Thailand

Thais poesje


Na een voorspoedige vlucht landen we veilig en wel in Chiang Mai in noord-Thailand. Drie jaar geleden was het de eerste keer dat we in Azië waren. Wat was toen alles vreemd. We hadden het maar wat moeilijk met de tropische hitte. Onze kleren kleefden tot vervelens toe aan onze huid, en de hele dag en nacht zweetten we aan een stuk door. In de lucht hing de zoete, weeë geur van verrotting. We moesten wennen aan het links rijden en konden geen touw vastknopen aan de verkeersborden met het sierlijke Thaise schrift. Van de spreektaal was evenmin iets te begrijpen; de mensen op straat spraken ons soms aan, maar we verstonden er werkelijk niets van. We waren verward en sloten ons af van de omgeving door de hele dag op onze hotelkamer te blijven; we waren helemaal op onszelf geconcentreerd. Door honger gedreven moesten we wel naar buiten en wezen bij een eetstalletje, dat midden op straat stond, schuchter enkele onbekende gerechten aan. Al na de eerste hap brak mij het zweet uit door de kleine rode dingetjes in de rijst.
‘Eens, maar nooit weer’, zeiden we na terugkomst. Een half jaar later kregen we een boek onder ogen waarin het begrip ‘cultuurschok’ stond omschreven. Zo’n cultuurschok zou uit een aantal symptomen bestaan: verwarring, spanning en angst om iets te ondernemen. Toen pas realiseerden we ons waarom we bang waren om ergens naar binnen te gaan. We voelden ons niet op ons gemak met de onbegrijpelijke taal, het exotische eten en het rottend vuil op straat. De volgende fase zou volgens het boek worden gekenmerkt door verrassing, onrust en zelfs verontwaardiging over vreemde gewoonten. Geen wonder dat we kort na onze terugkeer die vreemde mensen, de tropenhitte en vieze steden vervloekten. Pas achteraf begonnen we de onbekende cultuur te waarderen en zagen er de charme van in. Daarom zijn we blij weer terug te zijn in Thailand.

‘Vonden we Thailand drie jaar geleden echt zo vies?’, vraagt Marijke. Vergeleken met Calcutta ziet Chiang Mai er bijna steriel uit. De stad oogt westers en welvarend met weelderig groen en moderne huizen. Winkels zien er keurig uit met hun artistieke etalages en nette aankleding. Veel zaken verkopen luxe artikelen zoals hifi-installaties, fotocamera’s en airconditioning-apparatuur. Er zijn zelfs supermarkten. In de straten rijden veel moderne auto’s en bijna iedere tiener scheurt op een glimmende brommer. Hier en daar staan authentieke Thaise huizen, gebouwd op palen en geheel van hout. Glas in de raamkozijnen ontbreekt en airconditioning al helemaal. Deze houten huizen zijn goed geïntegreerd met de palmbomen en de vele varens. Toch schijnt Chiang Mai veel van zijn vroegere charme verloren te hebben. Was het vroeger een rustige provinciestad, tegenwoordig is er druk verkeer en zijn veel gelegenheden ingesteld op toeristen. We waarderen het om weer eens in een welvarend land te zijn. Het lekkerste is de temperatuur; Chiang Mai ligt in het koele noorden en is omringd door de uitlopers van de Himalaya. We zien pas aangekomen toeristen flink zweten, maar voor ons is het eerder aangenaam dan warm; het is net dertig graden.
In het postkantoor wisselen we girocheques in. Zwart dollars wisselen is er hier niet meer bij. Na het twee-wekelijkse telefoontje naar Nederland bedank ik de baliemedewerker met ‘khoup koen khap.’ Breed lachend zegt hij: ‘Soewam-maa’, en wijst naar een van de charmante Thaise secretaresses; of ik dat tegen haar wil zeggen. ‘Wat betekent het?’ ‘Erg mooi.’ Als ik in het voorbijgaan ‘soewam-maa’ tegen het meisje zeg, begint iedereen te schateren. Wat een verademing. In menig voorafgaand land is het onvoorstelbaar dat je met een vreemde vrouw grapjes maakt. Overal op straat zie je mensen met elkaar grapjes maken. Als we een winkel binnenlopen, komt de verkoopster vriendelijk lachend op ons af. Hoewel we niets kopen, wenst ze ons toch een prettige dag toe. Nu snappen we waarom Thailand het Land van de Glimlach wordt genoemd.
Voor twee euro per persoon serveert een westers restaurant ons een complete maaltijd. Op een bord krijgen we een stuk mals vlees, patatjes en gekookte groente; het smaakt fabelachtig. Tot onze grote vreugde is er voor het eerst sinds Turkije gepasteuriseerde melk te krijgen, zodat we elke dag wel een liter Foremost-melk drinken. Samen met gebak en ijs is er in Chiang Mai genoeg lekkers om weer flink aan te komen. Dat er hier varkensvlees wordt gegeten, is na een paar dagen aan mijn gezicht te zien. Voor het eerst in een half jaar zie ik in de spiegel puistjes.
Een leuk alternatief voor de westerse restaurants is de nachtmarkt. De Thais verkopen vele soorten tropisch fruit. Hoog in onze fruit top-tien staat de ananas. Voor een compleet schoongemaakt exemplaar betalen we dertig cent. Daarnaast staan er veel eetstalletjes waar vis-, vlees-, noedel- en rijstgerechten worden klaargemaakt, maar na India willen we even wat anders.
Achter de nachtmarkt loopt de luxe winkelstraat van Chiang Mai. Er staan stalletjes waar imitatie-Rolexen en namaak La Coste-kleding te koop zijn. Ook de merken Calvin Klein, Hugo Boss en Chanel zijn goed vertegenwoordigd. Het leuke is dat deze kraampjes tegenover warenhuizen staan waar de echte merken worden verkocht. Menig Aziatisch bedrijf verdient goed aan de namaakmerken. Veelal zijn deze afkomstig uit de fabrieken waar ook de echte horloges en kleding worden gemaakt. Overdag wordt er voor de hoofdafnemer gefabriceerd. ’s Avonds worden de eerste-klas grondstoffen vervangen door derde-keuze materiaal en wordt er voor een extra zakcentje overgewerkt. Daarom lijken namaak-Rolexen en La Coste-shirts zoveel op de originelen.

Dat negentig procent van de Thais boeddhist is, blijkt wel uit de vele boeddhistische tempels, wats genaamd. Het zijn mooi versierde gebouwen die meestal op palen staan. Het schuin aflopende dak is rood gekleurd en wordt ondersteund door houten pilaren. Het kunstige houtsnijwerk is vaak met goudverf beschilderd. Een trap voert naar de galerij die om het gebouw heen loopt. Meestal zijn het kleine draken die over de trapleuning kronkelen, maar bij een prestigieuze wat flankeren reusachtige draken met vier koppen de trap. In de Wat Phra Singh staat een groot goudkleurig beeld van Boeddha met tientallen kleinere ervoor en ernaast. Kleurige fresco’s op de muren stellen episodes uit het leven van Boeddha voor. Door de ruimte lopen kaalgeschoren monniken in oranje gewaden. Zij verzorgen de offerandes die uit wierook, eten en drinken bestaan. Nog voor zonsopgang lopen zij met een onbewogen gezicht door de straten en ontvangen van weldoeners offers in hun nap. Het is geen bedelen, maar het ontvangen van een gift. De schenker laat altijd met een diepe buiging blijken dat hij blij is dat de monnik het geschenk heeft aanvaard. Voor de arme families vormt het boeddhisme een kans om hun leergierige kinderen gratis en goed onderwijs te laten volgen. Ze bestuderen dan boeddhistische teksten en leren hun plaats kennen op de maatschappelijke ladder. Voormalige monniken hebben een goede reputatie, in het bedrijfsleven hebben ze dan ook een streepje voor. Volgens de traditie moet elke Thai een periode in zijn leven aan het boeddhisme wijden. Menigeen verblijft slechts voor een paar weken in de wat in plaats van het traditionele minimum van drie maanden. Er zijn er zelfs die dit gebruik helemaal niet navolgen, zodat het langzaam dreigt te verdwijnen.
Rond de wat staan chedi’s, kleine tempeltjes waarin het as van overleden boeddhisten ligt. De grotere chedi’s herbergen meestal een boeddhistische relikwie; een haar of voetafdruk van Boeddha of het as van een hoog religieus leider. Als we een kleine wat zien met een schoorsteen, kan ik het niet nalaten naar binnen te gluren; binnen staat een crematie-oven.
In Chiang Mai staat voor bijna elke woning wel een geesteshuisje. Zo’n huisje lijkt op een miniatuur-wat en heeft de grootte van een vogelhuisje. Het doel ervan is om geesten uit het woonhuis te houden, want je weet nooit wat deze kunnen aanrichten. Daarom dient hun onderkomen mooier te zijn dan de werkelijke woning en moet er altijd iets te eten en te drinken in staan. Behalve witte rijst, kan dat ook fruit of een pakje vruchtendrank zijn. Houten olifantjes en bloemenslingers maken het voor de geesten aangenaam vertoeven. Hoe mooier de woning, des te mooier het geesteshuisje; mocht het woonhuis worden verbouwd, dan moet ook het geesteshuisje worden opgeknapt, want stel je eens voor dat de geesten opeens besluiten om het woonhuis in te trekken…
Het Kent Guesthouse waar we verblijven is een nieuw gebouw, gelegen rond een tropische tuin waar je in Nederland alleen maar van kunt dromen. We zitten hier iets te drinken als er aan het tafeltje naast ons een Thaise vrouw komt zitten. We voeren een geanimeerd gesprek. Als we vragen wat haar beroep is, antwoord ze een beetje terughoudend dat ze hier te gast is. We voelen dat ze het verder bij dat antwoord wil laten en vragen niet door. Als we haar even later in het gezelschap van een oude man zien weglopen, weten we wel hoe laat het is. ’s Avonds worden we opnieuw geconfronteerd met het oudste beroep ter wereld. In een nabijgelegen café hangt een Amerikaan eenzaam aan de bar. Hij kan niet lang van zijn rust genieten, want tien minuten later schuift er een ‘Thais poesje’ aan met dollartekens in haar ogen. Een half ontkleed Thais meisje komt met een westerse man uit een achterkamertje. Frivool lacht ze me toe. ‘Hé you, take me with you’, roept ze brutaal en loopt op mij af. Snel wordt ze door de man meegetrokken. Als we teruglopen naar Kent Guesthouse roept een man vanuit een donker hol: ‘You, you, Thai girl, Thai girl.’ Dat Marijke naast mij loopt kan hem blijkbaar niets schelen.

