Maleisië

Hamburgers in de rimboe


Acht kilometer voorbij het stadje Satun ligt de pier waarvandaan de boot naar Maleisië vertrekt. Bij het douanekantoor kopen we een ticket en laten we de paspoorten afstempelen. Dan is het wachten op de boot. Maar welke zou het zijn? Er is niet één grote te bespeuren. Voor de zekerheid vraagt Eric het aan een douanebeambte. Achteloos wijst hij naar een kleine lage boot met een overkapping, waaronder houten bankjes staan. Een hele rij mensen stapt in, beladen met rieten manden, tassen en dozen. Eric vraagt zich bezorgd af hoe we daar ooit nog bij kunnen met ons hele hebben en houwen. Na wat passen en meten lukt het toch, maar dan is het ook propvol.
Tussen enkele vissersscheepjes door vaart het bootje de kreek uit en waagt het zich in de Straat van Malakka. Het zet koers naar de Langkawi-eilanden, een groep van 99 eilanden die vroeger een toevluchtsoord vormden voor piraten. De Maleisische regering probeert er een toeristisch paradijs van te maken, maar door de geïsoleerde ligging is het plan gedoemd te mislukken. Vlak voor het tropische eiland komt ons een ander bootje tegemoet waarin sommige passagiers overstappen.
Een uur later legt ons bootje aan in Kuala Perlis, Maleisië. Na het vervullen van alle immigratieformaliteiten drinken we iets in een restaurantje. Omdat de prijzen ons nog totaal onbekend zijn, betalen we braaf de gevraagde drie ringgit (een euro). Het is de bedoeling om nog deze middag Alor Setar, 43 kilometer zuidelijker, te bereiken, dus stappen we algauw op. Onderweg laten we de nieuwe indrukken op ons inwerken. Bestond de omgeving in Thailand uit heuvellandschap, hier strekken eindeloze grasvlakten zich uit. Afgezien van enkele bergen in de verte, hebben ze wel iets weg van Nederland. Er staan veel moskeeën en houten paalhuizen. Ze lijken op de Thaise huizen, maar het verschil zit in kleine details.
Alle brommerrijders dragen een valhelm. In Thailand is dit niet verplicht en bijna niemand draagt er daar dan ook een. De omgeving lijkt hier opgeruimder en overzichtelijker. Op een winkelgevel staat ‘basikal’, een schoolbus draagt het opschrift ‘bas sekolan’. Soms zijn de Maleisische woorden een verbastering van het Engels en daardoor tenminste te begrijpen.
Veel mensen die we tegenkomen hebben een donkerdere huidskleur dan de Thais. Waarschijnlijk zijn het Tamils, afkomstig uit zuid-India. Na de Maleisiërs en Chinezen vormen zij de belangrijkste bevolkingsgroep. In de koloniale tijd haalden de Britten grote aantallen Indiërs naar Maleisië om op de rubberplantages te werken, terwijl de Chinezen te werk werden gesteld in de tinmijnen. De meesten keerden na afloop van de contracttijd weer naar hun vaderland terug, maar een deel vestigde zich hier voorgoed. Vooral de Chinezen zetten met hun verdiende geld een handeltje op. Al snel bezaten ze het monopolie van de tussenhandel. Een kleine groep Bumiputra’s werd opgeleid tot ambtenaar. Bumiputra betekent ‘kind van de grond’ en duidt op de oorspronkelijke Maleisiërs. Zij wortelen in de grond waarin de Chinezen en de Indiërs werden overgeplant. Tegenwoordig wordt er gezegd dat de Maleisiërs de politiek in handen hebben en de Chinezen de economie. Er bestaat een economisch welvarende Chinese minderheid naast een arme meerderheid van Maleisiërs. Deze kloof vormt de belangrijkste bron van conflict tussen de etnische groepen.
Sinds 1970 is de politiek erop gericht de oorspronkelijke bevolking een groter aandeel te geven in de economie. Maar hierdoor is de verwijdering tussen de verschillende bevolkingsgroepen alleen maar toegenomen. Al van oudsher bestond er gebrek aan onderling contact omdat er nauwelijks overeenkomsten zijn. Men begreep weinig van elkaars zeden en gewoonten. Deze verschillen staan nog steeds het ontstaan van een nationale cultuur in de weg. Of het nu gaat om de politiek, de pers, het onderwijs of de economie, de raciale tegenstellingen zijn overal terug te vinden. De vraag rijst dan ook in welke mate het wankele evenwicht tussen Maleisiërs, Chinezen en Indiërs bewaard kan blijven.
