Patagonië (Chili en Argentinië)

In november en december maakten Carla en ik een reis door Patagonië; van Coyhaique tot Ushuaia, de meest zuidelijke stad van Zuid-Amerika. Hieronder staat ons verslag en een filmpje.

Het jaar daarvoor fietsen we door Chili; vanaf Santiago naar het zuidelijker gelegen Coyhaique. Ook daarover hebben wij een verslag geschreven.

———————————————————————

———————————————————————

Film en wind

Ik heb er nooit zo’n erg in waar de wind vandaan komt. Ik duw m’n kop naar beneden en trap stevig door. Carla had mij al voor Patagonië gewaarschuwd: “Daar kom je wel te weten hoe hard de wind kan zijn.”
“Zolang het een windje in de rug is, dan vind ik het niet erg.”

De eerste twee fietsdagen over de Carretera Austral vallen wat de wind betreft reuze mee. Wat zwaar valt, dat is het gewicht. Behalve een flinke hoeveelheid voedsel, hebben we videoapparatuur meegenomen. Ik vind namelijk dat het eens tijd wordt voor een reisprogramma voor vakantiefietsers. Om te kijken of het ons lukt een leuke documentaire te maken, hebben wij cursussen gevolgd, analytisch naar reisprogramma’s gekeken en ik heb het format voor ons programma vastgelegd. Ik ken wel andere gewaardeerde vakantiefietsers die een camcorder meenemen, maar behalve de filmpjes van Hans en Dennis waren ze meestal van een belazerde kwaliteit. Met mijn technische achtergrond en aanpak en met Carla’s gevoel voor compositie en enthousiasme moet dat beter kunnen.
Maar het is een experiment, dus het mag mislukken, hetgeen weer ontspanning met zich meebrengt. En ik breng een indrukkwekkende hoeveelheid spullen mee naar Patagonie: een grote professionele en een kleine camcorder, een stuk of vijf microfoons, allerlei kabels, drie portable harddisks, een notebook, twee portofoons, zeven geheugenschijfjes, negen accupacks en drie laders, een goed camerastatief met een goede draaikop, een statief voor boven het voorwiel, een camerastatief voor op het stuur en op mijn helm kan ik ook een camera schroeven. “Hé, je lijkt wel een Teletubbie!” lacht Carla.

De derde dag vertrekken we vanuit Villa Cerro Castillo en wordt de Carretera onverhard. We moeten het dal uit en beginnen met een pittige klim. De keien en grind schieten onder mijn achterwiel weg. Ternauwernood weet ik mijn schoenen los te klikken en m’n voeten op de grond te zetten. Ik zet mij af en probeer weer weg te rijden. Na twee rondjes trappen, blaast een heftige rukwind mij zowat omver. Het is alsof alle winden zich hier op deze ene helling verzameld hebben om ons het fietsen onmogelijk te maken. De wind komt recht van voren en er zit niets anders op dan te gaan lopen. Het doet pijn. Niet zozeer in mijn eergevoel, maar wel in mijn gezicht. De wind neemt los grind mee en mijn gezicht wordt gezandstraald. “. . . verdomme, dat doet pijn!”, vloek ik het uit. Ik doe mijn kiezen op elkaar, voel het zand er tussen knarsen, en zet door. Ik leun schuin tegen mijn bar-ends en gooi mijn volle gewicht er tegenaan. Zo, weer twee meter gewonnen.
De wind valt even weg en ik moet balanceren om mijn evenwicht te bewaren. Ik wil weer opstappen, maar de wind werkt niet mee, dus ik duw de fiets voor mij uit. Een vrachtwagen rijdt voorbij en werpt een indrukwekkende hoeveelheid zand op. “Eens moet al dat zand toch weggewaaid zijn!” bedenk ik mij. We ploeteren door en verliezen het besef van tijd en afstand. Waar wel ons wel bewust van zijn dat is onze snelheid. Als we soms een stukje kunnen fietsen, dan rijden we vijf kilometer per uur. Als we lopen geeft de kilometerteller 3,5 aan. Op de onmogelijk steile stukken loop ik terug om Carla te helpen met duwen. Het zand zit overal. In mijn haar, in mijn oren en in mijn nek. Ik probeer zoveel mogelijk door mijn neus in te ademen maar dat valt zwaar. Carla ziet er uit als een struikrover, want die heeft een Buff voor haar mond gebonden.

’s Middags tegen een uur of zes hebben we 35 kilometer afgelegd en geven we het gevecht tegen de sterke westenwind op. In de luwte van een aantal bomen zetten we de tent op. Extra stevig met veel haringen.

De dagen erna rijden we zuidwaarts en hebben we niet veel problemen met de wind. Wel een beetje motregen en wat hagel. Maar de volgende keer neem ik op dit traject mooi een elektrische fiets.

——————————————————————————————————————————–

Potkacheldouche

Veel mensen leven erg mee met onze reizen. Een dag voor we vertrokken vond ik nog een bericht van Marlous in mijn e-mail box. Marlous en Han hebben hebben hier twee jaar geleden gefietst.

“Voor de grap nog die potkacheldouchecamping opgezocht. Het was een CONAF camping op een dagafstand fietsen van Coyhaique in Parque Nacional Cerro Castillo. Met lekkere schuilhutjes en picnickbanken, wat bij ons geen overbodige luxe was want het was erg koud en de wind ging flink te keer. Je zit daar op ongeveer 1100 m hoogte. Ik ben benieuwd als jullie er komen of het je lukt een warme douche te krijgen. Je moet met zo’n potkacheldouche wel wat geduld hebben…”.
Nou Marlous, we hebben ‘m gevonden hoor! Dank voor de tip. En we hebben ‘m aangekregen ook. Het water was wel wat roestig, maar ach, we zijn geen kniesoren.

Hoe werkt het: je laat het vat boven de kachel vol met water lopen. Dan steek je de kachel aan en kun je rustig iets anders gaan doen, bijvoorbeeld eten koken. Na ongeveer een uur is het water warm genoeg om allebei een behoorlijke douche te kunnen nemen. En er is zelfs nog water over voor de afwas.

———————————————————————————————————————————

Fietsende filmers of filmende fietsers

Tja, een nieuwe dimensie toevoegen een reis: daar is Eric erg goed in. En ik vraag me dit jaar dan ook af: worden we fietsende filmers of filmende fietsers. Het is niet zeker of ik die vraag na deze reis al kan beantwoorden. Wellicht moeten we daarvoor een aantal reizen verder zijn, en het materiaal gemonteerd terug zien. Waar ik me altijd ver vantevoren inlees op het te bezoeken land en de route uitzet, is Eric dit jaar de regisseur van de film. Ik vind het best eng, zo’n serieuze camera. Vooral met de interviews, want die nun je niet over doen. Ok, het mag mislukken, maar dat is natuurlijk niet het uitgangspunt. We hopen toch wat met het materiaal te kunnen doen.