Na een week in Chiang Mai zijn we goed uitgerust en zijn de reserves aangevuld, zodat we er weer goed tegenaan kunnen gaan. De route die we hebben gepland, voert ons eerst naar het noorden tot aan de grens van Myanmar – het voormalige Birma – en de Gouden Driehoek, de streek waar vroeger opium werd gewonnen uit papavers. Daarna willen we via Bangkok afzakken naar Maleisië, maar niet voordat we mijn ouders in Pattaya hebben ontmoet. Ze hebben een bungalow gehuurd waarin we enige weken met hen de vakantie zullen doorbrengen.
Even buiten Chiang Mai rijden we langs westers ogende villa’s, mooi gelegen tussen rijstvelden. Maar meestal bestaan de dorpjes uit authentieke Thaise paalhuizen die als een lint langs de weg liggen. Waarom wil iedereen in Azië toch zo dicht bij de weg wonen? We rijden langs mooie beekjes en kronkelen tussen de heuvels door. Overal zie je groene vegetatie: palmen, rijstvelden en loofbomen. Vreemd, nu pas realiseren we ons hoe we in India aan de armoede gewend zijn geraakt, of zijn we er door afgestompt? Van bergen stinkend afval, invalide mensen en krotten keken we niet eens meer op. Toch had India ook iets fascinerends, iets ongrijpbaars, met zijn onbeschrijfelijke mensen, prachtige godsdiensten, kleurrijke tempels en mystieke monumenten. Wat dat betreft zal India ons nooit meer loslaten.
Als we door een dorpje rijden kijken we uit naar een eettentje. Een vrouw groet vriendelijk ‘sawadee kha’ en wenkt ons mee te komen. Voor haar huis heeft ze een eetkraampje waar we worden begroet door de hele familie. Rond de tafels met gaspitten staan grote pannen met van alles erin. Een aantal vrouwen zit op de grond en hevelt met een lepel de gekookte groente of het gestoofde vlees over in plastic zakjes. Deze doen ze in een krat, waarna ze klaar zijn voor de verkoop. Er staan geen tientallen nieuwsgierigen om ons heen, maar slechts een paar glurende kinderen die lachen als ze merken dat we hen doorhebben. Onder een boom staat een kinderbedje, de trotse moeder wiegt haar baby onder zacht geneurie. Intussen loopt een peuter waggelend rond onder het nauwlettend oog van zijn vader. Bij de vrouw die ons wenkte bestellen we iets te eten en te drinken. De vader wordt even uit zijn rol gerukt en vult een plastic zakje met stukgeslagen ijs en een lauw flesje Coca-Cola. Hij steekt er een lang rietje in en knoopt het zakje dicht met twee elastiekjes, waaraan we het zakje kunnen vasthouden. Dit is de Thaise manier van frisdrank verkopen. Als we afrekenen, voel ik opeens iets langs mijn been strijken. Ik kijk om en zie een oud Thais vrouwtje dat verwonderd mijn blonde beenharen betast. Je ziet haar gewoon denken: ‘Zijn ze nou echt of niet.’ Ik schiet in de lach en zij ook, waarna ze aan mijn hoofdhaar voelt. Dan laat ik haar zien dat op mijn armen ook blonde haren groeien en toon een plukje borsthaar. Iedereen vermaakt zich kostelijk, inclusief wijzelf.

In Tha Ton nemen we een longtail-boot naar Chiang Rai. Dit is een lange prauw met achterop een omgebouwde automotor die een hels kabaal maakt. Uit de motor steekt een lange as met daaraan de schroef. De motor kan met een handvat op en neer worden bewogen, waardoor de schroef uit het water wipt. Omdat de Kok-rivier op veel plaatsen is verzandt, moet de boot door ondiep water kunnen varen. Bij een politiepost moeten we onze namen in een boek schrijven. Zo kunnen ze controleren wie per boot naar Chiang Rai gaat. Deze veiligheidsmaatregel is nodig, omdat een paar jaar geleden enkele boten zijn overvallen door bandieten. Ook nu nog bestaat de kans op een overval. Als we vijftien euro hebben betaald, laden we de fietsen in een van de smalle, schommelende longtail-boten en gaan op de harde houten bodem zitten. Onze medepassagiers zijn vier andere toeristen en een Thaise familie. Om het gewicht goed te verdelen moeten we om en om zitten met de rug tegen de reling.
De Kok-rivier slingert tussen dichtbegroeide bergen door. Langs de oevers liggen hier en daar dorpjes met traditionele houten huisjes. Ervoor liggen boten en zijn kinderen aan het zwemmen. Vissers staan tot hun middel in de rivier en proberen met hun werpnetten wat te vangen. De bergstammen die langs het water wonen leven immers van wat de rivier hen brengt.
De boot vaart om grote rotsblokken, boomstronken en zandbanken heen en neemt af en toe een stroomversnelling. Eentje blijkt echter te moeilijk voor onze zwaarbeladen boot, zodat we moeten uitstappen en stroomafwaarts lopen. Midden in de onherbergzame rimboe staan warempel een paar souvenirkraampjes en stalletjes met frisdrank. Bij een politiepost moeten we opnieuw onze namen invullen. Daar horen we dat vier jaar geleden een groep toeristen is beroofd en zelfs twee toeristen zijn doodgeschoten. Er lopen vrouwen in klederdracht rond die kettingen verkopen. Ze zien er carnavalesk uit: op hun hoofd rust een punthoed gemaakt van grote munten, uit hun mond steekt een grote sigaar en om hun nek hangen tientallen kralenkettingen. De commercie slaat hier al toe, want als Marijke een foto wil maken, willen ze geld zien. Na tien minuten gaan we per boot weer verder. De Thaise familie is uitgestapt. Nu we nog met z’n zessen over zijn, komen er opeens zitkussentjes te voorschijn. Dankbaar leggen we ze op de harde houten bankjes.
In de buurt van Chiang Rai vlakken de heuvels af en wordt de rivier breder en rustiger. Toeristen maken op de schommelende rug van een olifant een tochtje in de omgeving. Aan mogelijkheden om het noorden te bezichtigen is geen gebrek, per bamboevlot, longtail-boot, olifant, of lopend door de jungle, het kan allemaal.
Na een tocht van ruim vier uur staan we weer op de vaste wal in het moderne en toeristische Chiang Rai. Deze stad heeft het toerisme te danken aan de beruchte Gouden Driehoek die vlakbij ligt, zodat Chiang Rai vaak als uitvalsbasis wordt gebruikt.

In de korte tijd dat we in Thailand zijn hebben we al een zekere routine opgebouwd. ’s Ochtends kopen we brood en melk, en tanken de bidons vol met water. Na een paar kilometer gaan we in een van de vele buswachthuisjes zitten. Voor het ontbijt zijn deze ideaal. Ze liggen vaak buiten de bebouwde kom en bestaan uit niet meer dan een dak op palen met daaronder houten banken. Op zo’n bankje smeren we op ons gemak jam op het brood en genieten we van de rust en de ochtendkoelte. Vanuit zo’n wachthuisje heb je vaak een goed uitzicht op de omgeving, dat vooral in de heuvels erg mooi is. Na het ontbijt bergen we de spullen weer op in de fietstassen en smeren ons trouw in met zonnemelk. We komen zó vaak boeddhistische tempels tegen, dat ik bij elke die we zien zeg: ‘Het is toch wat’, waarop Marijke vraagt: ‘Wat is wat?’ ‘Tja, het zijn heel wat wats.’ ‘Wàààààt.’ ‘Haal die watten uit je oren.’ ‘Je kunt me wat’, sluit Marijke uiteindelijk af.
Als we onderweg een fruitstalletje tegenkomen, kopen we voor een halve euro een hele ananas. Die wordt voor dat bedrag ook nog schoongemaakt, gesneden en met een cocktailprikker in een plastic zakje gestopt; lekker voor onderweg. Een baby schrikt van ons en begint te huilen als een krolse kat. Niet alleen wij, maar ook de moeder heeft schik. De fruitstalletjes geven wel aan dat er een behoorlijk verschil is tussen arm en rijk. De vrouwen of kinderen die ananas verkopen zitten de ganse dag in het stalletje te wachten op een paar klanten.

Mae Sai is een van de meest intrigerende plaatsen in Thailand. Het is de meest noordelijke plaats en bovendien de enige grensovergang tussen Thailand en Myanmar. De grenslijn wordt gevormd door de Mae Sai-rivier. Deze is zo ondiep dat je pootje badend het Myanmarese dorpje aan de overkant kunt bereiken. De officiële grensovergang is gelegen op een brug. Brutaal fiets ik tot achter het bord Union of Myanmar, met daarop de waarschuwing: ‘Tourists are not allowed behind this point.’ Zo, nu kan ik in ieder geval zeggen dat ik in Myanmar heb gefietst, ook al is het slechts een paar meter. De gewapende grenswacht kijkt mij bevreemd aan. Myanmar is voor buitenlanders uit den boze. Als buitenlander mag je het land alleen binnenkomen via het vliegveld van Rangoon. Van daar kun je onder voortdurende begeleiding bezienswaardigheden bekijken. De verblijfsduur is beperkt tot twee weken, dan moet je het land weer uit. Contact met de lokale bevolking wordt nauwgezet gadegeslagen.
Myanmarezen en Thais mogen overdag zonder veel plichtplegingen de grens oversteken onder de restrictie dat ze binnen een straal van vijf kilometer van de grens blijven. Veel Myanmarezen maken hier gebruik van om in Mae Sai de dagelijkse kost te verdienen en haasten zich vóór zonsondergang terug de grens over. Na zonsondergang wordt de rivier in beslag genomen door kleine boten die in het holst van de nacht heimelijk tv’s en geluidsapparatuur smokkelen.
De brug is een prachtige plaats om het grensleven te observeren. De knappe, mooi geklede Birmaanse vrouwen zijn prostituées die goedkoper schijnen te zijn dan de Thaise, de keurig geklede heren werken vaak in een van de vele souvenirwinkels waar Birmaanse houtsnijwerkjes en jade voorwerpen worden verkocht. Zonder gêne loopt een omaatje topless over de brug en verhuizen handkarren met allerhande goederen van het ene land naar het andere. Dat Myanmar vroeger een Engelse kolonie was, is in de winkeltjes merkbaar. In vitrines worden antieke telefoons en koffergrammofoons te koop aangeboden.

