Op Koningsdag vrijdag 27 april 2018 is de winkel gesloten

De Ontbrekende Schakel (India-Myanmar-Thailand)

Dat klinkt als een boek. Of een hoofdstuk uit een boek. En dat is het in feite ook. Het is een van de weinige ontbrekende hoofdstukken in het boek ‘De wind door je haar’ dat Eric en Marijke schreven over hun reis van Amsterdam naar Indonesië, 23 jaar geleden. In die reis zaten twee stukken die ze niet konden fietsen. De zogenaamde ‘Ontbrekende schakels’. Die van Turkije naar Pakistan zal nog wel een tijd duren voor die fietsbaar wordt. De kans erop is in ieder geval vele malen kleiner dan de ontbrekende schakel Noord Oost India/Myanmar/Thailand.

Zolang ik Eric ken, elf jaar nu, heeft hij elk jaar gezocht op internet en geïnformeerd bij andere fietsreizigers of het al mogelijk is. In 2004 wilden we Bhutan via de zuidoostelijke grensovergang, die met de Indiase deelstaat Assam, verlaten, maar toen was daar in het grensgebied een vrijheidsstrijd gaande en mochten we niet via die grensovergang reizen. Het dichtstbij deze droom van Eric kwamen we vijf jaar geleden toen we wel toestemming kregen om door Assam, en ook door Arunachal Pradesh te fietsen.

Assam grenst aan Manipur, vandaar dat we hier onze reis dit jaar beginnen om die tweede ontbrekende schakel van de reis van Eric alsnog te fietsen.

We hebben onze visa in orde, zelfs een double entry visum voor India, mochten we alsnog niet toegelaten worden en terug India in moeten. En als alles klopt staat zaterdagochtend een agent van een reisbureau in Yangon ons aan de grens van India en Myanmar op te wachten.

Carla


Knorretje in Dubai

Door een airconditioned gang met loopbanden rollen we een paar kilometer de stad in. De uren daarna volgt een zielloze wandeling door de leegte van de shoppingmall van Dubai. Grofweg duizend sjieke winkels, allemaal even netjes en steriel ingericht met correcte Filipijnen, Nepali, Indiërs, Bengali en Nigerianen als bedienend personeel.
Welk exotisch eten je ook maar kan bedenken het is hier verkrijgbaar. In hypocriete winkels hangt de meest sexy kleding, maar van de Arabische vrouwen zie je alleen ogen door een spleetje. Het ziet er werkelijk prachtig uit, maar ik mis iets essentieels. Het is te kunstmatig.
Zelfs de naastgelegen ‘souk’ is smetteloos. En het is de eerste souk waar ik kom waar een verkoper NIET probeert mijn nationaliteit te raden. Dus er is niet eens iemand om mij aan te ergeren.

De omringende gebouwen zijn pareltjes van architectuur en de hoogste toren ter wereld zorgt voor nekkramp. Maar als je naar boven wilt, dan moet je twee dagen van tevoren boeken. Ook daar is een stukje spontaniteit uit gewrongen.
Als alles hier al bedacht is, moet je vooral geen dingen zelf gaan bedenken. Stel je eens voor! In een poging een rafelrandje aan te brengen in deze Disney wereld, is een etalage ingericht met kapot geslagen gitaren.
Wij lopen de airco uit en lopen over de lege straten naar de kust. Die spontane tocht verzandt letterlijkr in een bouwput. Het is nagenoeg onmogelijk om lopend over straat ergens anders te komen. Dubai is volstrekt bedacht en kun je overal ter wereld neerplanten. Zolang je maar genoeg oliedollars hebt. Dubai eens maar nooit meer.

Twaalf uur later landen we in Imphal, Manipur, India. Hier voel ik mij thuis. Alles lijkt oprecht.
– De mooie Indiase verpleegster die ons opwacht bij de douane en zich verlegen tot mij wendt. ”Ik moet uw temperatuur opmeten in verband met het Ebola virus. Bovendien zal ik morgen in uw hotel langskomen en u ‘s ochtends en ’s middags temperaturen.„ En vervolgens biedt ze haar excuses aan voor deze sterke maatregel van de Indiase regering.
– De twintig nieuwsgierigen die ons aanstaren als we op het vliegveld onze fietsen in elkaar sleutelen. Tja, de afgesproken pick-up van het hotel is niet komen opdagen. In IT land nummer 1 werkt het internet nog altijd niet goed.
– De Indiase logica: ‘Keep Imphal green’ staat er op borden langs de weg. Daarachter zijn ze bomen aan het omhakken om plaats te maken voor nog een krot.
– De brutaalheid van een riksjarijder die zonder blikken of blozen het dubbele tarief vraagt. En dan de grijns als ik zeg: ”Bahut mehanga„, te duur.
– De blikken van de soldaten en bezoekers bij het KUT-festival. De bezoekers kijken verbaasd omdat er twee westerlingen op hun etnische festival rondlopen. De soldaten zijn op hun hoede omdat er aanslagen worden gepleegd in Manipur door terroristen. Tenzij deze bandieten ooit winnen, dan worden het vanzelf helden en vrijheidsstrijders.

In de chaos in de stad Imphal zit meer ziel dan in de hele shoppingmall in Dubai. Maar misschien houd ik gewoon meer van authenticiteit en viezigheid. Vandaar mijn naam in een Noordoost Indiaas dialect waarschijnlijk ‘varken’ betekent.

Eric (knorretje)

 


Loktak Lake

loktakcirkels1klein

Voordat we de grens met Myanmar over gaan verblijven we een week in de Indiase deelstaat Manipur. We zijn naar de hoofdstad Imphal gevlogen. Een typisch Indiase stad, maar de mensen zijn anders. Deze mensen lijken veel meer op Birmezen dan op Indiërs. Hill People worden ze genoemd, mensen van de bergen. Er wordt veel meer en beter Engels gesproken, althans in Imphal, en hun kleding en tempels zijn ook anders. Ik weet het niet zeker, maar ik krijg het gevoel dat hier geen kastensysteem is waardoor meer mensen een kans hebben om zich beter te ontwikkelen.

Onze eerste fietsdag brengt ons bij een mooi meer, Loktak Lake. Vanuit het vliegtuig zagen we al de ring eilanden waarop de oorspronkelijke bewoners van het meer nog steeds wonen.
We hebben een soort van bungalowtje gehuurd om vandaaruit het meer te verkennen de volgende dag. Maar veel meer dan een overdekt en aangekleed vlot en een roeiboot valt er niet te huren. Gelukkig spreekt de manager van het ‘resort’ aardig goed Engels en vindt twee van zijn medewerkers bereid ons naar een van de ring-eilanden te varen om te kijken hoe daar gewoond, geleefd en gewerkt wordt. Er worden twee uitgeholde boomstammen zorgvuldig aan elkaar gebonden zodat deze twee onhandige buitenlanders de boten niet doen omslaan. Erg efficiënt. Het is namelijk heel gevaarlijk om om te slaan horen we later. Doordat er zoveel waterplanten in het water leven kun je er niet in zwemmen. Als je dat probeert raken je armen en benen verstrikt in de stengels en verdrink je…
Of de mensen die we bezoeken geïnformeerd zijn betwijfelen we, gezien hun verbaasde reactie. In het midden van de ring houden ze de gevangen vis in grote netten. Op de ring zelf is een eenvoudig huisje gebouwd en er staan bananenplanten. Ook verbouwen de bewoners er een soort wortel. Het lijkt er niet op dat het hele eiland drijft. Slechts een gedeelte ervan.
loktakcirkels3klein

loktakcirkels5klein

Als tegenprestatie voor het bezoek kopen we een vis van de bewoners. We hopen dat ze ‘m ter plekke voor ons gaan klaar maken, maar we krijgen ‘m in een plastic zakje mee. Een uitdaging voor de kok van het ‘resort’ hopen we nog.
loktakcirkels6klein
De jongens roeien ons terug naar het vaste land en we vragen de manager of de kok iets lekkers van de vis kan maken. Helaas, de kok mist alle vorm van creativiteit. Dan vraag Eric of we ‘m zelf klaar kunnen maken in de keuken. Als de kok ‘m dan maar wel voor ons kan schoon maken, want we zijn niet zulke helden. Eric zegt altijd dat hij een hypocriete vlees- en viseter is. Een lapje vlees of moot vis vindt hij lekker, zolang hij het dier maar niet zelf hoeft te slachten. De kok maakt de vis schoon En zo sta ik een paar uur later, gadegeslagen door zes verbaasde mannen, ‘vis in een jasje op Hollandse wijze’ te bakken in een veel te kleine koekenpan op een veel te groot vuur.