Zeker is wel dat ik dit jaar vooral heb moeten afwegen wat ik níet mee zou nemen, in plaats van wat wél. Voor de zekerheid heb ik zo gepakt dat één tas helemaal leeg is gebleven tijdens de vlucht hier naartoe. In Eric’s enthousiasme zou hij zo maar kunnen vergeten dat we ook nog zoiets als proviand bij ons moeten hebben.

En niet zoals de meeste reizen één noodmaaltijd voor als we het volgende dorp niet halen door pech onderweg. Nee, nu hebben we serieuze proviand nodig voor soms wel vijf dagen…

Maar ik moet toegeven dat het ook wel erg spannend is om jezelf terug te zien op video. Vooral in het spectaculaire landschap van Patagonië. Ik krijg maar geen genoeg van de spectaculaire vergezichten van azuurblauwe meren met besneeuwde bergtoppen erboven, elke keer weer als we een volgend dal in rijden.

————————————————————————————————————————————-

El Puesto

“Wat is eigenlijk een puesto”, vraag ik aan de gastvrouw van Hostal ‘El Puesto’ in Puerto Rio Tranquilo.
“Een puesto is eigenlijk een hutje in de bergen waar herders gebruik van maken wanneer ze met de kudde in de bergen vertoeven. Ze kunnen er slapen, eten maken en beschutting zoeken bij slecht weer.”
“Wat grappig, volgens mij hebben we gisteren en vandaag van een puesto gebruik gemaakt om tegen de regen en de wind te schuilen. In beide zat een vuurplaats en er stond een tafel. In de ene zaten ook nog twee aparte kamertjes. Er waren duidelijk tekenen van gebruik door mensen, want er lag wat rommel. We hebben er onze lunch gemaakt en het net zo achter gelaten als we het aantroffen”.

De ‘puesto’ van Tamara Ullrich en Francisco Croxatto is echter wel een mooiere en luxere uitvoering dan de schuilhutjes die puesto’s normaalgesproken zijn. El Puesto is een prachtig, on-chileens, ‘logg-house’, ontworpen en gebouwd door Francisco zelf. Het is gemaakt van lokaal hout. De pilaren zijn de stammen van cypressen, die helemaal van onder tot boven door het huis lopen. Midden in de gezamenlijke huiskamer staat een grote AGA die met hout gevoed wordt. De kachelpijp loopt door onze slaapkamer, waardoor het ook daar aangenaam warm is. In El Puesto vinden we exact wat we misten in de hostals en hospedajes waar we eerder verbleven: warmte.

Tamara en Francisco zijn hartverwamende mensen met een goed gevoel voor wat reizigers nodig hebben. En ze spreken goed Engels. Eric’s oog valt op een button van ‘Patagonia Sin Represas’ op Tamara’s fleecetrui. Het blijkt dat ze daar veel over weet te vertellen, en hij vraagt of hij haar mag interviewen voor onze documentaire.

———————————————————————————————————-

Patagonia Sin Represas?

In zuid-Chili staan grote billboards met daarop: Patagonia Sin Represas, oftewel, Patagonië zonder stuwmeren. Tamara vertelt gedreven over de nadelen van het project om in dit deel van Patagonië vijf stuwdammen te bouwen. “In de zwarte periode van Chili heeft Generaal Pinochet alle waterrechten van de provincie Aysén geschonken aan een Spaans bedrijf. Ze willen twee stuwdammen in de Río Baker en drie in de Río Pascua aanleggen om daarmee hydro-elektriciteit op te wekken. De hoogspanning zal over een lengte van 2.200 km getransporteerd worden naar Santiago de Chili, om daar te verkopen. Wij hier in Patagonië krijgen helemaal niets van die elektriciteit. Wij blijven afhankelijk van onze oliegestookte centrale in Cochrane!” vertelt ze in het Engels met een grappig accent.


Boos kijkt ze uit haar ogen als ze uitlegt dat de lokale mensen maar 10 procent van al het zoete water zelf mogen gebruiken voor irrigatie of andere industrieën.
“Voor de aanleg van die stuwdammen zijn 5000 mensen nodig die van buiten de regio komen. Dat zal een flinke impact hebben op de Patagonische cultuur. De grootste stad is Cochrane waar 4000 mensen wonen. En dan heb ik het nog niet eens over de gevolgen voor de natuur.”

Als we een paar dagen later verkleumd van de kou (vier graden) en drijfnat van de regen (niet hard, maar wel constant) in de stad Cochrane zijn, spuiten we bij een tankstation de modder van onze fietsen. Een grote helikopter vliegt laag over.
“Zijn dat rijke toeristen?”
“Nee, dat zijn die honden van het bedrijf dat de stuwdammen wil gaan bouwen.” En de pompbediende maakt een gebaar alsof hij de helikopter met een geweer uit de lucht schiet.

De volgende dag (ja, het regent nog steeds) gaan wij naar het kantoor van HidroAysén, het bedrijf dat de stuwdammen wilt gaan bouwen. Er is iemand die ons over een uur wel te woord wil staan. We gaan terug naar de residencial waar wij slapen en halen de camera op.
Dan blijkt dat er contact is geweest met het hoofdkantoor in Santiago en dat zij niet willen dat iemand iets vertelt over het project. In mijn beste Spaans leg ik uit: “…het lijkt mij juist een goed idee om beide kanten van het verhaal te belichten, dus jullie mening mag zeker niet ontbreken.”
De PR-medewerkster legt uit dat zij wel mijn vragen wilt beantwoorden, maar niet voor de camera. Gedreven somt ze de voordelen van het project op.
“Hoe zit het met het verhaal van Pinochet en dat de lokale bevolking niet profiteert?”
“Dat Pinochet de waterrechten heeft weggegeven is een mythe die niet bewezen is, en HidroAysén is niet Spaans, maar Chileens.”
“Als ik dan geen interview mag opnemen, mag ik dan wel wat opnamen van de mooie maquette maken?”
“Nee, ook dat is verboden.”
“Maar als ik niemand mag interviewen en zelfs de maquette niet mag filmen, dan is er toch geen sprake van openheid? Dan is er blijkbaar iets dat verborgen moet blijven?”
Zuchtend legt ze uit dat zij zich moet houden aan de regels van het bedrijf en mij verder niet mag helpen. “Voor verdere vragen moet u naar Coyhaique of naar Santiago.”

Tien minuten later staan wij weer buiten. We hebben het er ’s middags over met Fabian, een Chileense veearts. Hij zegt: “De lokale mensen praten via het hart. HidroAysén praat via de portemonnee. En daar zou je ergens tussenin moeten gaan zitten.” En zo is het.