De Gouden Driehoek ligt op de grens van Laos, Myanmar en Thailand, en was vroeger het opiumgebied van Azië. Deze is vijf keer groter dan Nederland. Zo’n vijftien jaar geleden stonden hier ontelbare velden met papavers, waaruit het verslavende middel werd gewonnen. Reizen in deze contreien was toen een gevaarlijke aangelegenheid. Regelmatig deden wild-west verhalen de ronde over toeristen die overvallen werden door de toch al schatrijke drugsbaronnen. Aan deze praktijken wist het leger pas na vele jaren een eind te maken, doordat goede wegen werden aangelegd. Het Thaise gedeelte van de Gouden Driehoek verloor daardoor zijn isolement. Zo kon het leger meer controle op deze streek uitoefenen. In de onherbergzame valleien in Laos, Myanmar en zelfs Thailand schijnt nog steeds opium te worden verbouwd. Voor de Thaise bergstammen is opium een normaal genotmiddel zoals voor anderen sigaretten of alcohol. Daarom wordt hen oogluikend toegestaan om papavers voor eigen gebruik te kweken. In Kent Guesthouse in Chiang Mai vertelde een Deense toeriste dat ze een voettocht had gemaakt naar een paar primitieve bergdorpjes, die volgens de gids nog nooit in aanraking waren geweest met buitenlanders. Maar de dorpsjeugd speelde op een gettoblaster bandjes van Carabao, de populairste band van Thailand, overal stonden kratjes frisdrank en de gids deed zijn best om de groep trekkers illegale opium te laten roken, voor hem een extra zakcentje.
We fietsen door de heuvels over een zanderige weg. In de berm staan twee politieagenten, die ons sommeren te stoppen. Ze vragen onze paspoorten en een van hen doorzoekt grondig mijn fietstas. Waarschijnlijk zijn ze op zoek naar drugs, maar ons ontgaat de logica. Iemand die smokkelt zal het zeker niet náár de Gouden Driehoek brengen, maar het er juist vandaan halen. Ook een bus met toeristen wordt aangehouden en gecontroleerd. We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat de agenten deze act alleen maar opvoeren om de excursie een spannend tintje te geven.
Er volgt een steile klim. Boven gaan we – nog napuffend – op de grond zitten. We horen geritsel achter ons geritsel en ik sluip de bosjes in om te kijken wat het is. Zo’n tachtig meter verderop lopen drie olifanten. Omdat ik een foto van hen wil maken, baan ik mij een weg door de dichte begroeiing. Het drietal sjokt een helling af als ik ze tot op tien meter ben genaderd. ‘Klik.’ Op dat moment kijkt een olifant op en komt snuivend op mij af. Verschrikt draai ik om en loop hard weg. Als ik even later omkijk is de dikhuid gelukkig blijven staan. Waarschijnlijk zijn de dieren na jaren van trouwe dienst vrijgelaten zoals het gebruik is in Thailand, waar de olifant het symbool van geluk is.
Op het punt waar de Mae Khong-rivier samenkomt met de Mae Sai-river bevindt zich het drielandenpunt van Thailand, Myanmar en Laos, en het centrum van de Gouden Driehoek. Het is louter een toeristenlokkertje: het is er vergeven van de souvenirwinkels, hotels en restaurants. Bussen met toeristen rijden af en aan. Wij vinden het de moeite van de reis niet waard. Het enige aantrekkelijke is het uitzicht. Aan de overkant zijn de heuvels van Laos en Birma te zien, maar waar zijn nou de beruchte papavervelden? De toeristenindustrie van de Gouden Driehoek kun je in één woord samenvatten: toeristenfuik.

In Chiang Saen vinden we een guesthouse aan de oever. Op de veranda genieten we van het doen en laten van de dorpsbewoners en het leven op de rivier. Het is een gezellig dorpje met eetstalletjes en een markt. Hoopjes steen zijn de resten van wat honderden jaren geleden een paar wats waren. Op het voetbalveld staat een groot filmscherm. Een busje met achterin een filmprojector en een geluidsinstallatie rijdt door het dorp. Met een megafoon wordt er luidruchtig reclame gemaakt voor de film van vanavond. Omdat er in de dorpjes geen bioscopen zijn, heeft iemand het initiatief genomen om met een busje met apparatuur de dorpjes af te rijden en in elk een film te vertonen. Het projectiescherm wordt dan op een groot veld neergezet en voor een paar Thaise baht kun je een film zien.
Op de veranda van het guesthouse kletsen we gezellig met het internationale gezelschap: een Australiër, een Zweedse, een Engelsman, een Duitse en een Canadese. We fietsen nu al een half jaar links, sinds Pakistan vraag ik me af waarom men in het ene land links en in het andere rechts rijdt. Aan wie zou je dat beter kunnen vragen dan aan een Engelsman? Hij heeft een logische verklaring: ‘Wel, toen er nog geen auto’s waren was het paard het meest gebruikte vervoermiddel. Als je wilt opstappen, stap je altijd aan de linkerkant van het paard op; voor de meeste mensen is het makkelijker om het rechterbeen over de rug van het paard te zaaien. Welnu, omdat paarden nogal hoog kunnen zijn, is een stoep of trottoir een uitermate handig hulpmiddel, is het niet? Eenmaal in het zadel is het niet meer dan logisch om aan die kant te gaan rijden waar je bent opgestapt: links. Toen de auto’s werden geïntroduceerd moesten deze zich aan de verkeersnorm aanpassen en gingen dus ook links rijden. Maar waarom rijden jullie eigenlijk rechts?’, is de wedervraag van de Engelsman. Tja, daar zit je dan met je mond vol tanden. Wij beschouwen de Engelsen dan wel als eigenzinnig, maar zelf weten we niet eens waarom men op het Europese vasteland rechts rijdt.
De Australiër vertelt over de enorme afstanden in het noorden van Australië. Na de vele verhalen die we hebben gehoord over dat land, zit het er niet in dat we daar nog gaan fietsen; de vliegreis erheen en terug is te duur, er zijn bijna geen voorzieningen onderweg, het is smoorheet en de op westerse leest geschoeide cultuur is overbekend. De Zweedse en de Engelsman vertellen ons over de Transsiberië Expres, waarmee ze de heenreis vanuit Europa hebben gemaakt. Hun enthousiasme werkt aanstekelijk, dus wie weet?

De vriendelijkheid van de Thais blijft ons verbazen. Overal word je ermee geconfronteerd. Als Marijke bij een fruitstalletje de verkoopsters begroet met ‘sawadee kha’, gieren ze het uit van het lachen. Ze vinden het blijkbaar leuk dat een toerist Thais probeert te spreken. We kennen ondertussen al wat woorden, maar het Thais is duidelijk een van de moeilijkste talen van onze reis. Als je iemand gedag zegt met ‘sawadee’, moet een achtervoegsel worden gebruikt dat aangeeft of de spreker een man of vrouw is. Marijke moet zeggen ‘sawadee kha’ en ik ‘sawadee khap’. Dit achtervoegsel gebruik je ook bij dank u wel; ‘khoup khoen kha’ of ‘khoup khoen khap’. Ook kan de status van een persoon op verschillende wijzen worden uitgedrukt. Er zijn zeventien manieren om ‘ik’ te zeggen, afhankelijk hoe je over jezelf spreekt. Om de eigen positie ten opzichte van een gesprekspartner duidelijk te maken, kun je op negentien manieren ‘u’ of ‘jij’ zeggen. De taal gaat nog veel verder; elke laag van de bevolking heeft een eigen wijze om te worden aangesproken, iets wat je in Nederland ook wel hebt, maar dan minder ingewikkeld. Vooral de intonatie van woorden vormt een probleem. Het woord ‘mai’ kan op vijf manieren worden uitgesproken, die elk een andere betekenis hebben. Je kunt het woord met een hoge, lage of normale stem zeggen, of je kunt een glissando naar boven of beneden maken. Bij een kleine winkel stoppen we voor een flesje cola. De eigenaar is heel vriendelijk. Ondanks het feit dat hij slecht Engels spreekt, probeert hij een gesprekje aan te knopen en vraagt waar we heen gaan. Als we zeggen: ‘Naar Ngau’, kijkt hij niet begrijpend. Hoe we het ook uitspreken, het gaat hem niet dagen. Uiteindelijk wijst Marijke naar een paaltje langs de weg met de plaatsnaam. Dan zegt hij iets van ‘Gauw!’, waarop wij lachend knikken.
Een paar kilometer voorbij Ngau wordt de omgeving heuvelachtiger en is er dichte begroeiing. Een korte afdaling brengt ons bij een veld waarop honderden geesteshuisjes staan. Bij de ingang staat op een bord te lezen dat Choporpratupha hier bijna driehonderd jaar geleden tegen de Birmanen heeft gevochten. Toen zijn zwaarden waren gebroken weerde hij alle slagen af met zijn blote handen. Al leunend tegen een rots stierf hij en werd daar door twee edelmannen gevonden. Ze richtten een geesteshuisje op en nodigden zijn geest uit om daarin te komen wonen. Ter nagedachtenis aan deze nationale held zijn in de loop van de tijd nog veel meer geesteshuisjes opgericht en zo groeide deze bedevaartplaats uit tot de plaats die het nu is. In twee grotten staan boeddhabeelden, houten beeldjes van paarden en olifanten; ook hangen er gebedsvlaggen. Het veld vormt een goede plek om vrij te kamperen, mede omdat het zo lekker rustig is. Weliswaar zijn er wat souvenirverkopers, maar die groeten ons vriendelijk en gaan verder met hun spullen inpakken. Het geeft wel aan hoe tolerant ze zijn om ons bij een gedenkplaats te laten overnachten.

Woelige tijden

De volgende ochtend trekken we weer verder. Door het vals plat is het soms zwaar fietsen. De hoge luchtvochtigheid maakt het drukkend benauwd. We rijden zo veel mogelijk over kleine weggetjes die ons door onvervalst tropisch regenwoud leiden, ook in Thailand een zeldzaamheid. Veel verschillende soorten begroeiing staan dicht op elkaar. De grond is overwoekerd met donkergroene varens met daarboven huizenhoge bomen in onbeschrijfelijke tinten groen. Vanaf de weg lijkt het een ondoordringbare muur, die af en toe wordt onderbroken door dorpjes en akkers. Landarbeiders met rieten hoeden staan voorovergebogen rijst te planten of onkruid uit de grond te trekken. De hoeden lijken net schemerlampen die vlak boven het pikzwarte haar zweven. Even later zien we bij een eethutje wat de gevolgen kunnen zijn als je een mensenleven lang op het land werkt. Een omaatje zit met haar kinderen, kleinkinderen en misschien wel achterkleinkinderen aan tafel te eten. Ze heeft grijze haren, een huid als een walnoot en een gebit als een fietsenstalling. Met trillende handen brengt ze een klein portie rijst naar haar mond. Als ze klaar is, gaat ze van tafel af en loopt met een kromgegroeide rug weg. Ze kan niet eens meer rechtop staan.

Boven de bergen trekken donkere wolken samen. We trappen snel door en kijken alvast uit naar een bushuisje om te schuilen. Achteromkijkend zien we de onweerswolken met een hoge snelheid in onze richting komen. We hebben pech, want in deze dunbevolkte streek zijn niet veel wachthuisjes. De plensbui wordt aangekondigd door een aanwakkerende wind en een sterk dalende temperatuur. Dat is voor ons het sein om snel de poncho’s aan te trekken en onder een boom te gaan staan. Niet dat het veel helpt, want het water stort met bakken naar beneden. In tegenstelling tot de miezerbuien in Nederland, die vaak dagen achter elkaar kunnen duren, zijn tropische regenbuien meestal kort en hevig. Een kwartier later fietsen we dan ook weer in het zonnetje. Door de bui is het veel koeler en niet meer zo drukkend benauwd; wat een verschil met een half uur geleden.
Als we door dorpjes rijden, roepen de mensen vaak ‘hello’ of ‘hé you!’, een kreet die nog dateert uit de tijd dat Amerikaanse ‘Vietnam-soldaten’ in Thailand met verlof gingen. Eén keer begint een aantal mensen zelfs voor ons te klappen. Het zit er niet in dat we vandaag een grote stad zullen tegenkomen, dus kijken we alvast uit naar water en een kampeerplek. Bij een put staat een vrouw die een emmertje aan een touw naar beneden gooit. Daarna hijst ze het naar boven en leegt het in een olievat. Om het vat vol te krijgen moet ze tientallen keren water putten. Ze is zo vriendelijk om ons voor te laten gaan en ons haar emmertje te lenen, zodat we de bidons kunnen bijvullen en we een beetje kunnen poedelen.

