke’, zegt mijn moeder op Schiphol. Marijke staat naast drie verfomfaaide vuilniszakken, terwijl de tranen over haar wangen biggelen; het zijn niet bepaald krokodilletranen. Mijn ouders staan achter de ruit en snappen niet wat er gebeurd is. Ook ik voel me verdrietig, maar woede overheerst. Ik meld me direct bij Ogden, het bedrijf dat schadegevallen afhandelt en leg uit dat drie stuks goederen zwaar beschadigd zijn. De manier waarop hij me behandelt doet mijn bloed koken. Volgens hem is Ogden hiervoor niet aansprakelijk omdat we het Bagage Identificatie Label hebben getekend, zodat Air Namibia, British Midland en dus ook Ogden gevrijwaard zijn van iedere vorm van schade. De dieren zijn onherkenbaar. ‘De giraffen zijn op twintig plaatsen gebroken en van de krokodil mist een stuk van de staart’, roep ik wanhopig uit. Er wordt hardnekkig geweigerd een schaderapport in te vullen, zodat we geen bewijs van de schade hebben. Na twee minuten loopt hij onder het mom van een afspraak zonder pardon weg. Ik heb de neiging om de boel kort en klein te slaan, maar in plaats daarvan loop ik terug naar Marijke die wezenloos op de grond zit. In de aankomsthal vertellen we mijn ouders wat er gebeurd is. Daarna lopen we naar de incheckbalie van British Midland en vertellen het nogmaals aan een grondstewardess. Ze neemt telefonisch contact op met haar manager die ook al zegt niets te kunnen doen. Uit woede en frustratie maak ik een hoop stennis en een paar foto’s van de British Midland balie. Met betraande ogen snelt de grondstewardess naar haar chef die even later boos op ons af loopt. Een boze chef en twee boze klanten vormen een goede reden voor de manager van British Midland om zich er persoonlijk mee te bemoeien. ‘Er is een potje waaruit discutabele schadegevallen vergoed kunnen worden’, zo verklaart hij. Bij het zien van de gebroken giraffenekken en poten, beaamt hij dat ze zeer zeker ruw behandeld zijn. Hij geeft zijn kaartje en adviseert ons een klachtenbrief te schrijven. Daarmee is de kous af.

Na urenlang puzzelen, lijmen, plakken, schuren en polijsten heb ik bijna alle ledematen van de giraffes nagenoeg onzichtbaar gerepareerd. De krokodil had nog Afrikaanse vriendjes meegenomen: termieten. Ik hoop dat ik ze allemaal te pakken heb gekregen…

Deel deze pagina met anderen