———————————————————————————————————-

Gebakken lucht

Over vijftig jaar heb je in iedere woning in Nederland een toevoerleiding voor schone lucht. Afhankelijk van jouw leverancier kun je kiezen voor Alpen, Patagonische of Bhutanese lucht. Er is ook gesubsidieerde groene lucht leverbaar. Hier hangt een lichte mestgeur aan.
In de supermarkten staan de schappen vol met Spa Pure Lucht of Sourcy Clean Air. In de blauwe flessen zit standaard lucht. Dat is eigenlijk dezelfde lucht die uit de leidingen komt, maar door een uitgekiende marketingstrategie, gelooft 72,3 % van de Nederlanders dat lucht uit een fles gezonder is… In de rode flessen zit een iets hoger zuurstofgehalte, dat de longen prikkelt.

Bizar? Ja en nee. Ja, omdat het klinkklare onzin is. Nee, omdat er bij ons met water exact hetzelfde gebeurt.
Hier in Chili hebben we nooit veel water bij ons. Ik heb een bidon gevuld met een halve liter water, maar mijn petfles is helemaal leeg. Als mijn bidon leeg is dan stop ik, loop naar een van de ontelbare watervallen of beekjes en vul hem bij. Soms drijven er een paar kleine blaadjes in, maar die vissen we er gewoon uit. Het water is hier bijzonder helder. In de meren kun je meters diep kijken. Je zou hier prachtig kunnen snorkelen, maar er zijn niet zo heel veel vissen.

Wat mij ook verbaast, is de stevigheid van het vlees. En dan bedoeld ik niet waarlijvige Chileense vrouwen:-) Een lapje Chileens vlees heeft geen naam als biefstuk, karbonade of entrecote. Nee, je krijgt een gebakken lapje vlees, waar soms een botje in zit en soms niet. Zonder botje heet het ‘filette’ en al het andere is soms met een botje, maar soms ook weer niet. Vaak met een randje vet, maar een enkele keer ontbreekt dat. Dus wat je precies krijgt is onduidelijk. Maar het smaakt uitstekend! Zelfs een Hollands biologisch lapje haalt het niet bij een Chileens ondefinieerbaar stuk vlees.

Het Chileense vlees en het Chileense water zal ik missen. Maar dan bedoel ik niet het Chileense water dat van boven komt, want daarvan hebben we wel genoeg gehad.

———————————————————————————————————————-

Tortel

In ons schema zitten dit jaar zes jokerdagen. Dit zijn dagen die ruimte in het schema geven omdat we bijvoorbeeld veel meer tijd nodig hebben voor een bepaalde afstand, ergens een dag langer willen blijven omdat we ziek zijn, of omdat het gewoon een bijzondere plek is. Mijn tip: als je in de buurt bent: zet vooral een jokerdag in op Tortel.

Ik had heel slecht geslapen want het had de hele nacht pijpenstelen geregend. We stonden met de tent op een picknickplek onder wat bomen. Lekker als je ’s avonds droog wilt zitten om te eten, want het dichte bladerdak houdt de eerste regen wel tegen. Maar als het ’s nachts gaat waaien, komt er ineens een hele waterhoos naar beneden. Alles wordt toch een beetje klam en dat dringt door naar de botten en de spieren. Op de kale hellingen hadden we wind tegen, maar gelukkig voerde de weg ook regelmatig door beboste valleien. Tot twee keer toe had ik die dag een korte siësta nodig om overeind te blijven.

“Wat doen we. Fietsen we nog 22 kilometer door of zetten we hier de tent op”, vraagt Eric, als we om zes uur bij de afslag naar Tortel zijn.
“Laten we maar doorfietsen. Dan kunnen we vanavond tenminste een warme douche nemen en in een gewoon bed slapen”, zeg ik, tegelijkertijd denkend: “Tortel ligt op zeeniveau, dus we gaan alleen maar naar beneden. Deze weg is pas vier jaar geleden aangelegd en zal nog wel in een goede conditie zijn.” Tot dan toe was Tortel alleen per boot of vliegtuigje bereikbaar.

Helaas, het wordt toch nog heftig door een pittige klim in het begin en de tegenwind op de lange rechte stukken. Mijn frustratie is groot als we om half negen, na 72 kilometer, nòg een keer een pas over moeten. Dat bedenk je toch niet: ligt een dorpje op zeeniveau, gaat het de laatste kilometer nog eens flink omhoog!

Maar dan wacht ons nog de grootste verrassing van die avond. Abrupt houdt de weg op en staan we op een grote parkeerplaats. Met verbazing staren we in de diepte naar een wirwar van trappen, steigers en houten huisjes die tegen de rotswand van een fjord aangeplakt lijken te zijn. Het lijkt wel een tekening van Escher. De moed zinkt me in de schoenen. Waar moeten we beginnen met het zoeken naar een hotelletje! Bij het informatiehuisje hangt geen plattegrond en ik zie in eerste instantie ook geen borden die naar een ‘hospedaje’ wijzen. Gelukkig heeft Eric meer moed. Hij stapt gewoon een steiger op en begint te lopen en verdwijnt uit zicht.

Op de parkeerplaats zijn inmiddels wat mensen aangekomen en ik vraag hen of zij een hotelletje weten.
“Ga naar hospedaje Don Adan. Wellicht kun je er ook nog wat eten”, zegt een man terwijl hij in de diepte wijst naar een huis met een lila-kleurig dak. Ik roep Eric op via de portofoon. Hij heeft nog niets gevonden, dus daalt hij af de diepte in, in de richting van het lila dak. Na twintig minuten keert hij terug:
“Ik heb goed én slecht nieuws. Ze hebben een kamer voor ons, er is een warme douche en we kunnen er eten. Het slechte nieuws is dat het 200 treden naar beneden is, drie steigers over en dan nog eens 29 treden omhoog…”.
De fietsen laten we boven staan en zetten ze goed op slot. De tassen kunnen niet in een keer mee, dus ik loop een keer extra. Dat betekent dus voor mij 458 treden extra.

—————————————————————————————————————————–

Teambuilding Survival Event

Opdracht: een team van twee personen dient zichzelf én twee vol bepakte fietsen van Villa O’Higgins, Chili over de grens naar El Chaltén, Argentinië te brengen;
Tijd: drie dagen;
Team:
Eric en Carla;
Test: relatie.

Dat de grensovergang tussen Chili en Argentinië niet bepaald fietsvriendelijk is, was door het team al geconcludeerd naar aanleiding van verhalen van andere fietsreizigers. Maar als het team geweten had wat ze nu weet, had het zich nog wel even achter de oren gekrabd.