Carla

loktakcirkels8


Toeval? Of toch niet?

Vanaf Loktak Lake is het twee dagen fietsen naar de Indiase grensplaats Moreh. De eerste dag fietsen we over een kleine vlakke weg langs de oostkant van het meer. Op de rijstvelden wordt druk geoogst. Mannen, vrouwen, kinderen, iedereen helpt mee.

De tweede dag moeten we een bergketen over die de grens vormt tussen India en Myanmar. We merken goed dat we in het grensgebied zijn. Wel vijf of zes keer worden onze paspoorten gecheckt, onze gegevens genoteerd en gevraagd of we écht wel de goede papieren voor Myanmar hebben. Steeds leggen we uit dat we bij de grens een agent van een reisbureau zullen ontmoeten die onze permit bij zich heeft.

En dan gebeurt er iets ongelofelijks. Na een bocht stop ik even om een foto te maken. Eric was even achtergebleven. Ik sta al een tijdje op hem te wachten en heb al een keer aan een chauffeur gevraagd of hij mijn ‘husband’, die ook met de fiets is, heeft gezien. ”Ja, hij is ok. Hij staat met twee mannen te praten„, is het antwoord. Hm, dat is raar. Normaal gesproken is Eric met drie zinnen wel uitgepraat met Indiërs als die niet zo goed Engels spreken

Net op het moment dat ik terug wil gaan, komt Eric de bocht om met. . . twee andere westers uitziende fietsers, althans hun fietsen… De twee fietsers zelf komen uit Thailand en hebben in Engeland gewerkt. Ze zijn 10 maanden geleden vertrokken vanuit Londen en zijn onderweg naar Bangkok. Nou ja zeg! Dat was het laatste wat we verwacht hadden vandaag.

Maar het wordt nog gekker: als Eric en ik ons aan hen voorstellen gaat er bij hen een lichtje branden. Ze halen een document te voorschijn waar naast hun namen, ook de onze in staan… Ik kan je zeggen dat het heel raar is: als twee vreemden een document bezitten, opgesteld in een vreemd schrift, met officiële stempels, en je daarin opeens je eigen naam ziet staan in westers schrift…

Het blijkt het speciale permit te zijn dat Seven Diamond Express Travels voor ons geregeld heeft. We vragen natuurlijk gelijk of het reisbureau hen gevraagd heeft om ook op 8 november de grens over te gaan. Nee, het blijkt puur toeval te zijn.

Of toch niet? Het moet zo zijn dat Eric, 23 jaar na zijn wereldreis hij alsnog de ontbrekende schakel gaat fietsen met twee wereldfietsers die zojuist hetzelfde gedaan hebben.

Carla

 


Fietsvoeten in de aarde

We zijn zeker niet de eerste fietsers die de grens overgaan van India naar Myanmar. Een Schot genaamd Frazier schijnt in februari 2014 al de grens vanuit India over te zijn gegaan. En waarschijnlijk nog een handvol fietsers, maar niet iedere fietser houdt zich bezig met Twitter, blogs, Facebook of Instagram. En nu dan wij. En dat had nogal wat voeten in aarde. Oh ja, ik heb een ruw filmpje gemaakt. Zodra wij ergens zijn met sneller internet zal ik dat op de website zetten.

Het heeft nogal wat voeten in aarde gehad. Een korte opsomming;
1. Eerst hebben we een visum aangevraagd voor Myanmar. Dat was binnen één week geregeld.
2. Daarna hebben we een afspraak gemaakt om een visum te mogen aanvragen voor India en dan ook nog eens voor de deelstaat Manipur. In Noordoost India kan het soms erg onrustig zijn, zodat je het ene moment daar wel mag reizen en het andere moment niet. Ondanks een negatief reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, gaan we toch naar Manipur. Voor een visum vragen ze al onze vingerafdrukken en ze maken zelfs een foto van je. En dan moeten we ook nog en stuk of vijf A4-tjes invullen. Ons visum kregen we een paar dagen voor vertrek binnen waarna we pas een ticket naar Imphal, Manipur, India boekten.
3. En tussendoor hebben we alle aanbevolen vaccinaties en Malaria profylaxes geregeld.
4. Via Seven Diamonds Express Travels hebben we via de mail op basis van goed vertrouwen toestemming geregeld om de grens van India naar Myanmar over te gaan. En om door het grensgebied te fietsen. Mijnheer Ko zal ons op 8 november opwachten bij de grensovergang Moreh-Tamu met de benodigde papieren. Pas daar hoeven we hem $ 100 per persoon te betalen. We krijgen wel vooraf de toestemming gemaild, maar wat er staat is voor ons onleesbaar, behalve onze namen dan…SevenDiamondsPermit

Onze routebeschrijving door het grensgebied.

Nou en daar staan we dan in de Indiase grensplaats Moreh. Ik schreef net ‘wij’, en met ‘wij’ bedoel ik ook Nicholas en Ray, twee Thaise jongens die in januari vanuit Londen vertrokken voor een tocht van Londen naar Bangkok. Wij kwamen hen vlak voor de grens tegen en wow, wat een leuke jongens zijn dat.

We moeten eerst op zoek gaan naar het kantoor van de ‘superintendant’ van de politie. Indiërs zwaaien een kant op en zeggen dat het een paar honderd meter ver weg is. In de praktijk betekent dat een paar keer vragen en verkeerd rijden. We moeten nog een paar keer vragen en slaan dan een onverhard pad in ergens achteraf. Daar krijgen we een ‘exit’-stempel in onze paspoorten.
Na weer een paar keer de weg kwijtraken komen wij bij het kantoor van de ‘superintendant’ van de douane. Daar moeten goederen worden aangeven die naar Myanmar worden geëxporteerd. Een official bekijkt onze papieren en ik bekijk een staatje dat op de muur hangt. Daaruit blijkt dat de ingevorderde goederen die zonder papieren de grens over zijn gegaan, het afgelopen jaar vertwintigvoudigd is.

Daarna mogen we doorrijden naar de bewaakte post bij het ‘Land Customs Station’. Er wordt met mobieltjes heen en weer gebeld naar de voorgaande kantoortjes. Ondertussen onderzoekt een dokter ons of wij geen Ebola hebben en mogen we ook daar weer verder rijden. Een kilometer verderop stoppen we bij het kantoor van het Ministerie van Financiën. Als je namelijk meer dan $ 2.000 wil uitvoeren, dan moet je dat aangeven.

De laatste Indiase grenspost.
(Foto is genomen met toestemming van de militair, zolang ik maar niet de kazerne fotografeerde)

We mogen weer verder en dalen af naar een rivier met een Baileybrug. De rivier is de échte grens. De militairen zijn al van onze komst verwittigd en wuiven ons door. We rijden de brug over en ik zie een stel spookrijders aan de verkeerde kant rijden. Driftig wijs ik naar de ander kant van de weg, tot ik mij realiseer dat wij van de linkerhelft naar de rechterhelft moeten. In Myanmar rijdt men namelijk rechts.

De Myanmarese immigratiedienst. Staand zie je mijnheer Ko
(Foto is genomen met toestemming van de autoriteiten)

We stoppen bij het Myanmarese Immigratiekantoor en overleggen de print met onze onleesbare toestemming. Maar daar is Mijnheer Ko warempel die ons door alle formaliteiten heen helpt.


De dagen na de grensovergang zijn de meest bijzondere fietsdagen. Een ongelofelijk goede weg, die na een rivieroversteek in een ongelofelijk slechte weg verandert. We ploeteren en we zweten maar met z’n vieren zijn we niet van slag te brengen. Onze fietsvoeten zitten af en toe vast in het zand, maar dat deert ons niet. En dan die Myanmarezen. Ik heb het wel eens eerder geschreven: ik ken geen volk dat zo attent, lief en emphatisch is.

Erictrio


Langs de grens

Na de gelukte grensovergang begint de tocht door Myanmar pas écht. Het klikt zo goed met Nicholas en Rayward, de Brits/Thaise fietsers die van London naar Bangkok aan het fietsen zijn dat we besluiten om samen te fietsen. Onder voorbehoud dat we een beetje hetzelfde ritme hebben.