In Si Satchanalai bezoeken we een ruïnestad. In een zwaar bebost park liggen diverse wats her en der verspreid. Er is niet veel meer van over; mansdikke pilaren en verweerde boeddha’s zijn de schimmen van een lang vervlogen tijdperk. Bovenop een aantal kleine heuvels liggen een paar chedi’s op een rij. Van daar hebben we een mooi zicht op de overwoekerde stad. Onder ons stroomt een trage rivier langs dikke verdedigingsmuren. Even verderop steekt een chedi met zijn bolvormige spits boven de boomtoppen uit. In het steen van de eeuwenoude bouwsels zitten allemaal gaatjes, zodat de chedi’s net op een spons lijken. Op een nabijgelegen kloosterterrein staat een reusachtige boeddha tussen enorme pilaren. Hier leven monniken van uiteenlopende leeftijden. Ik kan het niet laten stiekem een blik in een klaslokaal te werpen waar kinderen zeer gedisciplineerd aan het leren zijn. De oudere monniken verrichten dagelijkse bezigheden als eten klaarmaken en mediteren.
Si Satchanalai is de zusterstad van het nabijgelegen Sukhothai. De Sukhothai-periode uit de Thaise geschiedenis wordt ook wel de Gouden Eeuw van Thailand genoemd. Zo’n zevenhonderd jaar geleden werden de Khmers verdreven door de Siamezen, die van Sukhothai en Si Satchanalai de eerste versterkte steden maakten. Het inmiddels vergane koninkrijk Sukhothai stond aan de basis van het Siamese rijk. Gedurende tweehonderd jaar bloeide er een indrukwekkende beschaving. Het Thaise alfabet werd geïntroduceerd en er werden diplomatieke betrekkingen met Birma en Ceylon aangeknoopt. De architectuur bloeide als nooit tevoren. Binnen de drievoudige verdedigingsgordel van Sukhotai liggen indrukwekkende tempelcomplexen, waarbij de chedi’s van Si Satchanalai verbleken. Temidden van de al dan niet gerestaureerde wats bevinden zich imposante boeddhabeelden. Ze zijn er in alle soorten, maten en standen. Een boeddha kan zo’n tien verschillende houdingen aannemen, die zich van elkaar onderscheiden door de manier waarop de handen worden gehouden. Elke houding symboliseert een toestand: rustend, beschermend of groetend.
De liggende hand van de imponerende boeddha in de Wat Si Chum meet bijna twee meter. Blijkbaar wordt deze reus nog steeds vereerd, want een Thaise vrouw maakt eerbiedig een ritueel gebaar en legt bloemen voor de hand neer. Achter het beeld loopt een trap naar boven, tot achter het hoofd. De koning maakte hier vroeger gebruik van om zijn leger toe te spreken. Zijn commando’s werden door de echo’s versterkt tot een krachtige bevelende stem, waaraan Wat Si Chum zijn naam te danken heeft: Tempel van de Sprekende Boeddha. Sommige boeddhabeelden in het park zijn van brons, hebben sierlijk vloeiende lijnen en een arrogante gezichtsuitdrukking. Ze hebben omgekeerde Doctor Spock oren, die tot de schouders reiken. Slechts gekleed in een oranje sjerp die schuin voor de borst hangt, staan ze statig tussen de verbrokkelde monumenten.

Het moderne Sukhothai ligt tien kilometer verderop, maar haalt het niet bij de oude ruïnestad; er is voornamelijk betonnen nieuwbouw met veel verkeer. Op de avondmarkt, zoals je die wel vaker in Thailand ziet, heerst een gezellige drukte: mensen op straat verkopen fruit, ballonnen of gedroogde inktvissen die netjes naast en onder elkaar aan een soort waslijntje hangen. Bij een stalletje drinken we vers geperst ananassap met ijs, heerlijk fris. Er staan ook bakjes met gesneden vruchtjes. Een jongetje heeft als taak om de insecten die ertussen lopen eruit te vissen. We kijken toe hoe hij ze vervolgens op straat gooit en onder zijn voet verplettert. Er zijn diverse eetkraampjes met tafeltjes en stoeltjes in de open lucht. Op de menukaart staan lekkernijen als knapperig gebakken pad, gefrituurde kuikentjes of kippeningewanden. Als we de opengesneden padden in de vitrine zien liggen, vergaat ons de eetlust meteen. We houden het dus maar gewoon bij rijst, vis en groente; wel zo veilig.

Met Sukhothai laten we ook de heuvels, die de laatste uitlopers van de Himalaya vormen, achter ons. Dat is meteen te merken aan de hogere temperaturen. Dat het de droogste tijd van het jaar is, blijkt wel uit de gebarsten grond. Volgens de Bangkok Post is het zelfs het droogste jaar van de afgelopen twee decennia en hebben vooral de mensen in het noordoosten met een ernstig tekort aan water te kampen. Al na een paar dagen verlangen we terug naar de koelte van de bergen. Zelfs ’s nachts is het drukkend warm. Het eerste wat we ’s ochtends dan ook doen is het plakkerige zweet afspoelen onder de douche. We staan om zes uur op om de grootste hitte te ontlopen. De weg naar het 120 kilometer zuidelijker gelegen Nakhon Sawan ziet er op de kaart uit als een landweg, maar blijkt al snel een rustige, geasfalteerde weg te zijn. Het is niet de eerste keer dat de snelle ontwikkeling van het wegennet de topografie van onze landkaart heeft ingehaald. Het landschap is een inmiddels vertrouwde aaneenschakeling van eentonige patronen van akkers en palmbomen. Inmiddels menen we de meeste landschapvariaties wel te hebben gezien. Op de velden worden voornamelijk suikerriet en rijst verbouwd. Het is leuk om de mensen op de velden te zien werken; zonder uitzondering dragen ze een rieten schemerlamp als bescherming tegen de zon. Wij dragen geen petje. Dat we een zonnesteek zouden kunnen oplopen, geloven we niet meer; anders hadden we er al lang een gehad moeten hebben.
Het fietsen wisselen we regelmatig af met pauzes, waarbij we veel cola drinken en rambutans eten. Deze tropische rode vruchten met harige spinnenpoten vonden we de eerste keer dat we in Thailand waren maar eng. Minstens één keer per dag eten we koeie tio oftewel Thaise noedelsoep. Nog altijd staan we verbaasd over de hoeveelheid ingrediënten die de soep bevat: groente, gedroogde uien, inktvis, taugé, gemalen nootjes, plakjes vis, kruiden, stukjes ingewanden, gemarineerd varkensvlees, grijze visballetjes en natuurlijk noedels. Alsof dat nog niet genoeg is, krijg je naast de soep nog eens vijf kommetjes waarin azijn, een chilisaus, zout, een soort maggi en paprikapoeder zitten.
Toch gaat er niets boven cola. Als we ergens voor het middagmaal binnenstappen, bestellen we meteen een hele literfles, die uit een rode Coca-Cola ijskast komt. We krijgen twee glazen met ijs erbij. Zonder blikken of blozen ruilen we tien minuten later de lege fles om voor een volle. In onze dagverslagen hebben we dit diverse keren beschreven. Bij onze terugkomst blijkt Marijkes vader door onze cola-tic te zijn bevangen; in plaats van een wijntje is hij cola gaan drinken. Dat we twee liter achter elkaar kunnen drinken, is voor mensen die nooit in de hete zon hebben gefietst moeilijk te geloven, maar we zweten het weer net zo snel uit. Al fietsend merk je daar trouwens niet veel van. Door de wind en de hete zon verdampt het vocht vrijwel meteen. Toch is zweten erg belangrijk. Het is namelijk een doeltreffende manier van het lichaam om koel te blijven. Als je zout in het zweet proeft, is dat een teken dat het lichaam geen zoutgebrek heeft. Daarnaast is het belangrijk om de kleur van je urine in de gaten te houden. Als deze namelijk oranjegekleurd is, duidt dat op een gebrek aan lichaamsvocht. Ook al heb je geen dorst, toch moet je regelmatig iets drinken om uitdroging te voorkomen.
Het is laat in de namiddag als we in het drukke Nakhon Sawan aankomen. In de lobby van een hotel tonen televisiebeelden een vreedzame demonstratie. Ondanks de verkiezingsuitslag is Generaal Suchinda door de militairen tot premier benoemd. Door te demonstreren wil men Suchinda dwingen om af te treden. De joelende mensenmassa ziet er dreigend uit; het zal niet de eerste keer zijn dat een demonstratie escaleert. Vanaf dat moment kopen we elke dag de Bangkok Post of The Nation om op de hoogte te blijven van de politieke ontwikkelingen.