Vooral in de godsdienst komt de diversiteit goed tot uiting. Hoewel de Maleisische cultuur al sinds de zestiende eeuw in de eerste plaats een islamitische is, werd de islam pas officieel staatsgodsdienst toen Maleisië in 1957 onafhankelijk werd van Groot-Brittannië. Het is verboden voor mannen om met oorbellen en mouwloze T-shirts op de televisie te verschijnen. Tegenwoordig worden ook langharige popsterren van het tv-scherm geweerd. Het afhakken van handen bij diefstal is normaal en witte-boordencriminelen krijgen zweepslagen plus een zware gevangenisstraf. Desondanks zijn de moslims veel gematigder in hun opvattingen dan hun geloofsgenoten in bijvoorbeeld Pakistan. Bovendien maakt de Maleisische islam geen aanspraak op het alleenrecht van godsdienstuitoefening; de grondwet garandeert godsdienstvrijheid voor iedereen. Van deze vrijheid wordt volop gebruik gemaakt. Iedere bevolkingsgroep belijdt nog steeds zijn eigen godsdienst: de Bumiputra’s zijn praktisch allemaal moslim, de meeste Indiërs hangen het hindoeïsme en aanverwante stromingen aan, en de meeste Chinezen een mix van boeddhisme, taoisme en confucianisme.

In Alor Setar belanden we in een eenvoudig Chinees hotel. Van een grote hoge ruimte zijn verscheidene kamers gemaakt door middel van schotten. Deze zijn overigens heel dun. Bovendien bestaat het bovenste gedeelte uit een soort rasterwerk en houdt het wandje een paar centimeter boven de vloer op. Aan lawaai en licht dus geen gebrek. Hier en daar zitten kijkgaatjes, net groot genoeg voor één oog. Blijkbaar stoorde de vorige hotelgast zich hieraan, want over een paar zijn pleisters geplakt. Het interieur van de kamer bestaat uit een scheefhangend wastafeltje, een bed, een houten tafel met keukenstoelen en een krakkemikkige kast. Voor dit alles betalen we drie euro.
Zoals de meeste Chinese hotels bevindt ook dat van ons zich boven een bijbehorend restaurant. Dit heeft geen puien, maar wordt bij sluitingstijd simpelweg afgesloten door rolluiken. In een vitrine hangen een paar bruingeroosterde eenden. Een grote tafel ligt bezaaid met kippenbotjes, verfrommelde servetten en half leeggegeten borden. Een slonzige serveerster komt aansjokken met een afwasteil en kwakt alles er met twee armbewegingen in. Vervolgens haalt ze een gore lap over de tafel heen. Zo, die is weer schoon. Intussen sloft een oude magere man van een jaar of zeventig naar een andere tafel. Hij draagt een korte broek vol vetvlekken en een vaal hemdje. In zijn trillende handen houdt hij een bierflesje plus glas. Voordat hij ze kan neerzetten komt er driftig een vrouw aanbenen. Ze grist alles uit zijn handen en zet het met een klap neer voor een dorstige klant. Dan blaft ze iets onverstaanbaars over haar schouder naar de kok die tien meter verder in de keuken staat. Dit alles lijkt de Chinese klanten niet te deren. Onverstoorbaar werken ze hun portie naar binnen en smakken een paar minuten na. Vervolgens vallen ze hun gebitten aan met tandenstokers en beginnen tenslotte flink te rochelen. Op de bordjes die in het Engels, Chinees en Maleis verzoeken niet te spugen, slaan ze geen acht. Net zoals de Indiërs hebben Chinezen de gewoonte overal te spugen, of het nou op straat is of in een restaurant.
Onwillekeurig moet ik denken aan een verhaal dat mijn oom jaren geleden vertelde. Hij was op zakenreis in China en door relaties uitgenodigd voor een diner. Alles verliep prima, tot na het eten. Toen begonnen de keurig in het pak gestoken gastheren om het hardst te boeren en te spugen. Mijn oom keek verbijsterd toe; het leek wel een varkensstal. Opeens voelde hij een lachkriebel opkomen. Hij onderdrukte die uit alle macht, maar tevergeefs. Van het ene op het andere moment viel er een doodse stilte. Iedereen keek mijn lachende oom verwachtingsvol aan. Koortsachtig dacht hij na; wat kon hij zeggen, zonder dat men beledigd zou zijn? ‘Ik vind het zo grappig dat de soep ná het hoofdgerecht wordt geserveerd,’ zei hij op goed geluk, ‘bij ons is het namelijk precies andersom.’ Even dachten de Chinezen na, toen knikten ze begrijpend. Mijn oom slaakte een zucht van verlichting: daar had hij zich goed uit weten te redden!

De volgende dag verlaten we na vijftien kilometer de drukke autoweg en komen uit op een kleine parallelweg. Het open landschap bestaat uit rijstvelden en groepjes palmbomen met daartussen kamponghuizen op palen en een enkele moskee. Dan voert de weg om een hoge berg heen die uit het niets lijkt op te rijzen en loopt naar de kust. Na een pittig klimmetje strekt zich een leeg palmstrand onder ons uit, gevolgd door een dichtbegroeid bos met nog meer kamponghuizen. Tussen dode palmbladeren en schillen van kokosnoten door rennen kakelende kippen. Aan een lijntje hangt wasgoed te drogen. Twee kinderen gluren voorzichtig om het hoekje van een deuropening als we langsrijden. Het is heerlijk om hier te fietsen. Zo schilderachtig kan Maleisië zijn. De weg loopt dood in een dorpje aan een baai, waar een motorbootje ons naar de overkant brengt. Omdat daar geen steiger is, moeten we het laatste stukje met de fietsen naar de kust waden. Een verlaten zandstrand strekt zich voor ons uit. Nu de motor zwijgt, valt de weldadige stilte op. Het water voelt aangenaam warm, zodat we de verleiding niet kunnen weerstaan: snel trekken we ons zwemgoed aan en laten ons erin glijden. De zon schittert fel op het heldere water. Aan de overkant zijn de silhouetten van het dorp en de palmbomen zichtbaar. Een geluksgevoel overvalt me. Wat een idyllische plek is dit! Op dit moment heb ik niets meer te wensen.