Op de kaart ziet het er goed uit. Er staat een rode weg getekend tot en met Mandalay. Volgens de legenda is dat een nationale autoweg. Prima voor fietsers over het algemeen. Nou waren we eerder in Myanmar en we weten dat het asfalt nogal hobbelig kan zijn, dus daar houden we in ieder geval rekening mee.

De eerste twee dagen fietsen we langs de grens met India over superstrak asfalt, vrijwel vlak, naar Kalewa. We passeren veel dorpjes met theehuisjes en stalletjes, dus geen gebrek aan natjes en droogjes. Een stuk of drie keer moeten we stoppen bij een politiepost en moeten we onze paspoorten en onze speciale toestemming laten zien. Als alles in ‘het grote boek’ is genoteerd worden we met een grote smile door de agenten uitgewuifd.

 

De eerste dag houden we het na 90 kilometer voor gezien. We vragen in het dorpje waar we op dat moment zijn of er een guesthouse is. Helaas dat is er niet. Teleurgesteld kijken we elkaar aan. De Myanmarese dame aan wie we het vragen wijst naar het zuiden. Ja, in Kalewa zijn guesthouses, maar dat is nog zeker 50 kilometer fietsen. Te veel om vandaag nog af te leggen.

”Kunnen we misschien in de tempel slapen?„, vragen we. Nee dat gaat ook niet. En dan biedt ze spontaan aan dat we bij haar en haar gezin kunnen overnachten. Ze wijst naar het huis achter zich. De bovenetage is leeg. Daar kunnen we slapen als we willen. Nou, dat is een mooi aanbod dat we graag aannemen.

Wij zetten ons klamboe-binnententje op en voor Nick en Ray hangt er zowaar nog een klamboe die ze kunnen gebruiken.

Achter het huis is een typisch Birmees wc-tje en wassen… tja, dat moet bij de pomp. En die staat vóór het huis. Gelukkig had ik op het laatste moment nog een sarong in mijn tas gegooid. Nu komt die goed van pas want het is de bedoeling dat ik met de sarong om mijzelf ga wassen zonder dat borsten en billen te zien zijn. Dat is een handigheidje waar de Myanmarezen erg goed in zijn, maar voor deze Hollandse dame nogal een uitdaging. Volgens mij is het goed verlopen. Ik hoorde niet een keer gegiechel uit het ‘publiek’. Nou ja, anders is het maar zo.

De tweede dag verloopt ook zeer voorspoedig. Als we in de eerste grotere plaats op de route, Kalewa, aankomen gaan we eerst even wat eten bij een stalletje. Opmerkelijk: we zijn al gespot door iemand van de immigratie. Die komt er gezellig bij zitten tot we klaar zijn. Dan wijst hij ons de weg naar een guesthouse. Daar worden alle formaliteiten doorlopen voor de overnachting, maar we vinden het hotel veel te duur. Eric gaat op onderzoek uit en vindt een guesthouse waar hij een goede deal kan maken voor z’n vieren. Het blijkt voor de immigratiedienst geen enkel probleem te zijn als wij daar overnachten. Het gaat allemaal soepeler dan we ooit hadden durven dromen.

Carla


Lief en koppig

Myanmar voelt een beetje als thuiskomen. Veel herinneringen waarvan ik meende dat die uit mijn geheugen waren gewist zijn er opeens weer. Ik weet opeens weer hoe ik in het Myanmarees ‘dank u’ en ‘gedag’ moet zeggen. Langs de kant van de weg zie ik onder afdakjes kruiken met drinkwater staan waarvan iedereen mag drinken. Op de lage tafeltjes bij theehuisjes staan thermoskannen met gratis hete thee. En wat zijn ze lief die Myanmarezen. Ze kijken je sluiks aan, tot je ze in de ogen kijkt. Dan lachen ze op zo’n open manier dat het mijn hart opent.

Het begint al bij de kleinsten. Een baby wordt door zijn mammie ”Mingalaba„ toegefluisterd. Vaak ga ik op mijn knieën zitten, want zelfs voor de volwassen Myanmarezen ben ik een reus. Ik voel me soms een prehistorische dinosaurus die ver boven hen uittorent. Met mijn logge lichaam en westerse normen banjer ik door de subtiele Myanmarese porseleinkast.

De weg waar wij over ploeteren is een weg die toeristen nooit zullen bereizen, zelfs fietstoeristen niet. Als je dan nog nooit een blanke reus hebt gezien dan kan dat een behoorlijke schok teweegbrengen. In ieder geval voor de peuter die net van zijn vader een speelgoedpistol heeft gekregen. In gedachten verzonken loopt hij langs tot ik met een brede lach mijn handen omhoog steek en de peuter begroet met ”Mingalaba„. Huilend rent hij in de armen van zijn vader de hem teder sust.
Vol ontzag kijkt een oude fragiele dame naar boven en ziet mij ergens hoog in de lucht. Ik breng mijn hoofd op gelijke hoogte en zij is net zo onder de indruk van dit gebaar, als dat ik onder de indruk ben van haar tere schoonheid. Ze valt stil als ik haar voeten aanraak en uit respect mijn hand naar mijn hoofd breng.

In een eettentje, waar het halve dorp voetballen aan het kijken is, bestellen we de lokale noedelsoep, waarvan eentje zonder hete pepers. Voor mij dus. Na het eten beweeg ik mijn tong om een draadje kippenvlees tussen mijn tanden weg te halen. Tien seconden later staat de baas voor mij met een doosje tandenstokers.
De volgende ochtend keren we daar terug voor een ontbijt. Ik steek vier vingers op, want we reizen dit stuk met z’n vieren. Het meisje, met een schattige bloem in haar haar en grappige thanaka strepen op haar gezicht, steekt meteen één vinger op en zegt iets waar ik uit afleid dat ze snapt dat er een ontbijt zonder pepers moet. Hoe attent.
Bij het vertrek fietst Carla alvast vooruit terwijl ik de portemonnee wegstop. Het meisje roept iets naar haar. Ze stopt en een ander meisje loopt naar haar voorstandaard. Die was Carla vergeten in te klappen. Poeh, ik wens dat ik zo goed kan waarnemen. Maar zelfs met mijn minus-negen contactlenzen zal dat er nooit inzitten.

Dit afgelegen gebied, waarvoor wij een speciale permit hebben, wordt goed in de gaten gehouden.
Wij kamperen naast een kerk en een politieman heeft ons al ontdekt. Hij is al van onze komst op de hoogte gesteld via zijn smartphone. In een volgend dorpje eten we ’s avonds in een theehuisje. Twee politieagenten vragen om onze paspoorten, maar die liggen bij de mensen waar wij overnachten. We ragen of we eerst onze maaltijd kunnen afronden. Dat mag.
Met Nicholas en Ray is het reuze gezellig, dus we verliezen de tijd uit het oog. Tot we afgerekend hebben. Dan blijken de twee agenten twee uur lang in een hoek van het theehuisje op ons gewacht te hebben.

We rijden op een onverharde weg. Er is amper verkeer en huizen of dorpjes komen we al helemaal niet tegen. De prachtige weg loopt over de uitlopers van de heuvels. Links en rechts kijk ik soms zo diep een afgrond in, dat ik hoop dat het hard geworden zand waarover we rijden niet gaat schuiven.
Soms zien we door het dichte bos een brede droge rivierbedding. Een paar keer kruisen we deze rivier en duwen de fietsen door het mulle zand.

In de verte verschijnt een stofwolk boven de weg. Het is een busje waaruit zeven officials stappen. Zij vragen uiterst vriendelijk om onze paspoorten en onze permit. Ze bellen een paar keer en daarna mogen wij weer door. Een uur later komt ons een brommer tegemoet die twee flessen drinkwater afgeeft. Hij draait zich weer om en rijdt terug naar waar hij vandaan komt. Waar dat is, dat is ons een raadsel want pas tegen de avond komen we weer in een dorpje. We snappen er niets van. Zouden die officials hem hebben gebeld of zo?

We overnachten in het stadje Taze en moeten ons melden bij het immigratiekantoor. De paspoorten worden gekopieerd we moeten de permit overleggen. De immigratieofficier stapt op zijn brommertje, loodst ons door het stadje naar een guesthouse. Wow, wat een service. Ik word er soms stil van, van die oprechte vriendelijkheid zonder dat daar een bedoeling achter zit. Zelfs later als we weer met z’n tweetjes fietsen, mogen we af en toe onze lunch niet eens zelf betalen. Nee, zo lief kom ik mensen zelden tegen.