De eerste uitdaging is nog redelijk eenvoudig: de boot halen naar de zuidoever van Lago O’Higgins. Die gaat in november alleen op zaterdag, dus de reis moet zo gepland worden dat het team op tijd in Villa O’Higgins is.
Vervolgens moet het team er over eens worden of er paarden ingehuurd gaan worden. Het team besluit van niet.
Het team moet nadenken over de hoeveelheid eten dat meegenomen moet worden. Dat is minimaal voor drie dagen. Maar als de boot over het Lago del Desierto onverhoopt niet vaart, moet het team om het meer heenlopen. Dan zal het er minimaal twee dagen langer over doen.

Survival verslag

Dag 1: De boot vertrekt om 08:00 uur vanaf de aanlegsteiger, zeven kilometer ten zuiden van Villa O’Higgins. Er wordt gezegd dat de weg naar het meer vlak is, maar ja, die mensen doen dit tochtje alleen per auto. Het team trekt daar voor de zekerheid een uur voor uit.
De overtocht duurt drie uur en het team geniet van de bergen met besneeuwde toppen, de verhalen van medepassagiers en het bleke zonnetje dat doorbreekt. Bij aankomst in Candelaria Manzia is het zelfs warm en gaan er wat laagjes kleding uit. De paspoorten worden gestempeld door de Chileense douane, waarna de echte tocht kan beginnen.
De weg is een steil rotsig fourwheel drive pad. Soms is honderd meter ‘vlak’ en kan er met enige behendigheid gefietst worden. Maar voor het merendeel is het lopen en duwen geblazen. Soms zelfs één fiets tegelijk door beide teamleden!
Ook wordt het team geconfronteerd met wat achteraf blijkt de eerste van vele hindernissen op deze tocht: een weggeslagen brug over een snel stromende rivier. Gelukkig hebben eerdere passanten wat planken van de brug gesloopt en over de rivier gelegd. De overkant wordt met droge voeten gehaald.

In de veronderstelling dat het meer op nog geen twee kilometer afstand is, en dat de boot van 12:00 uur de volgende dag gemakkelijk gehaald kan worden, maakt het team om 19:00 uur kamp. Vlak onder de sneeuwgrens. Het is bar koud en inmiddels begonnen te regenen. Efficiëntie is dus vereist bij het opzetten van de tent en pasta koken.

Dag 2: “Ha lekker”, denkt het team. “Nog maar twee kilometer naar het meer en de Argentijnse douanepost. Dat wordt een makkie vandaag.”
Het is dan ook begrijpelijk, beste lezer, dat het team zeer verbaast reageert als het erachter komt dat na twee kilometer niet de douanepost, maar slechts de grensovergang tussen Chili en Argentinië bereikt is (stippellijn op het kaartje). Zwaar teleurgesteld vervolgt het team de weg, die na de stippellijn niet meer blijkt te zijn dan een bospad. Prima voor rugzaklopers, maar niet geschikt voor fietsen met volle bepakking…
Er zit echter niets anders op dan door te gaan. Omkeren is geen optie. Op dat moment hoopt het team nog de boot van 12:00 uur te kunnen halen.

Het wordt letterlijk een dag met obstakels en hindernissen: omgevallen bomen over het pad, soms twee vlak achter elkaar, waar de fietsen omheen gemanoevreerd, danwel overheen getild moeten worden. Modderpoelen waar de waterdichte schoenen soms tot over de randen, en de wielen tot aan de assen in verdwijnen. Beken, te diep om doorheen te waden. Teamlid Carla staat het huilen nader dan het lachen als voor de twintigste keer de tassen van de fietsen af moeten. Balancerend over een wiebelig plankje, moet Carla ze één voor één naar de overkant brengen. Het kost teamlid Eric normaalgesproken moeite om hulp in te roepen, maar hij moet wel als hij in een onmogelijke positie onder de fiets beland is en geen kant meer op kan. Hij probeerde zijn Koga honderd meter lang over het randje van een één meter diepe greppel te leiden, maar gleed er af.
De eerste kennismaking met Argentinië is wat het team betreft niet erg sympathiek, en zijn inwoners krijgen in de loop van de dag dan ook heel wat ziektes toegewenst.
De boot van 12.00 uur wordt niet gehaald. Nee, zelfs de boot van 18.30 uur niet. Het team staat aan de oever van het Lago del Desierto en ziet die voor de neus vertrekken. De dagafstand is slechts zes kilometer.

Dag 3: Er is inmiddels een hoge drukgebied boven dit deel van Argentinië komen te liggen, en kamperen aan het Lago del Desierto is dan ook niet onaangenaam. De berg Fitz Roy ligt er prachtig bij.
De, hopelijk, laatste hindernis moet vandaag genomen worden. De spanning slaat om in vreugde als om 11.30 uur op het meer een wit stipje verschijnt dat dichter bij komt: de boot naar de zuidoever van het meer. Snel worden de laatste spullen in de tassen gepropt, waarna de boot stipt op tijd vertrekt.

De fietstocht van 37 kilometer naar El Chaltén gaat voor de wind over een weliswaar onverharde weg. Maar na de ervaring van de voorgaande twee dagen beleeft het team die als zeer aangenaam.

Voor wie deze tocht ooit zelf wil maken: het is écht een Event, en vereist behoorlijk wat teamwerk. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat hij deze twee teamleden weer een stukje dichter bij elkaar heeft gebracht.

—————————————————————————————————————————

Kalibreren

Chili en de indrukwekkende Carretera Austral laten we achter ons. We rijden de fietsen van de boot af en het eerste dat we zien is een hek waarachter een ‘trail’ naar een gletscher begint. Een Argentijnse ondernemer staat er met een omgebouwd olievat, waarin hij Chorizowortjes barbecuet. Voor tien Argentijnse Peso koop ik een ‘Chori-pan’ en het smaakt uitstekend. We fietsen onder een strakblauwe hemel met een westenwind in de rug. Rechts staat de Fitz Roy. Een geweldig mooie berg die ver boven het landschap uittorent. We besteden aardig wat tijd aan fotograferen en filmen. Het is naar onze huidige normen een drukke weg. Zeker een keer per half uur rijdt er een auto voorbij. Vaak zijn dat kleine Suzuki’s of grote campers die gehuurd zijn door toeristen. We zien ook de eerste touringcarbus.

Als we in de namiddag het plaatsje El Chaltén binnenrijden, vallen we van de ene verbazing in de andere. Alle naamborden langs de kant van de weg zijn van ons af gericht. Als we willen weten wat de naam van een hotel is, moeten we er eerst voorbij rijden en dan omkijken. Het is duidelijk dat de hoteliers zich niet richten op de mensen die vanuit Chili dit stadje binnenrijden. Bijna iedereen komt vanaf de andere kant hiernaartoe om dagtochten in het nationale park Los Glaciares te maken.
El Chaltén is een aaneenschakeling van hotels, restaurants, outdoorwinkels, kioskjes, internetcafé’s en alles dat een toerist nodig heeft. Behalve dan een bank en pinautomaat. We hebben wel wat Argentijnse peso’s, maar we nemen toch een hotel dat we met creditcard kunnen betalen. Wie weet hoe hard we onze peso’s nog nodig hebben.