In Ayutthaya houden we een rustdag. Na de Sukhothai-periode schitterde Ayutthaya als de hoofdstad van het Siamese Koninkrijk. In de zeventiende eeuw leefden hier zelfs meer mensen dan in Londen. Niet in de laatste plaats was het lange bestaan te danken aan de veilige ligging op een groot eiland in de rivier. Toch weerhield het de Birmanen er niet van de stad in 1767 met de grond gelijk te maken. Tot op de dag van vandaag is de verwoesting nog te zien. Ayutthaya is een onsamenhangend geheel van moderne nieuwbouw, paalwoningen en ruïnes. De monumenten zijn her en der verspreid en voor elk afgebakend veld moet apart entree worden betaald. Veelal zijn het niet meer dan afgebrokkelde wats en een eenzame gestutte chedi. Toch ademt het geheel iets ontzagwekkends uit; al rondlopend krijgen we een goede indruk hoe Ayutthaya er vroeger moet hebben uitgezien en we zijn onder de indruk. Op de grond zwerven alle mogelijke lichaamsdelen van boeddhabeelden rond. Een afgebroken boeddhahoofd ligt tegen de stam van een boom. In de loop der tijden hebben de wortels en takken zich om het hoofd gekronkeld en is het net alsof hij wordt gewurgd.
Vanuit Ayutthaya rijden we naar Bangkok en stoppen bij het Don Muang vliegveld. In de laatste brief van mijn ouders stond dat ze vandaag om elf uur zouden aankomen. Ik stap de airconditioned aankomsthal binnen om te informeren. Het vliegtuig blijkt dertig minuten geleden te zijn geland, maar hoe ik ook zoek, mijn ouders zijn spoorloos. Waarschijnlijk zijn ze al vertrokken naar het Stella Palace hotel. Volgens de gids ligt dat op onze route, zodat we daar maar meteen langsgaan.
Drie jaar geleden zijn we in Bangkok onze tocht naar Indonesië begonnen. Het lijkt wel een mensenleven geleden. Toen leek alles zo vreemd, nu doet alles zo vertrouwd aan. Er is niet veel veranderd: het is nog altijd een drukte van jewelste met stinkende auto’s en tuk-tuks, gemotoriseerde driewielers met een motor die snerpt als een kettingzaag. Brommers waren er toen nog niet zoveel. Een motoragent rijdt met een zuurstofmasker voor zijn mond, geen overbodige luxe met al die walmen. In Bangkok en omstreken rijdt negentig procent van het geregistreerde autoverkeer, terwijl hier slechts tien procent van de bevolking woont, toch nog goed voor zo’n zes miljoen mensen. Wij zijn de enige fietsers. Fietsen in Bangkok is dan ook levensgevaarlijk, je hebt echt een beschermengel nodig. Misschien wordt de stad daarom wel door de Thais Krungthep genoemd: Stad der Engelen. Bangkok is een agglomeratie van verschillende steden en de officiële naam is een samenstelling hiervan. De volledige naam luidt eigenlijk: Krungthepmahanakhornbowornrattanakosinmahintaarayutthayamahadilokpopn- opparatratchathaniburiromudomratchaniwetmahasathan. Logisch dat de Thais een afkorting gebruiken. We letten goed op, zodat we op tijd de brommers zien die op onze rijstrook spookrijden. Ze verwachten ook nog dat wij voor hen opzij gaan! Andere brommerrijders halen ons links en rechts in. Onoplettende automobilisten rijden opeens weg of snijden ons af, portierdeuren slaan opeens open. Kamikaze tuk-tuks scheuren rakelings langs. Verkeerslichten zijn soms achter de bomen verscholen, waardoor we die een paar keer missen. Toch valt er ook wat te lachen. In de stinkende smog en de middaghitte staat midden op een kruising een politieagent ingespannen te fluiten en wild met zijn armen te zwaaien. De man moet een perfecte conditie hebben.
We moeten een paar keer goed op de kaart kijken voordat we het Stella Palace hotel bereiken. We ketenen de muddies aan elkaar en stappen gewapend met de camera naar binnen. Bij de receptie vragen we in welke kamer Mister Schuijt zich bevindt en krijgen twee kamernummers op, zodat we ons afvragen of mijn zussen misschien zijn meegekomen. Een hotelboy brengt ons naar kamer 317. Terwijl Marijke op de deur klopt, ga ik met het fototoestel in de aanslag staan. Ik vind het maar wat spannend. Het is tenslotte al bijna een jaar geleden dat ik ze heb gezien. Mijn hart gaat als een razende tekeer als de deur een stukje opengaat en in de spleet een gezicht verschijnt. Een wildvreemde vrouw kijkt mij en mijn toestel verbaasd aan en vraagt in het Engels wat we willen. Schaapachtig bied ik haar mijn excuses aan en zeg: ‘Sorry, de verkeerde kamer.’ Dan gaan we met de hotelboy naar kamer 320 schuin daar tegenover. Ook nu klopt Marijke op de deur en houd ik de camera klaar. Opnieuw is het geen Fien Schuijt die opendoet en voel ik me voor gek staan dat ik met camera in de aanslag voor de deur van een wildvreemde sta. Teleurgesteld druipen we af naar de receptie.
Er is geen bericht voor ons achtergelaten, maar dankzij de behulpzame receptioniste vinden we het telefoonnummer van de reisorganisatie in Bangkok. Mijn ouders blijken in het Embassy hotel te vertoeven dat een eind verderop ligt. Na het nummer van het hotel te hebben opgeschreven, bedanken we de receptioniste uit de grond van ons hart.
Een beetje moedeloos fietsen we weg. Het zit niet mee vandaag: geen ontvangst op het vliegveld, geen ouders in het afgesproken hotel, niet eens een achtergelaten boodschap, maar slechts een telefoonnummer van het Embassy hotel. We laten het idee om hen vandaag nog te zien maar rusten en rijden naar de wijk Banglampoo om een guesthouse te zoeken.
Zonder al te veel problemen komen we in de wijk Banglampoo. De Khao San Road is een typische ‘Lonely Planet’ straat. Als je een restaurant binnenstapt, struikel je bijna over de rugzakken. Op een bord hangen boodschappen van reizigers voor reizigers. Het type toeristen dat hier komt, kan gevat worden onder de categorie wereldreizigers, mensen die voor langere tijd onderweg zijn en een ‘lowbudget’ hebben. Aan de tassen en de broeken met biesjes kun je zien dat veel reizigers in India en Nepal zijn geweest. Je kunt hier de laatste reizigersinformatie krijgen, gratis en geheel up to date. Toeristen proberen elkaar te overtroeven met de goedkoopste tickets en vertellen sterke verhalen over hun belevenissen tijdens de bergtrektochten in het noorden. Er is altijd wel iemand om een praatje mee te maken. Opvallend is dat veel mensen erg snel klaarstaan met hun commentaar op de Thaise cultuur. Net een week in Thailand en dan al een mening. Aan de simpele tafeltjes wordt menige ansichtkaart volgeschreven. Ook dit moet lowbudget zijn; ze proberen zoveel mogelijk lettertjes op elke open plek te schrijven. Velen proberen zich niet als toerist te gedragen. Al kauwend op een hamburger vertellen ze dat het Thaise eten zo lekker is. ‘Ko Samet is tegenwoordig zóóó toeristisch’, zegt een jeugdige Duitse die voor het eerst in Thailand is, maar vergeet dat als zij er niet geweest zou zijn, het al iets minder toeristisch zou zijn geweest.
In menig restaurant worden ’s avonds de nieuwste videofilms gespeeld. Aangezien je als wereldreiziger bijna geen gelegenheid hebt om tv te kijken, zijn dit geliefde plaatsen. Het is een welkome afwisseling: even passief kijken, na al dat reizen. De titels worden op borden op straat aangeduid. Draait er bij de een geen leuke film, dan gaan we naar een ander. Er worden overwegend H.P. films gedraaid, harde politiefilms. Wie kon vermoeden dat er een paar dagen later genoeg geweld op straat te zien zou zijn…
Op de stoep staan veel kraampjes waar dubieuze artikelen worden verkocht. Een valse perskaart of een namaak studentenkaart wordt gemaakt waar je bij staat. Veel illegaal gekopieerde cassettebandjes met de laatste hits zijn voor een prik te koop; ze zijn wel van mindere kwaliteit, maar dat mag de pret niet drukken. Natuurlijk ontbreken ook de nep-Rolexen en de ‘dure’ merken niet. Er zijn kraampjes met tweedehands boeken en kitscherige sieraden, waarmee alleen vrouwelijke toeristen zich op straat wagen. In de panden zijn veelal reisbureaus, restaurants en kledingwinkels gevestigd.
Via een steegje belanden we op een binnenplaats. Alle huizen rond de plaats zijn verbouwd tot lowbudget hotels. Elke verdieping is verdeeld in kleine kamertjes door middel van dunne schotten. Het toilet en de douche op de derde verdieping zijn voor algemeen gebruik. Veel kamers hebben niet eens daglicht. Onze kamer op de eerste verdieping ligt gelukkig aan de binnenplaats, zodat we de beschikking hebben over een balkon dat we gebruiken om de fietsen veilig te stallen. De kamer is nauwelijks groter dan het vederzachte tweepersoonsbed met daarboven een kille tl-balk en een zoemende fan. Het maakt niets uit, want met dit warme weer leven we toch voornamelijk buiten. De benedenverdieping bestaat uit een klein restaurant waar we kunnen ontbijten. Het gaat er heel gemoedelijk aan toe. Zelf je drankje pakken uit de koeling is geen enkel probleem.
Op de binnenplaats is ook een wasserette. Nu pas wordt het ons duidelijk hoe in India de dhobiwallahs de kleren van verschillende klanten uit elkaar hielden. In een groot boek zijn diverse kleuren touwtjes geplakt, waaronder het een en ander gekrabbeld staat. De touwtjes hebben vaak verscheidene knopen. Het vernuftig merksysteem combineert zo’n tien kleuren en vijf knopen, wat vijftig mogelijkheden oplevert. Elke klant heeft dus zijn eigen kleur-knoop combinatie die in elk kledingstuk wordt aangebracht. Grappig dat we daar nu pas achter komen.
In de namiddag bel ik naar het hotel waar mijn ouders verblijven. Eindelijk kunnen we eens met elkaar praten zonder dat het vier euro per minuut kost. We spreken voor vanavond af in het Tam Nak Thai restaurant, het grootste restaurant ter wereld. Dit eetparadijs ligt nogal ver van het centrum, zodat we daar met een tuk-tuk heengaan. Vooraf moet over de prijs worden onderhandeld, maar wel in de wetenschap dat je als buitenlander extra zal moeten betalen. Pas de vierde tuk-tuk chauffeur noemt een aanvaardbare prijs. Wat een verschil met een brommerriksja! Zittend op een glanzend rode bank scheuren we met tachtig kilometer per uur door de avondspits. De tuk-tuk is uiterst wendbaar, zonder zichtbare inspanning zwenkt de bestuurder om de langzaam rijdende auto’s heen. De tierelantijntjes die aan de overkapping hangen, schudden hevig heen en weer. De bestuurder zit boven het voorwiel; als hij remt zetten we ons schrap, als hij gas geeft worden we tegen de achterkant van de bank aangedrukt.
Het Tam Nak Thai restaurant beslaat een zeer groot oppervlak. Tientallen paviljoens zijn rond een podium gegroepeerd. Hierop worden Thaise dansen afgewisseld met Muai Thai, Thais boksen. Sollicitatie-eis voor de employees is dat ze kunnen rolschaatsen. Om de grote afstanden snel te kunnen overbruggen, ‘zoeven’ de serveerders op rolschaatsen voorbij, met op hun armen drie dienbladen vol lekker ogende gerechten. Een van hen brengt ons naar de tafel waar mijn ouders zitten. Na elf maanden van huis zien we ze eindelijk terug! Ma springt op en vliegt ons in de armen. Ze is zielsgelukkig ons weer gezond en wel te zien. Mijn vader, die deze verheugende ontmoeting wil vereeuwigen, blijkt zijn nieuwe Sony videocamera nog niet goed onder de knie te hebben. Een uur later zijn we weer volledig op de hoogte van de laatste nieuwtjes over familie, vrienden en kennissen en is het alsof we nooit zijn weggeweest.