Eric


Koppige westerling

Toch kan ik mij ook voorstellen dat er mensen zijn die juist in de problemen komen met de Myanmarezen. Hun Engels is vaak zo bar slecht dat ze zich geen houding weten te geven en vervolgens gaan giechelen. Of ze kijken je aan alsof je gek bent en lopen weg. Op een westerling komt dat over als een weigering en je voelt je niet serieus genomen. Maar het is geenszins kwaadaardig bedoeld.

Als ik dorstig een ‘Dagon Beer Station’ binnenwandel grijpen ze meteen naar een liter fles Myanmar bier. Ik heb liever een Colaatje maar als ik ”Cola„, ”Coca Cola„ en ”Coke„ op duizend-en-een-manieren uitspreek, snappen ze het nog altijd niet. ”Ben ik nou zo dom, of zijn jullie zo dom?„ denk ik dan. Tot ik naar de vriezer loop, hem opentrek en zelf een blikje Cola pak. ”Ah, Cola.„ zegt een jongen. Precies zoals ik het zeker al drie keer heb uitgesproken. Ik kom tot de conclusie dat Myanmarezen vooral visueel ingesteld zijn en wat minder verbaal.

De kinderen leren weliswaar Engels op school, maar die les wordt meestal gegeven door een lokale leraar die zijn uitspraak heeft geleerd van zijn lokale leraar die het weer heeft geleerd van zijn lokale leraar.

Oh ja, de hotels is ook zoiets. Als je als buitenlander niet weet dat je alleen in hotels mag overnachten waar ze een licentie voor buitenlanders hebben, dan kun je af en toe pisnijdig en opstandig worden. Ik had dat in de stad Kyaukse. We hadden twee leuke hotels bezocht, maar beiden mochten geen buitenlanders huisvesten.
Toen de baas van het tweede hotel zei dat wij naar het Royal Orchid Garden Resort konden gaan, zwaaide hij een richting op. Inmiddels weet ik dat dat niets zegt, dus vroeg ik of hij mij daar naartoe kon brengen. ”Carla, blijf jij maar hier. Dan ga ik eerst kijken of het wat is en daarna kom ik je wel weer ophalen.„

Via een onmogelijk terug te vinden route komen we bij het Royal Orchid Garden Resort terecht waar ik een kamer voor vijftig dollar kan krijgen. De baas brommert meteen weer terug naar Carla. Vijftig dollar is gewoon te veel geld voor zo’n kamer, dus ik vraag de receptionist of hij een goedkopere kamer heeft of dat hij deze kamer tegen een lagere prijs kan aanbieden.
Zie dat niet als een goed gesprek met goed onderbouwde argumenten, maar meer als een soort televisieprogramma met veel gebaren en weinig taal. Want ook al hebben ze een licentie voor buitenlanders, dat wil nog niet zeggen dat ze een buitenlandse taal spreken. Die lagere prijs zit er niet in. Ik baal, want voor mijn gevoel maken ze misbruik van het feit dat wij nergens anders terecht kunnen.

Recalcitrant pak ik onze tent uit en vraag of wij anders deze op het terrein mogen opzetten. Nee, dat mag dus niet. We hebben een lange warme dag in de tropische zon gefietst, alles plakt en ik voel mij smerig. Ik wil mij alleen maar douchen en iets aantrekken dat niet kleeft. Ik neem de tent mee naar buiten het terrein en begin hem op het mooie grasveld op te zetten. ”Is dit mogelijk?„ vraag ik koppig, maar het personeel is al weggelopen.

Daar sta ik dan; 34 graden in de zon, lauw water in mijn bidon en zo stijfkoppig als wat. En dan ook nog eens niemand op wie ik boos kan worden. Ik plof neer in de schaduw van een boom.

Vijf minuten later heb ik mij vermand en in mijn lot geschikt. Ik pak de tent weer in, loop terug naar de receptie en zeg de kamer te nemen. Het Engels van de receptionist is niet eens latent aanwezig en hij zegt: ”thirty five dollars.„ Nou, dat is dan weer een mazzeltje. Ik geef hem een hand, schrijf het bedrag op een blaadje, zet het kamernummer erbij en teken twee poppetjes ernaast. Zo dan ontstaat daar geen misverstand over.

Nu had ik beloofd Carla op te gaan halen, maar het was zo’n wirwar van weggetjes, paadjes, karresporen en kapotgereden asfalt dat ik niet meer weet hoe wij gereden zijn. De receptionist kan het telefoonnummer van het hotel waar Carla is achterbleven niet vinden. Maar gelukkig komt de baas van Carla’s hotel nog even lans op zijn brommer, want hij weet ook niet wat hij met Carla aan moet. Ik schrijf een briefje: ”Lieffie, deze man brengt je naar mij.„

De baas brommert weer terug naar zijn eigen hotel, met een hulpje van het Royal Orchid Garden Resort op zijn brommer er achteraan.
Een half uur later zijn we weer herenigd en stap ik onder een verkoelende douche.

Eric


De weg door de jungle

De derde dag verloop allesbehalve volgens verwachting. Als we ’s morgens vragen naar de weg naar Mandalay, wijst men naar de rivier. ”Nee, we bedoelen de weg naar Mandalay, niet de boot…„ Maar een overtocht over de rivier blijkt onderdeel van de route te zijn. Op onze landkaart en navigatiesystemen staat een brug aangeven, maar die is zeker onlangs verloren gegaan.
Dus, we onderhandelen even over de prijs, betalen te veel en hup, we halen alle tassen van de fietsen. Ik spring in de boot om alle tassen aan te pakken, maar vooral om te zorgen dat niemand er mee vandoor gaat.
Voor Nick en Ray is dit de eerste keer dat ze met zo’n smal bootje een overtocht met de fietsen en bagage moeten maken. Eric wijst ze erop dat ze vooral moeten zorgen dat er niets met de derailleurs gebeurt: ”Zorg dat je daar altijd zelf bij blijft.„

We worden afgezet op het strand aan de overkant. Eerst denken we nog dat de eerste kilometer met gravel en zand, de toegangsweg is naar de hoofdweg, maar in de loop van de ochtend komen we er achter dat dit de ‘rode’ hoofdweg is.

We ploeteren door het zand en stuiteren over rotsblokken. Aan weerskanten is een meedogenloze dichte jungle met aan het einde van iedere fietsdag een dorpje waarvan de bewoners ons met ongeloof gedag zeggen. We leven die dagen op thee, instant noedels, zuurtjes en eieren.

Aan het einde van deze derde fietsdag in Myanmar hebben we 40 kilometer afgelegd i.p.v. de 70 kilometer die we gepland hadden.

Gelukkig zijn we nog net voor donker bij een dorpje. Alweer biedt een dame aan dat we wel in haar huis kunnen overnachten, maar Eric en Nick hebben een bijzonder mooi kampeerplekje gevonden: op het terrein van kerk. Er is zelfs een wasgelegenheid bij. Perfect! Maar eerst gaan we wat eten in het dorpje. Binnen een half uur is er iemand van de politie. Het nieuws dat er buitenlanders zijn gaat snel…
Het is wat hem betreft akkoord dat we bij de kerk kamperen. Hij moet het alleen wel even rapporteren aan zijn meerdere in Kalewa. En zo verrijzen onder het toeziend oog van een aantal nieuwsgierige dorpsbewoners drie tentjes op het grasveldje.

De dag daarop is het weer 63 kilometer ploeteren door de prachtige jungle van noordwest Myanmar. Het zijn bijzondere dagen. De vlinder die je hier op de foto ziet is bijna zo groot als mijn hand.

Gelukkig wordt de weg af en toe wat beter en vlakker. Aan het einde van de dag krijgen we zelfs een stukje asfalt cadeau. Maar het wordt al donker. We moeten met z’n vieren besluiten of we in de jungle overnachten, of dat we doorfietsen tot we een dorpje tegen komen. Water blijkt het doorslaggevende criterium te zijn: we hebben gewoon niet meer genoeg, dus doorfietsen is de enige optie.

Er rijden wat brommertjes voorbij. De mensen weten ons te vertellen dat er ergens tussen de 1 en 4 mijl een dorpje is. En warempel. Na een aantal enge kilometers door de donkere jungle zien we lichtjes. Het blijkt een restaurantje te zijn. We vragen of we op het naastgelegen grasveldje onze tentjes op mogen zetten. Het mag. Ook van de politie die er weer binnen een half uur is. Het blijft wonderlijk.