Bij het avondeten in een restaurant horen we Spaans, Nederlands, Duits en Amerikaans praten. Zoveel toeristen hebben we deze tocht nog niet bij elkaar gezien.

’s Nachts word ik wakker omdat het op onze kamer erg warm is. Bij het ontbijt realiseren we ons dat alle huizen in El Chaltén van steen zijn gebouwd. De afgelopen drie weken overnachtten we in Chileense hotelletjes van hout of we kampeerden. Dus sliepen we in bijna dezelfde temperatuur als de buitenlucht. We zijn zo gewend om te slapen bij een temperatuur van vier graden, dat een kamer van twintig graden tropisch aanvoelt.

Ik zeg altijd: “Fietsen, kalibreert je normen en waarden.” Het zijn juist de verschillen die reizen zo aantrekkelijk maken.
Het verschil tussen het Chili van de Carretera Austral en dit Argentijnse stadje is enorm. Het is ook een cultureel mentaliteitsverschil. De meeste hoteleigenaars langs de Carretera Austral hebben geen besef van wat voor een westerse toerist belangrijk is. Ze doen wat ze altijd al deden en dat maakt de Carretera Austral bijzonder. Hier in El Chaltén gaat men in de schoenen staan van de toerist en kijkt wat hij of zij wil. Voor nu is dat erg prettig, tot dit de norm wordt. Dan wordt het tijd voor iets anders.

NB: We zetten hier in El Chaltén een jokerdag in. Het stuk tussen Villa O’Higgins in Chili en Lago del Desierto in Argentinië, raad ik geen vakantiefietser aan. Carla, Caroline en Marloes, ik heb veel respect voor jullie!

—————————————————————————————————————————

Het grote niets

We laten El Chaltén achter ons. Bergen lossen op in het niets en toeristen verdwijnen in touringcarbussen. Huizen maken plaats voor ruimte en de afstand tot de horizon lijkt eindeloos. We rijden door het grote niets met een harde wind in de rug. Drie uur later hebben we negentig kilometer afgelegd, een record en een groter contrast met eergisteren kan ik mij niet bedenken.

We rijden over de pampa. De pampa is een groot niets met nog meer niets. Geen rivieren, geen huizen, geen mensen, geen bergen, geen bomen en geen dieren. Vlaktes die louter bestaan uit keien met wat harde groene lage bosjes. Daarboven luchten die diepe indruk maken en met het uur veranderen. Mooie cumuluswolken gecombineerd met lange witte krijtstrepen tegen een blauwe achtergrond.
Al dat niets is afgeschermd. Met zeven horizontaal gespannen staaldraden tussen twee dikke houten palen die op een afstand van zes meter staan. Daartussen op een meter afstand van elkaar vijf dunne latten. En dat tientallen, honderden, waarschijnlijk duizenden kilometers lang.
Op een bord staat ‘Ea. Santa Margarita’ en het oneindige hek wordt onderbroken omdat een zijweg in het niets verdwijnt. Aan het einde van die zijweg ligt ergens buiten ons gezichtsveld de estancia, boerderij, Santa Margarita.
Een uur later zien we vanuit de verte een aantal cipressen uit het land oprijzen. Daar is een andere estancia die bestaat uit twee simpele gebouwen. Of het goed boeren is, dat betwijfel ik, want er groeit niets en vee zien we nauwelijks lopen.

Het fietsen door het grote niets maakt ook mijn hoofd leeg. Ik denk aan gebeurtenissen van het afgelopen jaar en aan mensen die ik ken. Die krijgen een plaatsje in mijn hoofd en worden geankerd in mijn herinnering. Dat creëert ruimte voor nieuwe ideeën en triggert mijn creativiteit. Ik wil een afstandsmeter laten maken voor op het stuur zodat ik kan zien hoe ver Carla achter mij ligt. Of ik wil van onze filmpjes een ‘trailer’ maken van een paar minuten. En dan zelf muziek ervoor schrijven. Of een elektronische hellingshoekmeter. Grappig dat ik dat hier bedenk, waar het stijgingpercentage nul komma nul is. Of de beste vakantiefiets ooit bouwen. Ik kijk voor mij uit en zie de weg in het niets verdwijnen. Ik stap even af en heb nog nooit zo ver kunnen plassen.

Met zo weinig te zien zijn het juist de uitzonderingen die de pampa bijzonder maken. In de verte schuifelt iets over de weg. Als we naderbij komen, kruipt een gordeldier snel achter een bosje. Hij houdt zich stil in de hoop dat wij denken dat hij (of zij) een steen is. Maar dan wel een geschubde steen met een staartje en kraaloogjes die heen en weer bewegen.
We rijden verder over een talud door het immense landschap. Soms rijden we links en dan weer rechts op de weg. Afhankelijk van waar weinig grind en keien liggen en waar het wegdek het minst mul is. Aan de horizon verschijnt een stofwolk die steeds groter wordt. De stofwolk transformeert tot een auto, die afremt als hij vlak bij ons is. Aardig dat de bestuurder rekening met ons houdt, dat scheelt flink wat stofhappen.

Waar niets is, valt niets te kopen, kun je geen hotelkamer huren en smacht ik naar een koude Coca-Cola. Een aantal nachten kamperen we langs de kant van de weg en koken ons eigen kostje. De dertig broodjes uit El Chaltén hebben we gerantsoeneerd over de dagen en de bodem van Carla’s provisiefietstas komt in zicht.
Als de horizon variatie vertoont, de ruimte plaats maakt voor huizen en de toeristen de touringcarbus uitstappen, ruilen we het grote niets om voor het grote genieten. Koude drankjes en een warme douche. Een lekkere maaltijd en ’n zacht hotelbed. ’s Ochtends vers brood en voorlopig géén pastamaaltijd meer voor mij!

———————————————————————————————————————————

Onmogelijk?