Een aantal kilometer verder stuiten we op een rivier. Wat nu? Tot onze verrassing komt even later een oude man in een houten roeibootje aanvaren die ons voor een schijntje overzet. Halverwege groet hij zijn collega die de tegengestelde richting op gaat. Het is hier zo onbedorven dat we ons de eerste fietsers wanen. Maar niets is minder waar, want eenmaal aan de overkant arriveren vier andere fietsers per boot. Ze blijken Nederlanders te zijn die een route van de reisorganisatie Vlieg en Fiets volgen. Helaas is het sprookje daarna afgelopen. We komen weer op de hoofdweg uit en zijn in één klap terug in de jachtige twintigste eeuw.
Het derde boottochtje van vandaag bestaat uit de overtocht naar het eiland Penang, de oudste vestiging van de Britten in Maleisië en tegenwoordig een van de populairste toeristische bestemmingen. Georgetown is de belangrijkste stad van het eiland. In de toeristenbuurt nemen we voor zes euro onze intrek in een hotelletje. Veel toeristen die er verblijven zijn in afwachting van hun terugkeer naar Indonesië. Het probleem met Indonesië is namelijk dat je bij binnenkomst een visum krijgt voor twee maanden. Verlengen is onmogelijk. Toeristen die langer willen blijven – en dat zijn er heel wat – zijn dus gedwongen tijdelijk het land te verlaten. Omdat de boot van Sumatra naar Penang de goedkoopste mogelijkheid is, maken veel Indonesië-gangers daar gebruik van en overnachten in Georgetown. Bij terugkomst krijgen ze een nieuw visum. We zitten met deze maatregel een beetje in onze maag, want twee maanden Indonesië is voor ons veel te kort om de geplande eilandjes af te gaan. We bedenken verschillende varianten, maar hoe we het ook wenden of keren, het gaat ons in ieder geval extra geld kosten.

Op Penang hebben zich veel Chinezen gevestigd. Zij maken ongeveer tweederde deel van de eilandbevolking uit. Geen wonder dat het oude centrum van Georgetown een Chinese sfeer uitstraalt. In de straten bevinden zich winkelgalerijen met arcades. Aan de muren hangen plankjes met daarop kleine offers voor de goden, zoals een kommetje thee of rijst en wierookstaafjes. De gevels worden bijna geheel aan het oog onttrokken door de vele uithangborden met Chinese karakters. Er zijn winkeltjes die voedsel, kookspullen en Chinees porselein verkopen, zoals dikke, lachende boeddha’s. Uiteraard ontbreken de restaurants niet, compleet met kwispedoors en bungelende eenden.
In een apotheek staan antieke vitrines. Deze herbergen talloze glazen potten met gedroogde kruiden, takjes, boombast, zaadjes, bladeren en noten. In cederhouten doosjes zitten diverse poeders. Verbaasd kijken we naar de gedroogde stukjes slangenhuid en ‘vliegende hagedissen’. ‘Waarvoor zijn die?’, vraagt Eric nieuwsgierig, wijzend op de gedroogde reptielen. ‘Tegen rugklachten’, zegt de winkelier glimlachend. Als een andere klant binnenkomt, hoort hij aandachtig de klacht aan. Dan mengt hij zorgvuldig verschillende poeders en gedroogde goedjes volgens de eeuwenoude regels van de Chinese geneeskunst. Nadat hij de ingrediënten op een handweegschaaltje heeft gewogen, pakt hij alles in een stuk bruin papier en rekent met behulp van een telraam het totaalbedrag uit. Intussen haalt de klant een creditcard te voorschijn. ‘Wat moet hij daar nou mee, in zo’n winkel als deze!’, denk ik geamuseerd. Maar warempel, de apotheker accepteert deze als betaalmiddel. Een vreemde mengelmoes van oude en nieuwe gebruiken.
De oudste Chinese tempel van Georgetown is gewijd aan Kuan Yin Teng, de godin van barmhartigheid. Het dak is versierd met gelukssymbolen en voor de poort staan rokende wierookpotten. We volgen het voorbeeld van de Chinezen en stappen eerbiedig naar binnen. Op een balie liggen bundeltjes papier en wierookstaven in vele maten. Veel bezoekers zitten in knielende houding op een rood kleed. In hun handen houden ze een langwerpige koker met daarin genummerde stokjes. Ze rammelen er flink mee, totdat er een uitvalt. Het nummer noteren ze op een blaadje. Dan herhalen ze de procedure. Tenslotte kijken ze in een speciaal boek, waarin de nummers één tot honderd staan. Hun uitkomst correspondeert met één van die nummers. Bij ieder staat cryptisch omschreven wat een gelovige moet doen om de goden gunstig te stemmen en het geluk af te dwingen.