De volgende dag schieten we gelukkig wat meer op dan de twee dagen ervoor. Maar het is 13 november. Weliswaar geen vrijdag, maar toch een beetje onze ongeluksdag. Nick valt en schaaft zijn arm behoorlijk. Dokter Eric maakt de wond goed schoon waarna hij hem ontsmet. Een snelverbandje aanleggen kan hij als de beste.

Maar dan, ongeveer vijf kilometer voor het asfalt definitief weer begint, ben ik aan de beurt. Als ik even ontspannen de bar-ends vasthoudt kom ik in mul zand en raak ik in een slip. Daar licht net een grote steen waarop mijn voorwiel weg stuitert en hup, daar lig ik. Ook mijn huid ligt open, net onder de elleboog, maar mijn wond is een stuk dieper dan die van Nick. Het vlees hang er uit.
Op de foto lach ik nog nadat Eric mij verbonden heeft, maar tien kilometer verderop gaan we toch maar naar het plaatselijke ziekenhuisje. Eric vond het er dermate eng uitzien…
Daar krijg ik drie plaatselijke verdovingen, wordt de wond nog beter ontdaan van het gruis van de weg en wordt goed ontsmet en verbonden. Ik krijg een boekje mee, waarin de dokter precies heeft opgeschreven wat hij heeft gedaan en welke antibiotica hij heeft voorgeschreven. ”Geen kosten„ zegt hij. Wij sponsoren het ziekenhuis met een Myanmarees maandsalaris.

De weken erna ga ik om de twee dagen naar een ziekenhuis of kliniek om er naar te laten kijken en opnieuw te laten verbinden. Wij blijven ze sponsoren en iedere keer wordt er in het boekje iets bijgeschreven. Een dokter verontschuldigt zich: ”Wij hebben geen elektronische database.„ ”Ach, het is goed om de verantwoording bij de patiënt zelf te leggen„, zegt Eric
Het is nog goed afgelopen al met al, op 13 november…

Carla


Myanmarese ziekenhuizen

Carla schijnt er nogal van te houden om tijdens een reis regelmatig te vallen. De eerste keer was in 2004 tijdens een afdaling van het Indiase Darjeeling naar de Bengaalse laagvlakte. En nu, in 2014, bekijkt ze het gravel van nabij op een afgelegen weg in noordoost Myanmar. Als we die regelmaat erin houden, dan zal de volgende keer dus in 2024 zijn. ”Carla zullen we dan in een land gaan fietsen waar goede ziekenhuizen zijn? En in 2024 voor de zekerheid zijwieltjes op je fiets monteren?„

Op de stoffige zandweg peuter ik de steentjes uit Carla’s wond. Met wat lauw water uit mijn bidon spoel ik bloed weg en kan daarna de kleine grindkorrels los pulken. Ze zitten er diep in en uit de wond hangen een paar stukjes wit vlees. Vreemd, ik dacht dat vlees altijd roodkleurig is. Met een paar harde knepen in mijn bidon spuit ik het resterende bloed en zand weg. Ik dep de wond droog met toiletpapier en veeg het hardhandig met een alcolholdoekje verder schoon. Tja, valse heelmeesters… Vervolgens spuit ik flink wat Betadine op en in de wond en denk het af met een snelverband.

Klik op het rode kruis als je tegen bloed kunt. Anders niet klikken!

Pas in de namiddag komen we in een dorpje. Langs de weg staat een paal met een vierkant wit bord en een rood kruis erop geschilderd. Gezien het vlees dat uit de wond hing, lijkt het mij beter om een professional er naar te laten kijken. Al staat in de reisgids dat je erg wanhopig moet zijn als je in Myanmar naar een ziekenhuis gaat. De gids adviseert om dan meteen naar Singapore of Bangkok te vliegen. Maar dat doen we dus niet.

Ondanks dat er in het ziekenhuisje een paar Myanmarezen op het ruwhouten wachtbankje zitten, laat de dokter ons voor gaan. Hij spreekt gelukkig een beetje Engels. Van een stoffig karretje worden een injectiespuit gepakt en Carla krijg een paar verdovingsprikken rond de wond. Met gedestilleerd water maakt hij de wond opnieuw schoon.

Als de verdoving begint te werken, gaat de dokter echt aan het werk. Het is fascinerend om te zien hoe hij met zijn vinger helemaal de wond in gaat en ook nog eens diep onder de huid nog meer zand weghaalt. Zou de wond van iemand anders zijn, dan zou ik van afschuw over deze horror mijn hoofd hebben afgewend. Ondertussen spuit de dokter flink wat gedestilleerd water onder de huid. ”De wond moet eigenlijk gehecht worden, maar dan kan de rest van het vuil er niet uit. Daarom wil ik het open laten. Het verband moet om de twee dagen vernieuwd worden.„ Carla krijgt antibiotica voorgeschreven.

Als ik vraag wat het kost, zegt de dokter: ”Geen kosten. U bent onze gast in Myanmar.„ Mijn ogen schieten vol. Wij zijn rijke westerlingen, we worden voorgetrokken, krijgen medicijnen en injecties en hoeven niet eens iets te betalen. Ik doneer drie Myanmarese maandsalarissen (20.000 Kyat). Aangeslagen rijden we weg.

 

De daarop volgende weken zien we nog meer ziekenhuizen. Steeds worden we voorgetrokken, hoe zeer we ons best ook doen om achter aan te sluiten. Maar zelfs de patiënten die wachten vinden dat wij als buitenlander voor moeten gaan. Carla heeft een boekje meegekregen waarin iedere dokter opschrijft wat hij of zij heeft gedaan. Een dokter excuseert zich voor het boekje: ”Tja, wij hebben geen elektronische patiënten-database zoals jullie.„ ”Ach, zo legt u de verantwoording bij de patiënt„, zeg ik op mijn nuchterste Engels.

Terwijl Carla’s wond in Mandalay wordt verschoond en opnieuw verbonden, kijk ik naar buiten. Voor de deur stopt een pick-up. Een verdoofde man ligt plat achterin en wordt door zijn meegereisde familie liefdevol op een vooroorlogse brancard gelegd. Zo te zien zijn z’n moeder, vrouw, twee zussen en drie kinderen meegereisd. In een wollen deken is een bundel kleding gestopt en aan de bovenkant dichtgeknoopt. In een kartonnen doos zitten wat pannen en andere spullen. De familie moet in het ziekenhuis zelf voor de man zorgen. Ze slapen op de gang, tussen andere patiënten die in hun gewone kloffie aan een infuus gekluisterd zijn.
In Toungoo lopen we door het hele ziekenhuis en werp ik links en rechts een blik in allerlei zalen. Het ziet er allemaal even groezelig uit. Spinraggen hangen aan het plafond, gedroogd bloed plakt op de grond en het vuilnis is in een hoek geveegd. Dit ziekenhuis heeft een groot binnenterrein. Een paar families zijn eten aan het koken in de schaduw van een van de bomen. Een ballonventer verkoopt ballonnen om de kinderen wat op te vrolijken, maar de gulle lach van de Myanmarezen is hier ver te zoeken.

Eric

Nick, Carla. de Thaise dokter, de leuke zuster die trots vertelde dat ze iedere dag 4 kilometer fietst. Tijdens het verbinden pakte ze haar smartphone om meteen onze facebookpagina te bezoeken. En uiterst rechts Ray.


Goede herinneringen gekoesterd

We ontmoeten de Thaise wereldfietsers Nick (Nicholas) en Ray een week later weer. Zij zijn in Bagan geweest. Ik wilde daar graag nog een keer naartoe, maar Carla niet. Zij wilde liever de nieuwste hoofdstad ter wereld bezoeken. En ik gaf haar daarin al snel gelijk.

Negen jaar geleden was de Bagan-vlakte met honderden tempels voor ons het hoogtepunt van Myanmar. Maar als vakantiefietser moet je nooit teruggaan naar een bestemming waar je goede herinneringen aan koestert. Het gevoel dat je hebt bij die plek was er op dat moment en is niet te herhalen.