Nadat we El Calafate verlieten, hebben we er vijf dagen over gedaan om in het nationale park Torres del Paine te komen. De eerste dag hadden we de wind flink in de rug. Maar zodra we aan het einde van de dag het stuk onverharde ‘Ruta 40’ op draaiden, kregen we hem tegen. We hadden op dat punt kunnen overnachten in de luwte van een in aanbouw zijnd hotel, maar omdat de wind minder werd, zei Eric: “Kom, we fietsen nog een stukje door. Dat scheelt morgen weer.”
“Maar dat kan helemaal niet!”, riep ik geërgerd uit. “Niemand zet z’n tent op op de pampa! Je hebt een beschutte plek nodig en die kun je daar helemaal niet vinden”.
“Maar de wind gaat toch liggen. Ik durf het wel aan hoor.”
“Typisch weer Eric Schuijt om zoiets te denken. Nou, dan zoekt hij maar een plek ook! Ik heb mijn best gedaan door allerlei informatie van mensen in te winnen. Hij bekijkt het maar! Ik bemoei me er niet meer mee”, mopper ik in mijzelf.

Na zeven kilometer stuiteren over het ‘rippio’, zoals ze onverhard wegdek in Argentinië noemen, vindt Eric het welletjes. Tijd om een plekje voor de tent te vinden.
“Wat denk je van die plek daar, een verlaging van het taluud, bij die droge waterafvoer”.
“Jij hebt besloten dat we door gingen fietsen, dus het is jouw verantwoordelijkheid om een goede plek voor de tent te vinden!”.
“Ho, ho, wacht eens even. Als we zo met elkaar omgaan, gaat het niet goed. Het is niet zo dat we elkaar de schuld gaan geven als een van ons beiden een keer een andere minder goede keuze maakt”.

En daar moest ik hem gelijk in geven. En uiteindelijk ook in de keuze om de tent op de pampa op te zetten. Het werd een fantastische ervaring om midden in de leegte boven een fel oranje kleurende lucht ons potje te koken. En de wind? Die hebben we niet meer gezien of gehoord die nacht.

————————————————————————————————————————–

Cuernos del Paine

Op het moment dat we langs de oever van het meer rijden herinner ik het mij weer: deze plek, een reisprogramma van een aantal jaren geleden. Toen dacht ik: “Ooit wil ik die plek bezoeken. Over dié brug wil ik lopen, met dát uitzicht. En als ik het me kan veroorloven wil ik in dát hotel slapen.” De mooiste plek op aarde volgens de presentatrice, en ik kon dat toen alleen maar beamen.

Vandaag ben ik hier. Bijna met tranen in m’n ogen, want de plek is nóg mooier dan in mijn herinnering. Vandaag is een uitzonderlijke dag op deze plek.
Vaak staat hier zoveel wind dat je bijna niet op je benen kunt blijven staan.
Vandaag is het meer bijna rimpelloos, net geen spiegel. Maar het water heeft wel de magische azuurblauwe kleur van water dat rechtstreeks van een gletsjer komt.
Vaak hangt hier een zware bewolking dat het uitzicht verstoort. Vandaag is de lucht egaal blauw, geen wolkje te bekennen in de buurt van de Cuernos del Paine, de horens van het Paine massief.

Deze reis kent veel bijzondere momenten: de grillige Carretera Austral die we persé verder af wilden fietsen. De grensovergang tussen Lago O’Higgins en Lago del Desierto. Mount Fitz Roy en daarna de pampa van Argentinië. Daarna de Perito Moreno gletsjer, waar we nog niet eens aan toegekomen zijn om iets over te schrijven.
Van het park Torres del Paine zegt iedereen altijd dat dit het hoogtepunt was van hun reis door Patagonië. Ik denk dan altijd: “Wat voor de een ’n hoogtepunt is, hoeft voor een ander helemaal niet zo te zijn”. Maar na vandaag sluit ik me bij die mensen aan.

Zeven dagen vertoeven we in het gebied. Veel mensen boeken een tour vanuit de stad Puerto Natales. Zij hebben slechts één dag om het hele park te bekijken.
De wegen naar het park toe zijn nog steeds onverhard, ondanks de vele touringcarbussen die erover heen moeten. Al na een kilometer of dertig vanaf de grensplaats Cerro Castillo komen de Torres (de torens) in zicht. Wij kunnen er de rest van de dag van genieten, de mensen in de bussen slechts ’n half uurtje.
Onderweg hebben we al een paar guanaco’s gezien en gefotografeerd, maar hier lopen héle kuddes. Je kunt ze van heel dicht bij fotograferen. Eric gaat er zelfs tussen fietsen om filmopnames te maken. De bustoeristen krijgen slechts een paar minuten. We voelen ons zeer bevoorrecht als fietstoerist volkomen vrij te zijn.

Helaas is het hotel nog steeds veel te duur, maar we hebben er wel heerlijk koffie gedronken en taart gegeten, maar vooral genoten van het rijke gevoel op de mooiste plek op aarde te mogen zijn.

————————————————————————————————————————

Voorjaar in Patagonië

Het heeft -op een paar druppels na- al een maand niet meer geregend. We fietsen over heuvels met uitgestrekte grasvelden. Hier en daar is het land versierd met een cluster boompjes, wat rotsblokken en lage struiken. Rechts, ver voor ons, staan zes paarden en vier veulens achter het oneindige hek. Sommige liggen in de zon, andere kuieren wat, trekken wat graspollen uit de grond en doen wat paarden doorgaans doen. Zodra ze het geknars van mijn banden horen op het gravel staan ze langzaam op.
Meteen is duidelijk hoe de paardenfamilie in elkaar zit. De veulens gaan achter hun moeder staan en de leider loopt naar de weg toe en volgt mijn beweging met gespitste oren. Als ik voorbij rijd lopen de veulens met hun moeder langzaam het land in, maar de leider blijft mij volgen. Zijn ‘vrouw’ komt naast hem staan, duwt haar snuit tegen zijn nek alsof ze wil zeggen: “Het is goed, het zijn maar twee fietsers.”

Een schaap heeft zich onder het staaldraad van het hek weten door te wurmen en loopt over de weg. Haar twee kinderen staan er nog achter. Als ik te dichtbij kom, zet moeder schaap het op een lopen. “Shoarma, shoarma” roep ik enthousiast. En ze loopt nog harder weg, ook al zal ze eerder van het woord ‘Parilla’ schrikken (zie de foto hier links).De band tussen moeder en kinderen is hecht. De twee lammeren hollen met haar mee, ook al staan ze veilig achter het hek. Als de moeder stopt om haar nog ongeschoren lijf onder het hek door te duwen, stoppen de twee lammetjes. De moeder is te dik en te wollig en zet het weer op een lopen. De twee kids hollen blatend met haar mee. Pas bij een glooiing, waar het hek overheen gaat, kan de moeder zich bij haar kinderen voegen en ze lopen de oneindige verte in.
Carla valt iets op: “De schapen hier hebben veel meer wol op hun kop dan Texelse schapen. Die hebben doorgaans weinig wol op hun kruin.”
“Ah, nu snap ik waarom je steeds meer van mij houdt. Ik krijg iets minder haar en dat doet je aan Texelse schapen denken!”