Gezamenlijk maken we de volgende dag een tocht over de Chao Praya- rivier, de levensader van Bangkok. Behalve het goederenvervoer gaat ook het openbaar vervoer gedeeltelijk per boot. Vanuit een luxe longtail-boot hebben we een mooi uitzicht op de drukke miljoenenstad. Op de oever zijn hier en daar tempels zichtbaar, waarvan vooral Wat Arun, de Tempel van de Dageraad, indrukwekkend boven de flatgebouwen uittorent. Aan de kleinere grachten, klongs genaamd, wonen de mensen in paalwoningen. Marskramers varen langs in hun bootjes, afgeladen met groente en fruit. Vrouwen zitten gehurkt op een vlonder en wassen kleren in het troebele water. Hier en daar zwemmen kinderen die gekke capriolen uithalen om onze aandacht te trekken. De klongs liggen stroomafwaarts, dus echt schoon zal het water niet zijn. De grachten vormen een van de weinige historische stukjes van Bangkok, dat vroeger het Amsterdam van Azië was. Begin deze eeuw heeft het hoofd van het waterdepartement, een Nederlandse ingenieur, de klongs ‘ontworpen’. Al het vervoer ging per boot en in de droge tijd werd het water van de klongs gebruikt voor irrigatie van de rijstvelden. Het is jammer dat de ‘vooruitgang’ toeslaat. Op sommige plekken zijn de houten huisjes weggehaald; in plaats daarvan zijn op het vasteland kleine villa’s neergezet. De kans is groot dat steeds meer van die authentieke huizen het veld moeten ruimen.
Na verloop van tijd stappen we over op een grotere boot. Er is een buffet met vele soorten tropisch fruit en een bar waar cocktails worden geschonken. Ik maak een praatje met de Nederlandse reisleider Peter die zelf ook veel gereisd heeft. Uit ervaring weet hij ons te vertellen dat als we terugkomen in Nederland, de mentaliteit – zoals de zakelijkheid en de overgeorganiseerdheid – ons zwaar zal tegenvallen. Buitenlandse reisleiders mogen hier officieel niet werken, zodat ze altijd onder de dekmantel van een Thaise gids moeten reizen. Omdat Peter niet officieel werkt, heeft hij geen verblijfsvergunning. Daarom moet hij, evenals vele andere ‘farangs’, eens in drie maanden naar Maleisië om zijn toeristenvisum te laten vernieuwen. Voor buitenlanders met een Thaise vrouw kan dit een risico inhouden. Een farang mag volgens de Thaise wet geen bezittingen hebben, maar zijn Thaise vrouw wel. Alles komt dan ook op haar naam te staan. Diverse collega’s moesten op een gegeven moment naar Maleisië afreizen, met alle rampzalige gevolgen van dien. Hun vrouw verkocht in die paar dagen het huis met de inboedel en ging er met het geld vandoor.
Peter woont met een Thaise vriendin in Chiang Mai en is er achtergekomen dat ze eigenlijk totaal niet bij elkaar passen, maar zijn vriendin realiseert zich dat niet. Nu schijnt een Thaise vrouw, als zij eenmaal met een westerse man heeft samengewoond, niet meer terug te kunnen keren naar haar familie. Deze zal haar niet meer accepteren. Daar zit Peter een beetje mee. Hij kan zijn vriendin niet zomaar verlaten, want dan zal ze hem volgen en desnoods ’s nachts op de grond voor zijn huis slapen; ze kan immers nergens heen. Hij denkt erover haar wat geld te geven, zodat ze ergens anders een nieuw bestaan kan beginnen. Dan mengt iemand anders zich in het gesprek en vraagt of de prostitutie in Thailand door de Amerikanen op gang is gebracht tijdens de Vietnam-oorlog. Peter ontkent dit. Het fenomeen prostitutie bestaat al heel lang en is gewoon in de samenleving geïntegreerd. Hij vertelt dat de uitgaansgelegenheden voor Thais enerzijds en westerlingen anderzijds strikt gescheiden zijn. Als buitenlander kom je beslist niet een Thaise bar binnen. Men fluistert namelijk dat ‘farangs’ nogal zwaar zijn geschapen. Als zo’n man omgang heeft gehad met een Thaise, is zij niet meer aantrekkelijk voor een Thai, omdat ze ‘te ruim’ is.
Na de boottocht nemen we tijdelijk afscheid van mijn ouders; over een week zullen we elkaar weer ontmoeten in de badplaats Pattaya.

Met een tuk-tuk gaan we naar een ziekenhuis dat door de Nederlandse ambassade is aangeraden. We lopen namelijk al vijf maanden rond zonder een vaccinatie tegen hepatitis, ook wel geelzucht genoemd. De stof gammaglobuline die hiervoor wordt gebruikt, wordt uit menselijk bloed gewonnen. Als de donors niet op het HIV getest worden, bestaat de kans dat je door de injectie aids oploopt. Uiteraard moet je opletten dat ze een steriele naald gebruiken. Omdat we niet veel vertrouwen hadden in de Indiase ziekenhuizen, kozen we ervoor om een tijd onbeschermd rond te lopen; liever geelzucht dan aids! De Thaise ziekenhuizen zijn betrouwbaarder, omdat ze vaak door Amerikanen of Duitsers beheerd worden. We nemen een shot van vier cc, voldoende voor zes maanden. Toch is een vaccin geen garantie dat je geen hepatitis oploopt: de kans wordt alleen met vijftig procent verminderd.
Diezelfde middag gaan we met de bus naar de weekendmarkt. Er zijn twee klassen: de luxe met airconditioning en de standaardbus voor de gewone man. Bij een halte worden we door iemand op de juiste bus gezet. De conducteur rammelt de hele rit met zijn blikken geldbakje. Tsjak!, met het metalen klepje snijdt hij geroutineerd de tickets af die hij in een vloeiende beweging uit een filmblik trekt. In de volle standaardbus hebben wij het dank zij onze lengte niet zo benauwd. Iedereen is klein van stuk en rechtopstaande hanenkammen zijn hier niet. Toch is mijn lengte niet altijd even plezierig. Door laaghangende luifels en krappe deurposten ga ik al maanden gebukt door het leven.
Op de weekendmarkt wordt van alles en nog wat verkocht. Kleding, huishoudelijke artikelen, serviesgoed, antiquiteiten en souvenirs. De kraampjes met religieuze amuletten zijn bij oudere mannen favoriet. In een vergulde hanger is achter glas een miniatuur boeddha, tijger of vogel zichtbaar. De boeddha’s genieten de voorkeur, want deze geven geluk en rijkdom, en helpen je op weg naar ‘verlichting’. Vooral de amuletten die gewijd zijn door monniken zijn erg gewild en daar worden dan ook grote bedragen voor neergeteld. In de Thaise krantjes staan soms pagina’s vol met advertenties waarin boeddhistische amuletten te koop worden aangeboden. Hier op de markt bestuderen enkele mannen met een loep in de ogen geconcentreerd de kwaliteit. Mensen met groene vingers kunnen hun hart ophalen bij de tuinafdeling en culinaire liefhebbers kunnen bij de vele eetstalletjes terecht. Het is een drukte van jewelste, zodat we de Thais goed kunnen bekijken. Ze zijn klein van stuk en zo fragiel dat ze bijna omwaaien. Er wordt wel gezegd dat Thaise vrouwen zo mooi zijn, maar dat valt bitter tegen. Het is net als bij ons, je hebt mooie en minder mooie. Tussen de menigte loopt een rugzak met daaronder een gezette Amerikaan. Hij doet ons denken aan een logge olifant temidden van sierlijke antilopen. Ook is er een markt met groente, vis, kruiden en allerhande oosterse specialiteiten. Oorverdovend gekraai maakt ons attent op vechthanen. Voor goklustige Aziaten vormen hanengevechten een favoriet tijdverdrijf. Het kabaal brengt ons bij het leukste gedeelte: de dierenafdeling, met kleurrijke vissen, jonge hondjes, eekhoorntjes, Thaise poesjes, en donzige eenden- en kippenkuikentjes. We aaien wat af. De kuikentjes zijn in alle kleuren van de regenboog geschilderd. Er zijn ook dunne, gifgroene slangetjes en schorpioenen. De verkoper zet een stuk of vier van de zwarte beesten op zijn handpalm. Dat had hij beter niet kunnen doen; met een van pijn vertrokken gezicht laat hij ze weer vallen.

Natuurlijk staat ook het Grote Paleis op het programma. Om er te komen, lopen we langs een groot plein. Er vindt weer een demonstratie tegen generaal Suchinda plaats. Honderden mensen zijn op weg naar het nabijgelegen Monument van de Democratie, het centrum van de activiteiten. Hier en daar hangen spandoeken en staan protestborden. Op een ervan staat geschreven: ‘Suchinda go to hell’. Duidelijker kan het niet.
Na de verwoesting van het luisterrijke Ayutthaya door Birma, wilde de koning een nieuwe hoofdstad scheppen aan de Chao Praya en liet het Grote Paleis bouwen. Binnen de muren van het complex bevinden zich in de wirwar van straten veel uitzonderlijke monumenten. In Wat Phra Keo staat de meest vereerde boeddha van Thailand. Het is de kleine Boeddha van Smaragd, die zich hoog op een troon boven verschillende vergulde beelden bevindt. Toen 550 jaar geleden de bliksem insloeg in een chedi in Chiang Mai, vonden de monniken in het binnenste een groen boeddhabeeldje van bijna tachtig centimeter hoog. Niemand weet waar het vandaan komt of wie de maker is. Na vele omzwervingen door Thailand en Laos is het in Wat Phra Keo terechtgekomen. Iedereen die de tempel binnenkomt, wordt gemaand te gaan zitten en zo tot nederigheid gedwongen. Net als in een moskee mogen ook hier de voeten niet naar voren wijzen. Ze zijn immers het minst edele deel van het lichaam. Elk beeld van boeddha biedt bescherming, de Boeddha van Smaragd zelfs aan het hele volk. Buiten staan demonische wachters te waken, geflankeerd door mythische wezens, die half mens, half vogel zijn.
Behalve de vele boeddha’s, bonte muurschilderingen en chedi’s staan er ook resten van oude wats binnen het Grote Paleis, dat nog niet zo lang geleden is gerestaureerd. In het bijbehorende museum wordt het gereedschap getoond dat voor de restauratie is gebruikt; een tandenborstel en een potlood.