Nu ik de verhalen van Nick en Ray hoor en hun filmpjes en foto’s zie, is dat maar goed ook. Sommige tempels werden zo druk bezocht, dat je op de trappen niet eens kon bewegen. Mensen stonden strak tegen elkaar aan gedrukt en tientallen Chinezen hadden van de beste plekken bezit genomen met hun camera’s op tripods om vooral de zonsondergang goed vast te leggen. Er was geen doorkomen aan.
De ballonvlucht die wij toentertijd hebben gemaakt was voor ons een unieke ervaring. Er waren toen maar vier heteluchtballonnen. Op het filmpje van Ray zien we dat het er inmiddels minstens twintig zijn en dat ze in file moeten vliegen. Nou ja, voor zover een luchtballon vliegt…

Eric

Bagan, negen jaar geleden. (let op Eric op zijn oude Koga)

Bagan, negen jaar geleden.


De nieuwste hoofdstad ter wereld

Toen wij negen jaar geleden naar Myanmar gingen was Yangon (v/h Rangoon) de hoofdstad. Een hoofdstad als alle andere hoofdsteden in de wereld met ministeries, departementen, ambassades, hoofdkantoren van de grote bedrijven van het land, de grootste en belangrijkste pagode van het land, de meeste reizigers komen er aan en vertrekken er weer vandaan. Kortom alles wat je kunt verwachten van een hoofdstad, dat was er.

Toen wij na onze reis in 2005 weer terug in Nederland waren, bleek er ongemerkt iets veranderd te zijn. De hoofdstad van Myanmar was tijdens onze reis verplaatst en gewijzigd van Yangon naar-in Nay Pyi Taw. Bizar.
Er was de jaren daarvoor in het diepste geheim hard gewerkt aan een nieuwe, meer strategisch centraal gelegen hoofdstad. Pas thuis snapten we waarom we niet in het plaatsje Thatkon, 33 km ten noorden van het gebied waar de nieuwe hoofdstad werd gebouwd, mochten overnachten.
We werden toen gemaand om voor harde dollars een busje te huren en daar weg te gaan. We kregen een escorte mee en pas 200 km verderop mochten we weer verder fietsen. Tijdens die avondlijke rit kwamen ons legervrachtwagens tegemoet met allemaal kantoormeubilair. Heel vreemd vonden we dat toen, maar later konden we ook dat plaatsen.

Je begrijpt dat we erg nieuwsgierig zijn naar die nieuwe hoofdstad waar toen zo geheimzinnig over gedaan werd. Het is dan ook de nieuwste hoofdstad ter wereld. We zagen in onze reisgids dat er hotels zijn waar buitenlanders mogen overnachten. Dus namen we een bezoek op in onze reisplanning.

We eindigen de voorlaatste etappe weer in Thatkon, ervan uitgaande dat we daar nu wel mogen overnachten, maar helaas. Hetzelfde hotel waar we negen jaar geleden ook stranden accepteert ons óók nu niet als gast. Ze hebben geen verguning en men kan daar onze ‘veiligheid’ niet garanderen. Er wordt zelfs een lerares Engels bij gehaald om ons dat duidelijk te maken. Weer worden we, onder escorte van iemand van de immigratiedienst, ‘gedeporteerd’. Maar dit keer dus naar de nieuwe hoofdstad. En dit keer betaalt de immigratiedienst…

Als we bij de nieuwe hoofdstad aankomen, draaien we een twaalf-baans, bijna verlaten, strak geasfalteerde weg op. Bizar hoe anders het hier is dan in de rest van Myanmar. We stoppen bij een hotel met Las Vegas aandoende verlichting. Eric gaat naar binnen om te vragen hoe duur het is. De chauffeur en de escorte willen de fietsen en de tassen al gaan uitladen, maar dat weet ik gelukkig te voorkomen. Pontificaal blijf ik in het busje zitten. Dat is de afspraak. Er blijft altijd iemand bij de spullen zodat niemand ermee vandoor kan gaan.
Eric komt terug: ”Veel te duur. Ze vragen 100 USD voor een kamer. Belachelijk. We moeten een ander hotel vinden„. Hij stapt ook weer in de auto. De immigratiedienst heeft het begrepen en rijdt ons naar een wat goedkoper hotel. Pas als de hotelmanager bevestigt dat we ingeschreven zijn en betaald hebben vertrekt ze.

Inmiddels weten we dat de hoofdstad van Myanmar Nay Pyi Taw heet. Aan de lege meerbaanswegen liggen immens grote percelen met joekels van luxe vijf- of meer sterrenhotels. Wij betalen voor onze erg goede kamer slechts vier tientjes per nacht. Het is ons een raadsel waar ze van kunnen leven, want wij zijn zo’n beetje de enige gasten in het hele hotel. Wel handig want het personeel doet zijn razende best om ons met alles en nog wat te helpen.

We bezoeken de plaatselijke pagode. Deze is net 30 centimeter kleiner dan de beroemde en ongeëvenaarde Shwedagon pagode in Yangon. Er zijn wat shoppingmalls en grote regeringsgebouwen, maar het belangrijkste dat ontbreekt is sfeer. En dat kun je niet bouwen.
Goh, warempel, het lijkt Dubai wel!

Carla en Eric


Pelgrimstocht naar een balancerende rots

rots3

 

In een ver verleden is in de bergen bij het plaatsje Kyaikto een rotsblok gevonden dat gevaarlijk balanceert op de rand van een berg. Tegenwoordig zie je in iedere folder of gids over Myanmar wel een foto van dit rotsblok.
Het lijkt alsof hij ieder moment naar beneden kan rollen, ware het niet dat één enkele haar van Boeddha dit rotsblok in evenwicht houdt. Vandaar dat dit rotsblok voor Myanmarese boeddhisten het belangrijkste bedevaartsoord is.
Iedere rechtgeaarde boeddhist probeert in zijn leven een pad af te leggen naar de hoogste wijsheid. Dit is vaak een pad van afzien en verleidingen weerstaan. Vaak wordt dit gesymboliseerd door linksom een tempel te lopen en na ieder rondje een verdieping hoger te komen. Tot je doodmoe bovenin de tempel aankomt

In het geval van het balancerende rotsblok moet je de weg bergop afleggen tot je helemaal boven bent. Dat is dan goed voor je kharma. Eenmaal bij het rotsblok kun je er een stukje bladgoud op plakken. Vandaar de naam Gouden Rots, oftewel Golden Rock.
De weg naar boven is een kronkelende bergweg die levensgevaarlijk is. Fietsen is sterk afgeraden en ach, lopen is ook zo wat.
Zo denken ook alle andere 99,9 procent van de pelgrims. Om boven te komen is een behoorlijk wereldlijke aangelegenheid. Er is een heuse pelgrim-transportservice. Eén enkel bedrijf heeft het monopolie op de weg naar boven. In een vertrekhangar staan grote Nissan vrachtwagens die zijn omgebouwd tot veewagens. In de laadbak van iedere vrachtwagen zijn zeven smalle bankjes geplaatst. ‘Stouwers’ zien erop toe dat op elk bankje zes pelgrims naast elkaar plaats nemen. En als het aan hun ligt, dan kunnen er best wel zeven of acht stel Myanmarese billen op een bankje. Eén paar billen levert namelijk 2500 Kyat op, wat in Myanmar erg veel geld is. ”Inclusief Levensverzekering„ staat er in het Engels op een groot bord in de hangar.

rots7
Maar ja, de billen van ons zijn groter en onze benen zijn langer. Ik moet schuin zitten en Carla, Nick en Ray zitten ook dwars. Een stouwer probeert nog een kind ertussen te krijgen en dat lukt nog net. Met z’n vijven zitten we klemvast en dat is maar goed ook. .De weg naar boven is in de boeddhistische traditie een echte lijdensweg. We worden flink door elkaar geschud en mijn knieën bonken tegen het bankje voor mij.rots5

”Heb ik dat!„ vloek ik uit. Ben ik bij het fietsen voorzichtig met mijn knieën, worden ze hier in de vrachtwagen bijna vernaggeld. Dan weer dendert de vrachtwagen naar beneden om even later een helling van 30 procent op te sjezen. Van de frisse berglucht is weinig te merken, want een pelgrimstocht naar de Gouden Rots is een vorm van massatoerisme. Vóór ons rijden vier vrachtwagens en vlak achter ons nog eens drie.
Tegenliggers hebben we niet, want het ene moment is de weg afgesloten voor dalend verkeer en het andere moment voor stijgend verkeer. Bij elkaar tel ik zo’n veertig vrachtwagens die heen en weer rijden.
Deze ‘Eric-shake’ is in ieder geval blij als hij kan uitstappen. Maar we zijn er nog niet. Eerst moeten we onze schoenen uittrekken en nog wat trappen op. Bovenop de berg zijn we ooggetuige van dit Myanmarees bedevaartsoord à la Lourdes. Compleet met alle prullaria die daarmee gepaard gaat.