Verder naar achteren staan vitrines met porseleinen beelden van de aanbeden goden, woestkijkende reuzen met slagzwaarden. Voor één ervan staat een westers geklede jongeman; een draadloze telefoon steekt uit zijn colbertzak. Hij brandt een bos wierookstaven voor de zielenrust van zijn voorouders. Ondertussen prevelt hij geconcentreerd eeuwenoude gebeden. Als hij dit ritueel bij de andere vitrines heeft herhaald, steekt hij de staven in een grote pot met zand.
Dan wordt onze aandacht getrokken door een meisje dat een stukje papier aan een man geeft. Het lijkt wel een bingo-papiertje, zij het met Chinese tekens. De man sluit zijn ogen en begint er met een houten prikker als een razende gaatjes in te maken. Intussen mompelt hij onverstaanbaar. Na vijf minuten zwetend de prikker te hebben bewogen, opent hij zijn ogen weer en zegt iets tegen het meisje. Ze pakt het papiertje uit zijn handen en gooit het in een soort oven. Dan betaalt ze hem en loopt weg. We begrijpen er niets van. ‘Kun je vertellen waarvoor dit ritueel is?’, vraagt Eric vriendelijk in het Engels. Helaas weet ze het niet goed uit te leggen. We komen er alleen achter dat het blaadje een geluksbriefje is. Als we verder kijken, ontdekken we een altaartafel waarop bezoekers fruit en bloemen neerzetten als offerande. In een soort oven verbranden ze namaakgeld als geschenk aan de voorouders. Chinezen geloven namelijk dat alles wat in dit leven wordt verbrand, in het hiernamaals weer vaste vorm aanneemt. Daarover kan een overledene dan beschikken. Bij een begrafenis gaan gewoonlijk ook allerhande papieren voorwerpen in vlammen op, zoals namaak creditcards, kartonnen auto’s en miniatuurhuizen. Op weg naar de uitgang wordt ons de betekenis van de balie duidelijk. De aanbidders kunnen hier wierookstaven, geluksbriefjes en namaakgeld kopen. Diep onder de indruk van de onbegrijpelijke rituelen verlaten we de tempel.

Na de aangename stad Georgetown willen we van de west- naar de oostkust oversteken. Drie jaar geleden hebben we namelijk al langs de verstedelijkte westkust gefietst, die wordt gekenmerkt door plantagebouw en industrie. De weg die tussen de twee kusten loopt, zal ons door de met regenwouden begroeide bergen voeren. Alvorens de rimboe in te gaan, eten we in het stadje Gerik een stevige maaltijd en doen boodschappen. We hadden eerst gepland hier te overnachten – leuk: Eric in Gerik – maar besluiten bij nader inzien nog een paar uur door te rijden. Dat scheelt morgen weer.
In de zeven jaar oude reisgids staat dat het gebied waardoor de weg loopt het laatste was dat vroeger door communistische guerrilla’s werd gecontroleerd. Volgens de gids zijn er nog talloze legerposten en is de weg alleen toegankelijk tussen zes uur ’s ochtends en zes uur ’s avonds. Als je op eigen gelegenheid reist, zou je twee formulieren moeten invullen. Dat klinkt allemaal behoorlijk serieus, maar in al die jaren kan er veel zijn veranderd. Toch zijn we benieuwd wat ons te wachten staat.
Het blijkt erg mee te vallen. Aan het begin van de hoofdweg bevindt zich inderdaad een post, maar we mogen gewoon doorrijden, zonder iets te hoeven invullen. Opeens doemt een bord op dat waarschuwt voor olifanten. Zouden die hier nog echt in het wild voorkomen? Nou ja, zó vreemd is het nou ook weer niet als je die ondoordringbare jungle ziet. Controleposten zijn er niet, wel passeren geregeld legertrucks en jeeps, maar zonder ons te controleren.
In de namiddag wordt het tijd een kampeerplek te zoeken. Er is in dit woeste gebied namelijk geen enkele eetgelegenheid, laat staan een hotel. We vinden een aardig plekje op een heuvel, een eindje van de weg. Zodra de schemering is ingevallen, komt de jungle tot leven: ‘Prieeeeee, prieeeeeee’, ‘wiku, wiku.’ We liggen gespannen te luisteren naar al die totaal onbekende dierengeluiden. Dan is er opeens vlak naast de tent geritsel! Is het een olifant? Een varaan? Het kan natuurlijk ook gewoon een slang zijn. De volgende ochtend ontdekt Eric vlak bij de tent grote voetafdrukken en olifantendrollen.