Een nandu is een lastige vogel om te fotograferen. Als Carla stopt om de telelens te pakken, loopt hij tergend langzaam van haar weg. Tegen de tijd dat zij alles paraat heeft, voldoet zelfs de 300 mm lens niet om de nandu groot in beeld te krijgen.
Ik ben doorgefietst en zie rechtsopeens een bosje van de grond loskomen. Het bosje heeft lange poten en zet het op een lopen. Het duurt twee seconden voordat ik door heb dat het de vrouwtjes-nandu is. Dat kun je zien omdat vrouwen lelijker zijn dan mannen. Een stuk of dertig bosjes schuifelen over de grond en waaien met de moeder mee.
Ik zie geen pootjes en het duurt tien seconden voordat ik mij realiseer dat het kleine nanduutjes zijn. Wat leuk zeg! Ik zie ze wegstuiven en voordat ík mijn camera heb gepakt, zijn ze al uit zicht.Het enige wat rest is een leuke onverwachte ontmoeting. Dat is nu een mooie herinnering is en dat is ook goed.

Een stier maakt een hels kabaal. Hij gooit zijn kop op de grond doet veel stof opdwarrelen. Hij is echt aan het brullen en ik ben blij dat er een hek tussen de stier en ons staat.
“Carla, zou hij ziek zijn of zo?”
“Welnee, hij is gewoon geil denk ik.”
“Ik geloof er niets van.”

Maar toch? Het is immers voorjaar in Patagonië.

————————————————————————————————————————————

Kudde

De gaucho schreeuwt boven het geraas van de wind uit en ik snap niet wat hij bedoelt. Met zijn leidsels houdt hij zijn paard in bedwang en zet zich schrap op zijn leren zadel en in de stijgbeugels. Het lijkt alsof man en paard één zijn. Hij trekt rechts aan het touw en het paard volgt. Het paard zwenkt en de man zwenkt mee. Stampvoetend staat het paard te popelen om verder te gaan, maar van zijn baasje mag het niet. Die danst mee op de wilde bewegingen van het paard. Het paard leidt, maar binnen de grenzen die de gaucho aangeeft.

Ik versta iets van ‘vacca’ en ik wijs naar de bronstige stier: “Mucho sonido!” Tja, ik weet ook niet hoe ik kan uitleggen dat de stier veel kabaal maakte. “Vacca grande,” roept hij, “bicileta!” En hij wijst naar de zijkant van de weg.
“No comprendo. Hablo un pocito Chileno!” Ik snap het niet, ik spreek een beetje Chileens.
Hij wijst in de verte waar ik een kudde koeien dichterbij zie komen. Het zijn er veel, heel veel. Drie gaucho’s, twaalf honden en een auto sturen de kudde deze kant op.
“Carla, we moeten de fietsen meer aan de kant zetten! Er komt een enorme kudde aan!” En we zetten ze snel bij een puesto.
Ik wil mijn kleine HD-camera pakken, maar de kudde ziet er wel heel erg indrukwekkend uit, dus dat wordt de grote HD-camera. “Carla, wil je mij snel helpen?” Zij pakt het statief en klapt hem uit. Ik zoek een goede plek en zet hem waterpas. Carla heeft ondertussen de grote camera uitgepakt, de witbalans en het diafragma ingesteld en ik kan hem zo op het statief schuiven. Op het scherm zie ik de andere gaucho’s verwoed de kudde onze kant opsturen. Aan de zijkant en achteraan volgen de kalfjes. Zodra een kalf te ver van de kudde afdwaalt, rent een blaffende hond het achterna. Als het een eigenwijze koe is die aan de honden gewend is, dan komt een gaucho hem de goede kant opjagen.
De voorste twintig koeien blijven staan en alle honderden erachter daarom ook. Is het omdat de weg smaller wordt, of omdat wij ze met onze felgekleurde windjasjes afschrikken? Ik weet het niet.
Een gaucho wurmt zich met paard en al door de grote kudde heen en geeft met een stevig stuk touw de voorste koeien een aantal meppen.

Het is een fascinerend gezicht hoe geroutineerd de kudde uiteindelijk een weiland in wordt gedreven door een samenspel van mannen, paarden en honden.
Uit de auto stapt de eigenaar van de koeien en zijn zoontje van negen. De eigenaar is de zoon van een Kroatische immigrant, zijn naam is Maximo en hij heeft een estancia met vijfduizend koeien.
“Waar komen jullie vandaan? Ah, Nederland. Jullie hebben ook veel koeien.”
“Ja, maar in Nederland is er bio-industrie en het vlees smaakt er minder lekker! Juist omdat de dieren zo slecht behandeld worden, zijn er veel mensen vegetariër.”
“Jullie industrie is ‘intensivo’ en die hier is ‘extensivo’. Hier leven de koeien een natuurlijk leven, krijgen ze geen pepmiddelen en hebben ze de ruimte.”
Kijk, zo leer ik als stadsmens toch weer wat Spaanse woorden en iets over de veehouderij.
“Hoeveel koeien denk je dat er hier staan?”
Ik kijk over het hek: “Ik denk wel zeker driehonderd.”
Hij lacht, alsof iedere toerist het verkeerd raadt: “Het zijn er achthonderd. We zijn nu op weg naar de zomerweiden in de ‘cordillera’, in de bergen. In de winter staan ze laag. Ieder jaar vervoeren wij de hele kudde in groepjes van achthonderd naar de cordillera. We doen daar vijf dagen over.”
De gaucho’s hebben hun paarden vastgezet aan het hek, de honden liggen uitgeput in het gras. In de puesto hebben ze de houtkachel aangemaakt en drinken ze maté. Over een uur gaan ze weer verder.
De Kroaat laat op een kaart zien dat hij op vijf verschillende plekken grote stukken land bezit. Als zijn zoon, die ook Maximo heet, even wegloopt, zegt hij trots dat hij op een Britse school zit en dat hij graag wil dat hij gaat studeren.
“En jouw zoon heet Maximo de tweede?” Hij moet er om lachen.

“Hier achter staat een stier die is volgens mij ziek. Hij stond zó te brullen!”
Maximo schiet in de lach, roept iets naar de gaucho’s die ook in lachen uitbarsten, en zegt met betraande ogen: “Hoe zou jij reageren als er achthonderd knappe Chileense vrouwen aankomen?”
Mmm, had Carla toch gelijk.

——————————————————————————————————————————-

Grensovergang

Vanaf Puntas Arenas, Chili, maken Carla en ik de oversteek met de veerboot naar Porvenir. Dit stadje ligt op het eiland Tierra del Fuego, oftewel Vuurland. Het laatste traject van onze reis naar het ‘einde van de wereld’ begint.
Vanaf Porvenir gaat bijna iedereen rechtstreeks door naar Argentinië. Maar Carla heeft het zo gepland dat we via een kleinere grensovergang Chili zullen verlaten en Argentinië binnenrijden.