rots5

Devote pelgrims lopen de laatste vijfhonderd meter naar de Gouden Rots. Alleen mannen mogen er zo dichtbij komen dat ze het bladgoud erop kunnen plakken. Carla gaat een discussie aan met een soort van bewaker van de rots. Zij snapt niet dat vrouwen niet bij de rots morgen komen.
Onder het rotsblok kruipt een man die de stukjes gevallen bladgoud verzamelt. Hij moet wel een grenzeloos vertrouwen in die ene haar van Boeddha hebben.rots2

We brengen een paar uur boven op de berg door en komen ogen en oren te kort. Het is een toeristische attractie van de bovenste plank en dan met name voor de Myanmaresen. Westerlingen zien we hier bijna niet. En dat voelt dan toch anders.

rots1

Na de ”achtbaan„ naar beneden overleefd te hebben loop ik murw gebeukt heel eigenwijs naar het kantoor van deze transportmaffia. Ik ben wel benieuwd naar de inbegrepen ‘Levensverzekering’.

Vreemd genoeg is op onze aardbol een westers leven meer waard dan dat van een Myanmarees of Afrikaan. Immers van het geld dat de gemeenschap besteedt aan het verlengen van een enkel Nederlands leven, kunnen wel honderd Afrikaanse kinderen van gered worden. “Stel je eens voor dat daar een Nelson Mandela bij zit”, denk ik dan. Dus ik ben eigenlijk benieuwd of de uitkering bij overlijden van een westerse toerist hoger is dan de uitkering bij het overlijden van een Myanmarese pelgrim.

Ik word van het kastje naar de muur gestuurd, maar uiteindelijk sta ik voor de juiste man.
”Vijfhonderd dollar„, zegt de baas van het transportbedrijf.
”Voor iedereen?„
”Ja, voor iedereen„, zegt hij.
En zo hoort het.

Eric

rots8

 


Het geheim van Hpa-an

Een van de laatste delen van onze missie ‘De Ontbrekende Schakel’ gaat door gebieden die negen jaar geleden niet eens in onze reisgids opgenomen waren. Onafhankelijkheidsstrijders en oppositie verscholen zich in de bergen en de militaire regering van Myanmar wilde niet het risico lopen dat buitenlanders met hen in contact zouden komen. Sinds 2012 is er een staakt het vuren en heeft de oppositie een aantal zetels in het parlement. Langzamerhand worden de strakke lijnen wat gevierd.

Als we de deelstaat Mon verlaten en de deelstaat Kayin binnenfietsen, verandert het landschap significant. Voor ons ploppen karstbergen in al hun grilligheid de vlakte uit. Vooral met een pas aangeplant rijstveld ervoor staat dan garant voor geweldig mooie plaatjes.

De mensen die we onderweg begroeten, zwaaien met nog meer enthousiasme terug dan de Myanmaresen die we tot nu toe zijn tegengekomen. We denken dat dat komt doordat ze sinds een aantal jaren eindelijk óók buitenlandse reizigers zien en dat als een teken zien dat er dingen aan het veranderen zijn in Myanmar.

Hpa-an (uitgesproken als: Pahaan) is de hoofdstad van de deelstaat Kayin. Als we onze reisgids mogen geloven hadden de gebroeders Soe de afgelopen jaren een monopolie op accommodatie en toertjes door de omgeving, maar als we hun kamers bekijken zijn die oud, muf, vies en is er alleen nog plek op de slaapzaal. Het sinds een half jaar geopende Galaxy hotel is voor ons in ieder geval een veel aangenamere optie. De receptioniste is een pas afgestudeerde jonge dame die heel goed Engels spreekt. Een wat oudere heer, die ook aardig Engels spreekt, organiseert voor ons een afwijkend toertje. Normaalgesproken wordt een hele dag uitgetrokken voor het bekijken van alle bezienswaardigheden in de buurt. Maar wij vinden een halve dag en dus drie van de acht interessante plekken echter wel genoeg. Dat is nog eens klantvriendelijk en servicegericht.

In een lawaaierige brommerriksja gaan we op pad met nog drie andere toeristen. Eric stoot zijn hoofd een aantal malen als de chauffeur iets te hard over een hobbel rijdt. Ach, hij is gewoon te groot voor het bakkie.


We bezoeken een soort van menhir-rots met een tempel erop, een tuin met honderden boeddha beelden en een wonderschone grot. Stuk voor stuk zouden deze drie plekken in ieder land een attractie van de allerbovenste plank zijn. Maar hier nog niet.

Vooral de grot is een beleving. De entree is zo groot dat er een huis in past. Die staat er dus niet in, maar wel Boedhabeelden en een paar altaars. Naarmate we verder de grot in glibberen over de gladde stenen, wordt het donkerder. We knippen onze hoofdlampjes aan en gaan af op het geluid van duizenden vleermuizen die bovenaan het dak van de grot hangen. Ontelbare stalagtieten en stalagmieten van piepklein tot reusachtig groot. Na een halfuur door het pikdonker te hebben gelopen in het licht van onze hoofdlampen zien we aan het einde een opening. Daarachter ligt een idyllisch meer te midden van rijstvelden. In een uitgeholde teakboomstam varen we onder een karstberg door en belanden we tussen honderden waterlelies en de rijstvelden. Mooier kan het niet meer worden. De eigenaren van de kano’s zijn zeer in hun nopjes met hun 3.000 Kyat die ze vandaag toch maar weer extra verdiend hebben.

Deze grot is het best bewaarde geheim van Hpa-an. Wil je graag weten waar die grot precies is? Tja, dat vertellen we niet. Anders is het geen geheim meer.

Carla



De laatste berg

We hebben nog één etappe in Myanmar van De Ontbrekende Schakel te gaan. En die is niet misselijk. De Death Road, nabij La Paz, is er dezer dagen peanuts bij nu die een toeristische attractie is geworden en alleen fietsers en begeleide busjes de oude weg nog gebruiken (zie: onze reis door Peru, Bolivia en Noord-Chili).

De laatste berg is weliswaar niet hoog, maar de weg is op sommige stukken zo smal dat tegenkomend verkeer elkaar niet kan passeren. Daarnaast zijn er ontelbare haarspeldbochten. Daarom is heel pragmatisch besloten dat het verkeer alléén op even dagen van oost naar west, en op oneven dagen van west naar oost mag rijden.

We worden tegengehouden bij een wegblokkade. De agent vraagt of wij weten dat de weg vandaag 4 december is afgesloten voor het west-oost verkeer dat uit onze richting komt. Wij krijgen dus alleen met tegemoetkomend verkeer te maken. Daar zijn we ons bewust van. Toch probeert hij ons over te halen om pas de volgende dag deze weg te nemen. Als hij ziet dat wij dat niet willen, wenst hij ons een goede reis en maant ons om vooral voorzichtig fietsen.

Gelukkig wordt de regel dus niet gehanteerd voor bromfietsers en fietsers. Sterker nog: de weg gefietst hebbende denk ik dat het voor fietsers veiliger is als het verkeer je tegemoet komt gezien de hoeveelheid vrachtwagens, hoog opgeladen pick-up trucks en de conditie van het wegdek. Nadeel is dan wel dat als je opgeeft, je niet om een lift kunt vragen. Maar opgeven is er voor ons niet bij.

De eerste kilometers de berg op is het wegdek nog goed. Langs de kant van de weg staan vrachtwagen met oververhitte remmen. Met dikke slangen water worden de wielen en remmen gekoeld. Het waterdamp slaat ons tegemoet.

Na een vlak stuk begint de ellende, vooral in de bochten. Die zijn volledig stuk gereden door veel te grote en te zwaar beladen vrachtwagens. Ik vraag mij af hoe de weg ooit gerepareerd kan worden. Er is vrijwel geen ruimte voor wegwerkzaamheden én tegelijkertijd de doorgaande verkeersstroom.

Naarmate we hoger op de berg komen wordt het warmer en stoffiger, maar de mensen blijven ons vol enthousiasme begroeten en duimen opsteken. Dat maakt dat we met een grote glimlach verder omhoog ploeteren, soms fietsend, soms lopend.