Evenals gisteren worden we getrakteerd op een flink portie klimwerk. De weg loopt langs een tropisch bos met tientallen soorten varens, palmen, loofbomen en bamboe in vele tinten groen. Het is ongelofelijk hoe gevarieerd de begroeiing hier is. Uit de kruinen klinkt het getjirp van inheemse vogels. Slechts zo nu en dan passeert een auto, die ons enthousiast betoetert. Hè mensen, beseffen jullie nou niet dat ons hoofd er helemaal niet naar staat om terug te groeten? Jullie zien ons toch zwoegen? Bezweet en moe staan we langs de kant, als een vrachtwagen luidruchtig toeterend langsrijdt. Ik kijk hem verstoord na, maar zie dan dat de bijrijder iets naar buiten gooit. Het blijken mangostans te zijn, een van de lekkerste soorten tropische vruchten. Verrukt peuzelen we ze op. Bedankt hoor, dat maakt de dag weer goed!
Met goede zin trappen we verder door de grillige natuur. Op een paar eenzame legerposten na is de streek geheel verlaten. Nergens zien we huizen of andere tekens van leven. Wel zijn regelmatig snerpende kettingzagen te horen, zodat de muur van groen over een paar jaar wel plaats zal hebben gemaakt voor landbouwgrond. Na een afdaling komen we bij het grootste zoetwaterreservoir van Maleisië. Dat dat van strategisch belang is, blijkt wel uit de geschutkoepels die verdekt staan opgesteld. Na een afmattende klim doemt in de verte een kraampje op langs de kant van de weg. ‘Wat is dat voor iets?’, roep ik tegen Eric die voorop rijdt. Pas vlakbij wordt het duidelijk, het is een man die hamburgers verkoopt! Wat doet die hier nou, midden in de rimboe? Ik kan hem wel om de hals vliegen. We nemen het ervan en bestellen er meteen maar vier, want waarschijnlijk is dit de enige eetgelegenheid vandaag.
Ook nu moeten we weer kamperen. We vullen de waterzak met water uit een beekje en zetten de tent op. Zodra de schemering invalt, klinken er weer talloze vreemdsoortige geluiden. Werden we daar gisteravond helemaal door in beslag genomen, nu realiseren we ons plotseling moederziel alleen in de jungle te zijn. ‘Stel je voor dat de aarde opeens opensplijt en wij er met tent en al in verdwijnen,’ zegt Eric peinzend, ‘dan weet niemand ons te vinden.’ ‘Hou op met die enge gedachten’, mopper ik, ‘trouwens, dat risico bestaat natuurlijk altijd met vrij kamperen.’ Het is beter om er verder niet bij stil te staan, anders zou je niets meer kunnen ondernemen. Maar goed dat we niet bang zijn uitgevallen.

Veilig en wel komen we de dag daarop in Kota Bahru aan, gelegen aan de oostkust. In het centrum bevindt zich een druk busstation met daaromheen oude en nieuwe huizen. Naast een betonnen flatgebouw van twaalf verdiepingen hoog staan een paar oude houten huisjes. Boven alle gebouwen uit is een mast zichtbaar waaraan paraboolantennes hangen; de metalen constructie is bijna even groot als de Eiffeltoren. Het is duidelijk waar het hoofdkantoor van de PTT is. Kota Bahru mag in reisgidsen dan wel worden aangeprezen als een centrum van traditionele Maleisische cultuur, qua architectuur toont ze weinig karakter. Jongens scheuren op brommers rond en gesluierde vrouwen zitten in Kentucky Fried Chicken aan een milkshake te lurken. De meeste cafetaria’s worden alleen door moslimmannen bezocht. Een moslimvrouw heeft daar niets te zoeken. Daarom gaan velen naar zo’n onpersoonlijke plek als KFC of McDonald’s.
Een van de bezienswaardigheden van de stad is de dagelijkse markt, gehuisvest in een groot gebouw dat aan de buitenkant wel wat weg heeft van een voetbalstadion. In een centrale hal met een glazen koepel bevindt zich de groenteafdeling. Honderden kooplieden, merendeels vrouwen, zitten op de grond met rode pepers, tropische vruchten en allerhande groenten voor zich uitgestald. Om het hardst prijzen ze hun waren aan en onderhandelen druk met kopers. Het is een kleurrijk spektakel. Als we langs de vleesafdeling lopen, wend ik gruwelend m’n hoofd af. Op tafels liggen rijen geplukte kippen, de koppen bungelend over de rand en ernaast grote hompen vlees, waarin nog varkens te herkennen zijn. Ik ben nog steeds niet gewend aan die aanblik. Op de volgende verdiepingen verkoopt men batikstoffen, snoepgoed, huishoudelijke artikelen en souvenirs. Aangezien het gebouw van binnen op een schouwburg met balkons lijkt, kun je vanaf de balustrade op de centrale hal neerkijken. Van bovenaf ziet de groenteafdeling er als een gekleurde lappendeken uit. Op onze weg naar beneden stuiten we op een bedelaar. Ik schrik, want zijn gezicht ziet er afschuwelijk uit. Zijn oogkassen lijken wel weggesmolten; de huid is er gewoon overheen gegroeid. Zou hij ooit verbrand zijn geweest of lijdt hij aan lepra?