Vlak bij ons guesthouse lopen we Nettie en Paula tegen het lijf, twee van de Engelse meiden met wie we in Nepal zijn opgetrokken. Na een kwartiertje kletsen, spreken we voor de volgende dag af in een restaurantje, waar we de hele club zullen zien. Te gek!
Als we die dag willen gaan ontbijten, zitten er voor ons guesthouse twee mannen met elkaar te praten. Eentje vertelt over de uit de hand gelopen demonstratie tegen premier Suchinda die gisteren is gehouden. Hij is er zelf bij betrokken geweest; achter op zijn overhemd zit zelfs wat bloed. Het zou er hard aan toe zijn gegaan: bij de rellen zouden een stuk of drie doden zijn gevallen. We schrikken ervan. Hoewel ons hotel zich in de buurt bevindt waar de demonstratie plaatsvond, hebben we er vrijwel niets van gemerkt.
Bij ons vaste ontbijtadres vangen we bot; het blijkt gesloten te zijn. De hele straat is trouwens veel stiller dan anders. Er zijn nauwelijks winkels en banken open en de straatverkopers zijn nergens te bekennen. In een ander restaurant heeft een toerist de krant van vandaag kunnen bemachtigen. The Nation is een onafhankelijke krant en haar berichtgeving is niet bepaald regeringsgezind. Er staat inderdaad bevestigd dat er rellen zijn geweest. Op een foto is te zien hoe vier politieagenten een demonstrant te lijf gaan. Volgens de krant zou de politie heel hard hebben opgetreden tegen de demonstranten. De regering heeft intussen de noodtoestand afgekondigd; samenscholingen van meer dan tien mensen zijn verboden en alle openbare instellingen zijn gesloten.
Het is tijd voor onze afspraak met de meiden. Het is een leuk weerzien. We maken meteen kennis met de vriend van Jazzer, die haar naar Thailand is nagereisd. Zou Jazzer al hebben verteld dat we in Nepal bijna waren getrouwd? Voor hen zit de lange reis er op, morgen vertrekken ze. Leuk dat we ze toch nog ontmoeten.
Terwijl we bijpraten laat de eigenaar van het restaurantje de rolluiken zakken. Dit is niet zonder reden, want even later horen we dat aan het eind van de straat wordt geschoten! Als het weer rustig is, lopen we met de meiden mee naar hun guesthouse om foto’s te bekijken. We blijven er nog even hangen en nemen dan afscheid; omdat we morgen vertrekken, willen we alvast de fietstassen gaan inpakken. Op de terugweg rent een groep mensen een straat in. Er hangt een vreemde sfeer. Zelfs in de grote winkelstraten zijn nagenoeg alle rolluiken naar beneden. Er ligt veel troep en op een brug staat een verlaten prikkeldraadversperring. Hier en daar staan groepjes mensen heftig te discussiëren. De spanning valt van hun gezichten af te lezen. Het lijkt alsof ze afwachten wat er verder gaat gebeuren.
De paar reisbureaus in ‘onze’ straat die nog open zijn, doen goede zaken. De meeste toeristen vinden het tijd om te vertrekken en staan in de rij voor een bus- of vliegticket. Terwijl we de tassen pakken, klinkt een oorverdovend geknal. Volgens de guesthouse-eigenaar is het vuurwerk, waarmee de burgers hun afkeer laten blijken tegen het geweld van de regering.
’s Avonds blijkt het moeilijk te zijn nog iets te eten te vinden. De meeste restaurants zijn dicht. De enkele die open zijn, houden angstvallig hun rolluiken op een kier. Terwijl we eten, haalt een man de portretten van het hoog in aanzien staande koningspaar van de muur en voert ze af naar buiten. Deze zullen in de demonstratie van vanavond door zijn vrouw worden meegetroond, zo verklaart hij.
Als we in bed liggen, horen we in de verte een versterkte stem iets zeggen en vervolgens een gejuich opstijgen. Blijkbaar is de demonstratie aan de gang. Nu maar hopen dat deze een vreedzaam verloop heeft…
Die nacht kunnen we amper slapen, omdat doorlopend het staccato-achtige geluid van automatische geweren en mitrailleurs te horen is. Herhaaldelijk schrikken we wakker van schreeuwende mensen schoten en ontploffingen. De kruitdampen drijven door het open raam onze slaapkamer binnen. We houden ons hart vast.

De volgende ochtend blijkt slechts één van de pak weg veertig restaurantjes op Khao San Road open te zijn. Van andere toeristen horen we de verhalen aan over tientallen doden en honderden gewonden. De vreedzame demonstranten zijn op bevel van de door de militairen naar voren geschoven premier Suchinda wreed aangepakt. Veel ambassades raden hun burgers aan om Thailand te verlaten. De noodtoestand is nog steeds van kracht, zodat bussen en tuk-tuks niet rijden. Ook voor de toeristen zijn het moeilijke tijden. Groepjes staan radeloos te discussiëren wat te doen. Sommigen moeten vandaag hun vlucht halen, maar weten niet hoe ze op het Don Muang-vliegveld moeten komen. Anderen moeten cheques wisselen, maar kunnen nergens terecht.
We laden de fietsen op en rijden temidden van dikke rookwolken Khao San Road af. Er is praktisch geen verkeer en de doorgaans goedlachse Thais kijken verbeten. Voor het politiebureau op de hoek staan oplettende militairen met hun M-16 in de aanslag. Soms moeten we omrijden, omdat straten met prikkeldraad zijn afgezet. Op een andere hoek staat een tank met enkele soldaten. Onder hun waakzame blikken kijken we op de plattegrond welke kant we nu weer op moeten rijden. Op dat moment rijden zes trucks langs met in hun laadbak tientallen arrestanten met ontbloot bovenlijf. Ik kan het niet laten om goedkeurend mijn duim naar ze op te steken, waarop ze luidkeels beginnen te joelen.
Later op de dag kopen we The Nation en lezen dat er honderden Thaise demonstranten zijn doodgeschoten en duizenden zijn gearresteerd. Als we denken aan de innemende Thais, is het des te erger dat een vreedzame demonstratie van deze aardige mensen is uitgemond in een bloedbad.
Met het bevel tot de bloedige onderdrukking heeft Suchinda het einde van zijn politieke carrière getekend. Vooral het toerisme heeft een flinke knauw gekregen. Voor Thailand is het toerisme, met een opbrengst van meer dan vijf miljard Amerikaanse dollar, de voornaamste bron van inkomsten. Het is niet de eerste keer dat in Thailand militairen naar de macht grijpen, maar hopelijk wel de laatste. In de weken na de demonstraties worden dagelijks in de kranten meer dan duizend namen van vermisten afgedrukt. De vele doden zijn tot op heden ten dage nooit officieel bevestigd. Het verhaal doet de ronde dat de honderden lijken nog dezelfde nacht door legerhelikopters in de ondoordringbare jungle op de grens van Thailand en Cambodja zijn gedropt.

Istmus van Kra

We zijn er niet rouwig om Bangkok achter ons te laten. Via een omweg komen we na drie dagen fietsen in de Thaise badplaats Pattaya aan. Hier hebben mijn ouders voor drie weken een kleine bungalow gehuurd en kunnen we een welverdiende vakantie houden. Even géén nieuwe indrukken meer opdoen, alleen maar genieten van de huiselijke gezelligheid. De bungalow is van alle gemakken voorzien. Wat is het lekker om weer op een hifi-installatie muziek te horen, wat hebben we dat gemist. De slaapkamers hebben airconditioning en in de keuken kunnen we weer eens echte Hollandse kost klaarmaken, zoals snert of wentelteefjes.
’s Ochtends ontbijten we met z’n vieren en trekken daarna een paar baantjes in het zwembad. De fietsen zijn hard aan een grote beurt toe. Marijke en ik kijken elk moertje en kogeltje na en vervangen ze indien nodig. We monteren nieuwe banden, stellen remblokjes en derailleurs af en halen hier en daar speling eruit. Behalve aan de fietsen werken we veel aan de dagverslagen en schrijven artikelen voor de tijdschriften en de kranten. ’s Middags doen we met z’n allen boodschappen en verkennen Pattaya. De dag wordt besloten met klaverjassen of tv kijken, net als vroeger. We hebben het reuze gezellig.
Pattaya is een rommelige stad. In de buurt van het strand staan luxueuze hotels, ergens achteraf vind je krotten. Er wordt driftig gebouwd en veel trottoirs zijn opengebroken. Aan de boulevard zijn tientallen ‘massage-parlours’ en ‘go-go bars’ waar dames je voor een drankje en meer naar binnen proberen te lokken. De Nederlandse militairen die we tegenkomen zijn in het nabijgelegen Cambodja gelegerd en hebben kort verlof. Ze zijn blij in Pattaya te zijn, want hier valt volgens hen tenminste iets te beleven. Oude, vadsige mannen lopen gearmd met vrouwtjes die hun kleindochters zouden kunnen zijn. Sommigen dragen hun liefdeskindje op de arm. Meestal lopen mannelijke sex-toeristen met een fragiel Thais vrouwtje, een enkele keer met een bereidwillige ‘boy’. Dat de lichaamsbouw van de gemiddelde Thaise man die van de Thaise vrouw niet zoveel ontloopt, zien we tijdens een cabaretprogramma van travestieten en transseksuelen. Wat een schoonheden. Alle vrouwelijke rondingen lijken wel echt en de borsten huppen net zo op en neer als bij èchte vrouwen.

Voor we er erg in hebben, zijn de drie weken voorbij. Ongelofelijk, wat is dat snel gegaan! Nu we weer op de fiets zitten, moeten we weer helemaal omschakelen. Ons verblijf in de Thaise badplaats vormde een belangrijk rustpunt tijdens onze reis. Het afscheid van mijn ouders laat een soort leegte achter. Nu zijn we weer op elkaar aangewezen. Omdat we niets speciaals meer hebben om naar uit te kijken, voelen we ons mistroostig. We hebben allebei ervaren dat het bezoek van ‘mensen van thuis’ best belangrijk was. Eindelijk was er iets bekends, iets vertrouwds, na al die indrukken die we hebben opgedaan. Vooral Marijke ervaart nu een gevoel van heimwee. Ze leeft dan ook toe naar onze terugkomst over een half jaar.
Nu moeten we de oude draad weer oppakken, maar de omstandigheden werken niet bepaald mee. De fietsen hebben we grondig nagekeken, doch al het geploeter lijkt voor niets, want we worden geplaagd door een hevige regenbui; de natte moesson is begonnen. Deze wordt voorafgegaan door korte buien, die zich aankondigen door een sterke temperatuurdaling en toenemende wind.
Ook de daaropvolgende dagen valt het fietsen bitter tegen. Zo heb je maandenlang geen spatje regen en zo fiets je constant door plensbuien. De kettingen knarsen en moeten om de paar uur worden gesmeerd. Mijn witte fiets is onherkenbaar door een bruine laag modder. De regenponcho’s houden de regen wel tegen, maar daaronder zijn we drijfnat van het zweet.
De route onder Bangkok door helpt ook niet om een goede stemming te krijgen. Het gebied bestaat uit een aaneenschakeling van katoenweverijen en chemische installaties. In de vieze industriegebieden passeren om de haverklap bulderende vrachtwagens. De wegen zijn slecht onderhouden, zodat we moeten oppassen voor diepe kuilen in het kapotgereden asfalt. Als we een kleinere weg nemen, belanden we zowaar in een file. Aan de zijkant van de weg staat het water soms dertig centimeter hoog, waardoor we zijn gedwongen om midden op de weg te rijden. Het is maar goed dat ook het overige verkeer genoodzaakt is om stapvoets te rijden. We ploeteren en ploeteren maar door. Als we moeten stoppen, staan we tot onze kuiten in het lauwe water. Tot overmaat van ramp rijden we ook nog verkeerd en komen we geheel tegen de bedoeling in uit in de grauwe buitenwijken van Bangkok.
Gelukkig zijn er voorbij Bangkok niet zoveel industriegebieden. Daar wordt geld verdiend met garnalenkwekerijen en zoutwinning. In plaats van stranden zijn er nu kweekvijvers en zoutpannen. De tweebaansweg wordt uitgebouwd naar een vierbaansweg, waardoor één rijstrook is afgesloten. Op de resterende strook rijden de twee tegengestelde verkeersstromen rakelings langs elkaar. Voor ons is het weinig opbeurend en nog gevaarlijk ook. We hebben al onze concentratie nodig om niet te worden afgesneden of geramd. Soms zijn er nieuwe stukken weg die nog niet zijn opengesteld voor het verkeer, zodat we de kans grijpen om even rustig te rijden; we hebben dan niet alleen de weg voor onszelf, maar het schiet ook nog lekker op.