Nick, Ray en Bastien (de fransman die zich sinds twee dagen bij ons heeft aangesloten) gaan veel harder dan wij, maar hebben op ons gewacht na de eerste pas. Daar zijn wat restaurantjes en kunnen we lunchen en bijkomen. Dan is het nog een kilometer of twee naar de volgende pas. We hopen dat we vóór 18:00 uur bij de grens zijn want er zijn geruchten dat de Thaise grens de volgende dag, 5 december, dicht is vanwege Koningsdag. Als dat inderdaad het geval is willen we vandaag nog de grens over gaan.

De afdaling is zo mogelijk nog slechter dan de klim. Remmen los en gaan is er niet bij. We moeten constant losse stenen en zanderige kuilen ontwijken. Ik ben extra voorzichtig want de wond op mijn arm is nog niet helemaal genezen, dus ook nu moeten de anderen af en toe even op mij wachten.

Ongeschonden komen we bij de wegblokkade aan de andere kant van de berg aan. Misschien verbeeld ik het mij, maar ik denk opluchting bij de dienstdoende agenten te bespeuren. Maar misschien is dat mijn eigen opluchting dat ik ook deze berg overwonnen heb.

Carla


Opgewacht door de immigratiedienst

In de Myanmarese grensplaats Myawaddy halen we onze exit-stempel bij de douane. We stappen op de fiets en rijden de brug over die Myanmar met Thailand verbindt.
Halverwege de brug gaan we van de rechterzijde naar de linkerzijde en rollen naar het Thaise douanekantoor van Mae Sot.
We hebben de fietsen nog niet neergezet of een immigratie-officier met meer strepen op zijn mouw dan ik rimpels op mijn voorhoofd heb, loopt op ons af. Met een vriendelijke zwaai met zijn arm wijst hij naar de plek waar wij de fietsen kunnen parkeren.
Er komen meer mensen op ons af die licht buigen, het ‘wai’- gebaar maken en ons begroeten met: „Sawadee khap„ of ”Sawadee kha„*. Het zijn de ouders van Ray en familieleden van hem en Nick. De gestreepte immigratieambtenaar blijkt familie van Ray te zijn. We leggen uit dat wij alvast vooruit zijn gefietst om hun binnenkomst in Thailand te filmen en te fotograferen.

De familie heeft ook al onze avonturen meebeleefd en we worden geknuffeld en verwend alsof we ook familie zijn. We krijgen een mooie gele bloemenkrans omgelegd en ze hebben gele polo’s voor ons gekocht. Vandaag is 5 december en dat is Koningsdag in Thailand. Dan draagt iedereen de kleur van de koning. De familie is ingelicht over Carla’s voorkeur bij het ontbijt en uit een tas worden croissants getoverd. Mijn voorliefde over chocolade is hen ook al ingefluisterd en ik krijg een doos met Snickers. Goh wat een feest! Het voelt een beetje alsof ook wij na een lange reis thuiskomen.

En dan komen Nick en Ray aanfietsen, met achter hen de fransman Bastien. Ik positioneer mijzelf met de filmcamera en Carla pakt haar fototoestel.

De rest van de dag is één grote verwennerij en we voelen ons opgenomen in beide families. We mogen absoluut niet meer verder fietsen, want de familie heeft een heel programma voor ons bedacht en in een nationaal park twee bungalows gehuurd.
Dus de fietsen worden in een pick-up van de immigratiedienst geladen. Ik zet ze stevig vast met de spanbandjes die we altijd bij ons hebben.
Er is één fiets bijgekomen, want een vriendin van Nicholas gaat ook met ons mee fietsen.

Het programma begint met eten bij een restaurant in de Thaise grensplaats. Daarna gaan we met de hele kliek langs bij een tempel ter ere van de 5e koning. De huidige koning is de 9e. We stappen weer in en rijden naar een volgende tempel waar het ook feest is. En uitgebreid eten in Thailand betekent niet zozeer veel gangen, maar wel heel veel en veel verschillende gerechten op tafel.

In een ander park dan waar de bungalows zijn bezoeken we de dikste boom van Thailand. Daarna rijden dan door naar het park waar de bungalows zijn. Onze bungalow is een prachtig houten gebouw midden in het bos. Carla en ik krijgen een grote tweepersoonskamer. ’s Avonds komt de familie weer langs met nog meer Thais eten en laten ons zessen dan achter in de bungalow. Wow wat een bijzondere dag is dit.

De volgende dag fietsen we naar de stad Tak en daar splitsen onze wegen zich. Nick, zijn vriendin, Ray en Bastien fietsen naar Bangkok. Wij gaan naar Chiang Mai om de Ontbrekende Schakel te sluiten.
We spreken af dat we elkaar twee weken later in Bangkok weer zullen zien en we worden uitgenodigd om daar Ray’s verjaardag en Kerst te komen vieren. Behalve een goede vriendschap, hebben we deze reis er twee families erbij gekregen.

Eric

* Het achtervoegsel ‘khap’ geeft aan dat degene die het zegt een man is. Het achtervoegsel ‘kha’ geeft aan dat degene die het zegt een vrouw is. Zeker in Thailand is dit handig, want transseksualiteit komt hier voor mijn gevoel vaker voor dan bij ons. Als een transseksuele man is omgebouwd tot vrouw weet ik nooit of ik hem/haar moet aanspreken als vrouw of als man. Zeker in mijn winkel is dat lastig als ze naar fietsbroeken vragen. Ik kan dan moeilijk vragen: ”dames of heren broeken?„ In Thailand weet ik na de begroeting altijd wat voor geslacht hij/zij meent te hebben.


De Schakel gesloten

Deze reis is voor mij óók een reis door mijn verleden. Er zijn zo veel raakvlakken met mijn persoonlijke geschiedenis dat ik vaak in gedachten verzonken terugreis naar 1991.

Dat we nu door onbekende gebieden zijn gefietst die toen ontoegankelijk waren, is voor mij heel bijzonder. Maar wat mij vooral diep raakt is dat het vooral een teken is dat de teugels van het militaire regime in Myanmar langzaam worden gevierd. Mijn ‘ontdekkingsreiziger- gevoel’ maakt mij gelukkig, maar van een veel grotere schaal en importantie is dat de opengestelde grenzen de Myanmarezen meer welvaart en hopelijk ook geluk oplevert.

Inmiddels zijn we in Thailand en het voelt nog hetzelfde als 23 jaar geleden.
Ok, de Thaise kinderen zijn dikker en er zijn smartphones en schotelantennes. De tweebaanswegen zijn snelwegen geworden en het verkeer in Bangkok is rustiger dankzij de Skytrain. Helaas wordt ook Thailand geteisterd door winkelketens die het winkellandschap uitgesproken saai maken. Toch is 7-eleven wel makkelijk voor de koude drankjes en —eindelijk— gepasteuriseerde melk.
Het eten is nog even lekker en veelzijdig en de Thai zijn nog even goedlachs en vriendelijk. En er hoeft minder vaak onderhandeld te worden over de prijzen.

De welvaart en de daarmee gepaard gaande industrialisatie van Thailand wordt goed weergegeven door de geesteshuisjes. Waren ze vroeger van hout en overal anders. Tegenwoordig zijn ze van beton en komen ze allemaal uit dezelfde gietmal. Het enige dat anders is, is het kleurtje.

In mijn boek ‘De wind door je haar, de zon op je huid’ schreef ik:

In het postkantoor van Chiang Mai halen we de Poste Restante post op en wisselen we girocheques in. Ik bedank de baliemedewerker met ‘khoup koen khap.’

Breed lachend zegt hij: ‘Soewam-maa’, en wijst naar een van de charmante Thaise collega’s; of ik dat tegen haar wil zeggen.
‘Wat betekent het?’
‘Erg mooi.’
Als ik in het voorbijgaan ‘soewam-maa’ tegen het meisje zeg, begint iedereen te schateren.
Wat een verademing. In de voorafgaande landen Pakistan, India en Nepal is het onvoorstelbaar dat je met een vreemde vrouw grapjes maakt.

23 jaar later rijd ik in Chiang Mai naar hetzelfde postkantoor. En ook al is het een nieuw gebouw, het voelt als een afronding.
Ik loop naar de balie en zeg tegen een baliemedewerkster: ”Soewam-maa„.
Verbaasd kijkt ze op en glimlacht lief.
De schakel is voor mij gesloten.

Eric


Deel deze pagina met anderen