De parkeerplaats die zich in het centrum bevindt, wordt in de namiddag omgetoverd tot een gezellige avondmarkt. Tientallen verkopers stallen hun mobiele eetkarretjes, tafeltjes en krukjes uit. Het weer is onbetrouwbaar, daarom spant men een groot zeil boven de tafeltjes. Dan slaan ze ijverig aan het kokkerellen. Er is keus genoeg; in grote wadjangs worden groenten en nasi gebakken en op houtskool worden stukjes saté gegrild. Ook zijn er noedels en murtabak te krijgen. We halen bij een drankstalletje vers ananassap, bij een eetkraampje saté en bij een ander gebakken rijst. De laatste happen zijn nog niet naar binnen of er barst een hevige bui los. Iedereen schuift dicht bij elkaar onder het zeil. De gezamenlijke ‘ramp’ creëert direct een gevoel van saamhorigheid. Lachend helpen we mee om de plassen te hozen, die op het zeil blijven liggen.

Na twee dagen vertrekken we weer. Volgens onze gewoonte proberen we zoveel mogelijk kleine wegen te nemen. We passeren diverse kampongs. Op het eerste gezicht zijn dit simpele dorpjes, bestaande uit een aantal paalwoningen, maar in feite zijn het hechte gemeenschappen. Er heerst een traditioneel stelsel van rechten, plichten en normen dat in belangrijke mate verschillende aspecten van het gemeenschapsleven bepaalt, zoals omgangsvormen en statuskwesties.
Als de weg vlak langs de zee loopt, slaan we een paadje naar de kust in. We gaan in het warme zand zitten, maar wel in de schaduw van een palm want het is bloedheet. Zo ver het oog reikt strekt het strand zich uit, evenals de palmbomen die langs de kustlijn groeien. Sommige staan zo krom dat ze bijna de grond raken. Tussen het geboomte verscholen staan houten huisjes. Op het zand liggen een paar bootjes, bedekt met bladeren om het hout tegen de hitte te beschermen. Regelmatig ploft er met een harde klap een kokosnoot op de grond. Gelukkig zitten we veilig. De zee is diepblauw en er staat een warm briesje. Op de golven kabbelen vissersboten. Langzaam maakt een kleine boot zich los en komt naar de kust toe. Twee jongens tillen er voorzichtig iets uit. Het blijkt een enorme rog te zijn. Trots poseren ze voor een foto. De vis is zo zwaar, dat ze hem samen maar met moeite kunnen dragen. Ik geniet met volle teugen van dit moment. Wat dat betreft heeft de oostkust nog echt een Maleis karakter met zijn ongerepte natuur, kleurrijke vissersdorpjes en kampongs. Niet ver hiervandaan is een resort, bestaande uit kleine bungalows. Er zijn ook enkele souvenirwinkels en restaurants. Denkend aan de Turkse zuidkust is het de vraag hoelang het nog zal duren voordat hier de toeristenkermis losbarst en pompeuze hotels uit de grond worden gestampt. Waarschijnlijk is het slechts een kwestie van tijd. Ze zijn nu al druk bezig een enorm hotelcomplex te bouwen. Op den duur zal van dit prachtige stuk natuur niet veel meer over zijn.

Rantau Abang is beroemd om de reuzenschildpadden die hier jaarlijks aan land komen. Ze zwemmen vaak duizenden kilometers om juist hier hun eieren op het strand te leggen. De lederrug schildpadden zijn wel twee meter lang en wegen meer dan 750 kilo. Helaas is in de loop van de tijd gebleken dat ze niet ongestoord eieren kunnen leggen; die worden namelijk als een delicatesse beschouwd en brengen op de markt veel geld op. Veel mensen stelen ze dan ook bij de schildpad weg. Om deze dieren voor uitsterven te behoeden, besloot men in Rantau Abang maatregelen te nemen. Van het stuk strand dat tot het plaatsje behoort, is een reservaat gemaakt. Wat dat inhoudt zullen we nog diezelfde avond ontdekken.