Na een aantal dagen fietsen over het lege Vuurland, stoppen we bij een politiepost.
“Waar is de weg naar de Argentijnse grens?”
“Die loopt die kant op.” En de agent wijst naar het oosten.
“Zijn er splitsingen of kruisingen?”
“Nee hoor, volg gewoon de weg. Het kan niet missen. Het is nog maar zestig kilometer.”

Tien minuten later staan we bij een Y-splitsing. Er is geen enkel bord dat wijst welke weg naar de Argentijnse grens loopt. We nemen weer de weg naar het oosten.
Na een paar kilometer door Magellaans woud komen we bij een tweede en ingewikkelder Y-splitsing.
De linkerweg lijkt afgesloten door een wildrooster met daaroverheen gespannen een rubberen lint vlak boven de grond. De rechterweg heeft heel veel grind, alsof hij zelden gebruikt wordt. En weer staat er nergens een bord met een pijl die naar Argentinië wijst.
Opnieuw kiezen we voor die weg die naar het oosten gaat. Dat is in ieder geval de goede richting.

Een half uur later staan we voor een verzameling gebouwen. De douanier komt zijn woning uit, trekt snel zijn jasje aan en wuift ons door naar het douanegebouw. Hij opent de deur, doet de lichten en zijn computer aan.
“Krijgt u veel toeristen hier?”
“Nee, want iedereen neemt de andere weg.”
“Hoeveel toeristen maken van deze overgang gebruik?”
“Vorig jaar waren dat er veertig. Maar ieder jaar worden het er meer. Dit jaar zijn jullie de eerste fietsers.”
Hij bekijkt ondertussen onze paspoorten en stempelt ze af.
“Hoe ver is de Argentijnse douane?”
“Gewoon deze weg volgen en je komt er vanzelf. Je moet door een rood hek. Als je er doorheen bent, wil je het daarna weer dichtdoen?”

We groeten hem vriendelijk en stappen naar buiten.
Hij roept ons nog na: “Oh ja, de Argentijnse douane is na de rivier.”
“Geen probleem hoor.”
“Carla, waarom zou hij dat van die rivier gezegd hebben?”

Even verderop -onder de waakzame ogen van twee guanaco’s- opent Carla het rode hek en sluit het netjes af.
‘Bienvenido a Argentina’, heet een bord ons welkom. Voor zover het kan, wordt de onverharde weg nog onverharder en we stuiteren alle kanten op, op weg naar een meanderende rivier. Het stuiteren stopt. De fietsen lopen vast in het mulle grind en we duwen ze voor ons uit. Iets verder zien we al de douanegebouwen van de Argentijnen.
De weg van grind gaat over in het grind van een rivierbedding. Nergens is een brug. Ook geen pont of wat dan ook. En die zestig kilometer blijken er maar twintig te zijn. Het is alsof de Chilenen er alles aan willen doen om je van het idee af te brengen om naar Argentinië te gaan.*

Twee kinderen aan de overkant wijzen waar we door het snelstromende water kunnen oversteken. Het lijkt mij niet zo handig om met een compleet bepakte fiets door het wilde water te waden. Ik denk dat ik de fiets niet zal houden en er zit teveel en te dure elektronische apparatuur in de tassen.
Ik trek mijn lange broek, schoenen en sokken uit en loop met de eerste twee tassen de rivier in. De kiezels zijn niet lief voor mijn voetzolen en de temperatuur van het water laat ook te wensen over. Maar ja, je moet toch wat.
Halverwege komt het water net tot boven mijn kuiten en de kracht van het water rukt mij bijna omver. Joelend sta ik uiteindelijk aan de overkant. “Muchas gracias” bedank ik de kids.

Als ik weer teruggewaad ben, besluit ik om mijn schoenen aan te trekken, want tegen de scherpe kiezels zijn mijn voetzolen niet bestand. Grappig. Ik loop met twee waterdichte tassen op waterdichte schoenen naar de overkant. Het ijswater loopt zo de schoenen in dus zo waterdicht zijn ze niet:-)

Carla pendelt ondertussen ook in haar onderbroek met fietstassen door de rivier. Daarna duwt ze haar fiets door het water over de grindbodem. De stroming is zo sterk dat haar fiets helemaal scheef komt te hangen. Ze zet stug door en loopt recht op de oever af.
Uiteindelijk komen we zonder problemen aan de overkant.
We trekken onze waterdichte sokken aan, zodat we in ieder geval weer droge en warme voeten krijgen. We halen ons stempeltje en fietsen verder naar het oosten. Door een uitgestrekte pampa zonder verkeer met de wind in de rug. Wat kan het leven toch mooi zijn.

*Er zijn de laatste jaren grensconflicten geweest tussen Chili en Argentinië. Die speelden zich voornamelijk hier in het zuiden af. Chili beweert dat Puerto Williams de meest zuidelijke stad ter wereld is. Argentinië beweert met Ushuaia de meest zuidelijke stad ter wereld te hebben. Chili is bezig een weg aan te leggen over eigen grond die tot vlakbij Ushuaia leidt. Maar de Argentijnen weigeren vooralsnog een aansluiting en grensovergang naar Ushuaia te maken. En zo rommelen ze hier nog wel even door.

——————————————————————————————————————————-

Thuis

Als we weer thuis zijn, gaan wij proberen om het vakantiegevoel vast te houden. Hoe wij dat doen?

1. Voordat wij onze schoenen aantrekken, kijken of er geen beesten inzitten
2. De hele dag op waterdichte fietsschoenen lopen
3. Iedere ochtend insmeren met factor 50
4. Kijken of we genoeg maaltijden en brood hebben voor de komende dagen.
5. Als we het rustig aan willen doen, een jokerdag inzetten.
6. Kijken hoe de wind staat
7. Water drinken uit de grachten
8. Altijd een moneybelt dragen onder mijn jasje
9. In gebroken Spaans de weg vragen
10. Iedere avond luchtbedjes opblazen
11. Sokken en lange onderbroek aan in bed

Maar ook weer genieten van de luxe van thuis zijn.

——————————————————————————————————————–

Mocht je meer verhalen willen horen en mooiere plaatjes willen zien, kom dan eind februari naar de Fiets- en Wandelbeurs in de RAI. Wij geven daar een lezing over deze tocht
Heb je je fiets bij De Vakantiefietser gekocht, dan ben je van harte welkom op 3 en 10 februari in de winkel. Daar geven wij de uitgebreide lezing (met zoals altijd een verassing) Maar meld je wel van tevoren aan, want vol is vol.

Eric en Carla

Deel deze pagina met anderen