Inmiddels hebben we een kamer genomen bij Awang’s Bungalows, vlak bij het strand. In het restaurant dat een echt reizigersmenu heeft, zitten behoorlijk veel toeristen. Tijdens het avondeten kletsen we honderduit met twee Nederlandse fietssters, als opeens een gids komt waarschuwen dat er een schildpad is gesignaleerd. Omdat die zich in het reservaat bevindt, moeten we eerst bij de man kaartjes kopen. Dan begeven we ons met een grote groep op weg. Iedereen lijkt bang te zijn dat het dier zich intussen heeft bedacht, want het tempo ligt hoog. Na twee kilometer lopen door het mulle zand wordt onze inspanning beloond. Ze is er nog! We boffen met de volle maan, want het is niet toegestaan om met een zaklantaarn te schijnen of flitsers te gebruiken. De schildpad is verwoed bezig zand uit te graven. Ze klapt haar enorme voorvinnen op het zand en duwt daarmee onder gegrom steeds een lading naar achteren. Wat een kracht. Het feit dat wel zestig mensen haar gadeslaan, schijnt haar niet te deren. Volgens de gids is de schildpad buiten het water niet in staat haar ogen ergens op te focussen en ziet ze de menigte dus niet. Desondanks blijf ik me een voyeur voelen. Rondom staan vier opzichters die de toeschouwers op afstand houden. Blijkbaar is het niet zo eenvoudig om een goede kuil voor de eieren te maken, want ze blijft maar graven, intussen langzaam om haar as draaiend. Het kost behoorlijk veel inspanning, want soms hangt haar bek open en lijkt het alsof ze een diep zucht slaakt. Van tijd tot tijd moet ze even uitrusten, om daarna met nieuwe moed verder te gaan. Uiteindelijk maakt ze aanstalten om naar zee terug te keren. Zou ze dan al eieren hebben gelegd? We hebben er niets van gemerkt. De bewakers manen de menigte om naar achteren te gaan en al snel ontstaan er twee rijen, waartussen het dier doorploegt. Als ze het water inglijdt, barst overal flitslicht los. Iedereen, ook wij, moet toch een bewijs hebben echt een schildpad te hebben gezien. Het is frappant wat voor gedaanteverwisseling het beest ondergaat; bewoog ze zich op het land vrij plomp, nu voelt ze zich als een vis in het water en zwemt kwiek weg. Nog één keer steekt ze haar kop omhoog om dan in de Zuid-Chinese Zee te verdwijnen.
De schildpad blijkt wel degelijk eieren te hebben gelegd. De mensen van natuurbeheer tonen een halve emmer vol. De eieren zijn wit en hebben veel weg van gedeukte pingpongballen. Het aantal varieert tussen de veertig en honderd per worp. Vanwege de al genoemde diefstal zullen ze op een speciaal strand worden bewaard tot ze uitkomen. De baby’s zijn ongeveer even groot als zoetwaterschildpadjes. Ze worden op het strand losgelaten en naar het water begeleid. Hopelijk overleven ze het; het duurt tien à twintig jaar voordat zo’n beestje volwassen is en tot die tijd loeren er veel gevaren in de vorm van roofvogels, krabben en vissen.
In Rantau Abang leert Eric van de Nederlandse Helma snorkelen. Het blijkt een fantastische ervaring te zijn. Onder water zijn de kleuren veel harder dan op de mooiste foto en alles ziet er haarscherp uit. In zijn natuurlijke omgeving is zelfs een kwal een prachtig wezen. Hij heeft wel wat weg van een doorzichtige, zachtroze baljurk versierd met parels. De baljurk maakt een pompende beweging als een hart, alsof ze ademhaalt. Een blauw gestreept visje fladdert razendsnel met zijn vinnetjes, maar maakt geen aanstalten om weg te zwemmen. Nieuwsgierig zwemt hij op Eric af tot op een paar centimeter afstand. Zijn kieuwen en kraaloogjes zijn goed zichtbaar. Helma zegt echter dat dit niets voorstelt vergeleken met echte snorkelplekken. Daar zie je duizenden vissen in alle kleuren van de regenboog, met wuivend koraal en zeewier op de achtergrond. Eric is in ieder geval verkocht; als het aan hem ligt wordt de volgende reis een snorkelreis.

Na Rantau Abang loopt de weg landinwaarts. De omgeving wordt heuvelachtig en verandert drastisch. We komen langs één van de belangrijkste bronnen van inkomsten van Maleisië: olieraffinaderijen. De stank komt ons tegemoet. Het industriegebied ligt goed verscholen tussen twee bergruggen, zodat we ze na een klim weer achter ons laten. Even verderop ligt een mooi complex met honderden luxe bungalows en verzorgde tropische tuinen. Ze zijn van de bewoonde wereld afgeschermd door een hoog hekwerk. De werknemers van ESSO en Shell hebben zowaar hun eigen woonwijk.
In de buurt van Cherating worden veel toeristenresorts gebouwd. Club Meditterané is jaren geleden trendsetter geweest voor toeristen die niets van Maleisië willen zien, maar alleen van een onbezorgde strandvakantie willen genieten. Om hier een week te kunnen vertoeven, betaal je al gauw zo’n achthonderd euro. De bouwwoede stemt ons somber. Ook worden grote percelen bos gekapt; er resten slechts stukken braakliggend, zwartgeblakerd land. Met boomstammen beladen vrachtwagens rijden voorbij. Daar gaat al het tropische hardhout.
Opeens hoor ik een vreemd geluid. Het lijkt wel of iemand klapzoenen aan het geven is. Als ik steels opzij kijk, zie ik twee jongens kusmondje maken. Ze proberen op die manier zeker mijn aandacht te trekken. Wat klinkt dat idioot. We rollen bijna van ons zadel van het lachen als Eric ze ‘terugkust’. Van schrik houden ze meteen op. Dàt was natuurlijk de bedoeling niet! Naar mijn idee hebben de Maleisische mannen net iets teveel aandacht voor vrouwelijke toeristen, al blijft het meestal subtiel. Behalve dan die ene keer toen een brommerrijder me in het voorbijgaan een klap op mijn achterwerk gaf. Tja, Maleisië is een moslimland en dat merk je toch.
Na een tijdje een hoofdweg te hebben gevolgd, willen we een rivier oversteken om op een kleine landweg rustig verder te fietsen. Als Eric een Maleisië vraagt waarvandaan het pontje vertrekt, kijkt die hem aan alsof Eric zijn vrouw ten huwelijk vraagt. We zien hem denken: ‘Wat doen jullie moeilijk.’ Hij zegt dat er over vijftien kilometer een brug is. We leggen geduldig uit de voorkeur te geven aan een rustig weggetje. ‘Een prachtige snelweg en een dure brug, waarom nou zo’n ouderwets pontje naar een landelijk gebied?’, hoor ik hem denken, zodat ik het maar aan iemand anders vraag.

Onderweg ontmoeten we verschillende keren Nederlandse fietsers die een paar weken op vakantie zijn, zoals de levenslustige Angeline die er lekker op los kwebbelt en de schuchtere, stille Joyce. Dat die twee vriendinnen zijn! Maar dan vertelt Joyce dat ze een advertentie had geplaatst waarin ze een reisgenoot zocht; Angeline heeft daarop gereageerd. Toevallig, want zo hebben Jan en Hugo, met wie we in Pakistan fietsten, elkaar ook leren kennen. Af en toe nemen de meisjes de bus. Eigenlijk is dit niet zo’n gek idee. Denkend aan de raffinaderijen zouden we dat stuk liever hebben overgeslagen. Ook om heuvelachtige stukken te ontlopen, kan de bus een goed alternatief zijn. In je zuur verdiende zomervakantie moet je tenslotte toch wel wàt lol hebben. Dat wij nou zo gek zijn om alles te willen fietsen!
Anderen met wie we in contact komen, zijn een oudere man en vrouw. Ze zijn voor enkele maanden op reis en vormen zo’n apart stel, dat we ze voor de grap ‘Jut en Jul’ dopen. ‘We hebben al duizend kilometer gefietst in drie maanden!’, pocht de vrouw meteen, met een rood hoofd van inspanning. Wij doen er maar het zwijgen toe. ‘Mooie fietstassen hebben jullie’, zegt Eric dan. ‘Ja, dat is tenminste bete’ dan die k’antentassen waa’mee jullie ‘ijden,’ geeft de man meteen als commentaar met een onvervalst Rotterdams accent. We staan paf omdat onze waterdichte tassen door elke fietser als dè fietstassen worden gezien. Als Jut dan ook nog vertelt dat ‘de fietsenmake’ heeft gezegd dat met Ka”imortassen de hele we’eld al ‘ondgefietst is’, wijst Eric hem erop dat onze tassen honderd procent waterdicht zijn. Jut pareert: ‘Van mij mag alles nat wo’den, behalve mijn we’eldontvange’.’ ‘En natuu’lijk je paspoo’t,’ zegt Eric adrem, zodat Jut met zijn mond vol tanden staat.

Hoe dichter we bij Singapore komen, hoe drukker het wordt op de wegen. Om de haverklap halen tankauto’s en zwaarbeladen vrachtwagens ons in. Plotseling hoor ik iets vreemds: ‘Oei-oei-oei’, klinkt het klagelijk. Dan valt mijn oog op een baby-aapje in de berm. Hij ligt roerloos op zijn zij met opgetrokken pootjes. Achter haar dode kind staat de moeder luidkeels ‘oei-oei’ te roepen. Ik vertraag mijn snelheid, waarop de aap nog meer kabaal begint te maken en met ontblote tanden op me afkomt. Geschrokken maak ik me uit de voeten, achtervolgd door de moeder. Ze blijft nog zo’n twintig meter meerennen. ‘De apin mag dan wel klein zijn, ze kan wel een mens aan flarden scheuren’, flitst het door mijn hoofd. Ik fiets nog een stukje door, stap af en probeer Eric al zwaaiend en schreeuwend te waarschuwen om vooral met een grote boog om de apin heen te rijden. Helaas is de afstand te groot, zodat hij me niet hoort. Als hij eenmaal veilig en wel naast me staat, vertelt hij over een aap die in de berm zat en rare geluiden maakte.
We vertrekken laat in de ochtend vanuit Kota Tinggi voor de laatste etappe naar Singapore. Twee kilometer buiten de stad zien we Jut en Jul langs de kant van de weg zitten. Jut zit rustig een sigaret te roken, terwijl de dikke Jul nog napuft van inspanning door het voorgaande hellinkje. We zijn verbaasd ze te zien omdat ze volgens hun eigen zeggen altijd heel vroeg vertrekken. ‘Wat zijn jullie laat’, roept Eric vrolijk. ‘Ja, we hebben vakantie’, roept Jut. Zo logisch is dat.

Deel deze pagina met anderen