Na vijf vermoeiende fietsdagen komen we in de kustplaats Hua Hin aan, waar we dankzij SRS twee nachten in het Royal Garden Resort kunnen verblijven. We worden weer eens vertroeteld met een luxe suite en een chique badkamer met alles erop en eraan. Vanuit de suite hebben we een mooi uitzicht over de Golf van Thailand, het strand en de palmbomen. In de kamer staat een kunstig opgemaakte fruitmand op ons te wachten. Een kamermeisje komt in de namiddag onze bedden alvast slaapklaar maken. Op elk hoofdkussen legt ze een verse orchidee. We geven haar een fooi waarvoor ze bedankt met het ‘wai’-gebaar, de Thaise uitdrukking voor dankbaarheid waarbij de handen voor het gezicht worden gevouwen en een lichte buiging wordt gemaakt. ’s Avonds worden we bovendien voor het diner in een van de vijf restaurants uitgenodigd. We voelen ons als vips behandeld.
Hua Hin is een van de leukere dorpjes in Thailand. Tot in zee staan paalwoningen. Vóór de woningen zijn gammele houten steigers waarop netten te drogen liggen. De grotere vissersboten aan de pier zijn beladen met verse vis. De vissers zijn druk in de weer om de manden en kratten op de wal te takelen. Het is zwaar werk en ze zijn dan ook behoorlijk gespierd. Bij de visafslag zijn mannen met grote schoppen de vis aan het overscheppen van de kratten in de vrachtwagens. Op het nabijgelegen strand staan tafels waarop honderden inktvissen in de zon te drogen liggen. Daarnaast repareren boeters fijnmazige netten. Hier en daar liggen kleine houten boten met de rug naar boven. De palmbladeren die erop zijn gelegd, dienen om het hout tegen de zon te beschermen.
De rest van de rustdag brengen we door in het Resort, dat zijn naam te danken heeft aan het feit dat de koning in Hua Hin zijn zomerresidentie heeft. De koning staat in hoog aanzien bij het volk. Hij heeft zich zelfs achter het volk geschaard bij de opstand tegen Generaal Suchinda. Zijn dochter heeft zich populair gemaakt door te helpen bij armenprojecten.
Als je een lange reis maakt, moet je af en toe kunnen ontspannen in wat betere hotels. Na zoveel haveloze hotels zijn we maar al te blij met dit Resort. Voor het eerst in vijf dagen is het droog en schijnt een verkwikkend zonnetje. Een duik in het zwembad wisselen we af met tafeltennissen en ’s middags kijken we naar het Europees Kampioenschap voetbal met de wedstrijd Nederland-Rusland. Als alle spelers worden voorgesteld, valt het ons op dat ze al zo oud zijn. Ik kan me nog als de dag van gisteren herinneren dat Dennis Bergkamp in Ajax debuteerde. Toen we gisteravond naar MTV keken, vonden we dat Kate Bush er ook veel ouder uitzag. Dan realiseren we ons dat we de afgelopen periode veel meer hebben meegemaakt dan in Nederland het geval zou zijn geweest. Onze tijdsbeleving is heel anders: doordat we zo intensief hebben geleefd, hebben we het gevoel dat het leven voor ons tien keer zo snel gaat. Al lijkt het tegenstrijdig, toch hebben we het zo beleefd.
De volgende dag is de luxe voorbij en stappen we weer op. We fietsen over dezelfde weg als drie jaar geleden. Wat een verschil. Toen hadden we nog het idee op een landelijke tweebaansweg te fietsen, nu is het een snelweg met veel verkeer. Langs de weg zijn in die korte tijd veel huizen bijgebouwd; het zijn overwegend rijtjeshuizen met op de tweede verdieping kleine balkons, inclusief uitzicht op de snelweg. Op de begane grond is meestal een garage met stalen rolluiken. Het ‘ontdekkingsreiziger-gevoel’ dat we hadden, ontbreekt nu totaal.
Na honderd kilometer stevig doorfietsen, arriveren we vroeg in de middag in Prachuap Khiri Khan, een vissersplaats vlak bij een marinebasis. Als we voor een verkeerslicht stilstaan, klinkt uit de luidsprekers die overal hangen krakende muziek. Als op bevel stopt al het verkeer en springen voetgangers in de houding. Het zal wel het Thaise volkslied zijn; we eerbiedigen de traditie om stil te staan. Twee minuten later gaat iedereen weer verder waarmee hij bezig was.
In een van de restaurants die aan de baai liggen, eten we vis met rijst. Een man komt naast ons zitten en vraagt vriendelijk waar we vandaan komen, waar we verblijven en waar we morgen heengaan. Denkende dat het gewoon een nieuwsgierige Thai is, antwoorden we spontaan. Pas als hij weg is, realiseren we ons dat hij, gezien de directe vragen, wel eens een militair in burger zou kunnen zijn die in verband met de marinebasis vreemdelingen moet controleren.

Het vlakke landschap biedt niet veel variatie. Dagen achter elkaar fietsen we langs rijstvelden afgewisseld met aangeplante palmbomenbossen. Soms zijn plukjes tropisch regenwoud te ontwaren: woekerende varens en reusachtige loofbomen. Rechts van ons vormen de bergen de natuurlijke grens met Myanmar. Af en toe valt er een korte heftige bui, maar gelukkig klaart het daarna weer snel op.
Omdat in dit gebied weinig hotels zijn, doen we navraag bij een politiepost. Een hoofdagent vindt het geen enkel probleem dat we daar de tent opzetten. De post bevindt zich op een afgeschermd terrein dat wordt omringd door woonhuisjes van de politiefunctionarissen en hun gezinnen. Onder een afdak staan banken, waartussen we de tent kunnen opzetten. De kinderen, vrouwen en mannen vinden ons maar wàt interessant. Het valt niet mee om na een vermoeiende fietsdag vriendelijk antwoord te geven op de geijkte vragen als ‘where do you come from’ en ‘what is your name.’ We worden getrakteerd op een schaal met fruit en een glas chocolademelk en een jonge agent en zijn vrouw nodigen ons uit. Ze hebben een klein, sober huisje met oude meubeltjes. Tot onze verbazing staat er wel een prachtige kleurentelevisie met moderne videorecorder, de trots van het gezin. Hun zoontje van drie jaar vindt het prachtig dat zich twee van die ‘farangs’ in zijn huis bevinden. Het gesprek loopt niet echt soepeltjes. We hebben al snel het idee dat wij beter Thais spreken dan de agent en zijn vrouw Engels. Maar hun gastvrijheid is hartverwarmend; we mogen zelfs gebruik maken van hun mandie.
Na een hartelijk afscheid rijden we zuidwaarts. We laten de Golf van Thailand achter ons en steken over naar de Andaman Zee. De weg voert ons door de Istmus van Kra. Dit is met zijn breedte van veertig kilometer het smalste punt van het Aziatische schiereiland waarop Thailand en Maleisië liggen. De Thaise regering heeft ooit het plan opgevat om een kanaal door de Istmus te graven. Hierdoor zou de scheepvaart niet meer via Singapore hoeven te varen en zich daarmee een omweg van honderden kilometers besparen. Omdat Thailand samen met Singapore in de ASEAN zit, de Aziatische EG, heeft Singapore door diplomatieke druk dit prestigieuze plan tot nu toe weten te voorkomen.
De Istmus van Kra vormt ook de natuurlijke grens tussen het noorden en het zuiden. Het zuidelijke deel is in veel opzichten anders dan het noordelijke; de Chinezen hebben de economie in handen, en de voornaamste bronnen van inkomsten zijn de rubberplantages, visserij en metaalwinning. Het meest in het oog lopende is dat de wats hebben plaatsgemaakt voor kleine moskeeën. Het boeddhisme moet wijken voor de islam. Het lijkt wel een ander land. We rijden door de dunst bevolkte streek in Thailand, waarvan tachtig procent van het oppervlak wordt ingenomen door tropische regenwouden. Daardoor is de Thaise westkust voor ons veel interessanter. Langs de weg groeit een ondoordringbare groene muur van palm- en bananenbomen, bamboe, varens, klimop en loofbomen. Vaker dan ons lief is kronkelt vlak voor onze wielen een slang over het asfalt. Eénmaal kruipt er zelfs een gitzwarte schorpioen zijdelings over de weg; ondanks de zwoele warmte staat het kippenvel ons op de armen. De dorpjes bestaan uit een paar houten huisjes op palen en een kruideniertje. Het gras rond de hutjes wordt kort gehouden om het gevaar van slangen te verminderen. De kustlijn wordt voornamelijk gevormd door strandjes, afgewisseld met mangrovemoerassen. Blijkbaar gedijen de loofbomen goed in het brakke water. Voor het eerst in anderhalve week genieten we weer echt van de omgeving.
De drassigheid maakt het gebied een eldorado voor muggen. Terwijl we in een woud van groen de tent opzetten, worden we door duizenden ontdekt. We weten niet hoe snel we ons met muggenolie moeten insmeren en de tent moeten opzetten. De olie helpt niet veel, want ze blijven aanvallen; het is om gek van te worden! Vanuit de tent proberen we zo goed en zo kwaad als het gaat tomatensoep en hutspot te maken: de rits een stukje open, even roeren en snel de rits weer dicht. De benzinebrander helpt nog het beste om de tienduizenden agressieve muggen op een afstand te houden. Als het eten op is, hangen we de waterzak aan een boomtak en draaien de dop een stukje los; zo is het net een kraantje. Wegens de loerende insecten wassen we ons met de Franse slag en duiken gauw de tent in. Onder het luidruchtige gekrakeel van padden en krekels dommelen we in slaap.
Ook als we de volgende ochtend ons hoofd buiten de tent steken, merken we al snel dat het nog steeds wemelt van de muggen. We moeten er toch uit. Marijke krijgt al snel de kriebels. Ook de mieren werken niet mee aan onze gemoedsrust: ze krioelen in de fietstassen en in de schoenen, die we vannacht buiten hebben laten staan. Zodra we iets voelen prikken slaan we er verwoed op los. Uiteindelijk is de jeuk niet meer te harden. We pakken alles razendsnel in en gaan een paar kilometer verderop in een wachthuisje ontbijten.
Iedere dag opnieuw is het een verrassing waar we die avond zullen overnachten. Het Thaise woord voor hotel is ‘rong raem’, maar omdat de Thais evenals de Chinezen moeite hebben om de ‘R’ uit te spreken, vragen we naar een ‘long laem’. Grappig genoeg komen we na twee keer vragen bij een Chinees hotel uit. Op zich is dat niet zo vreemd, aangezien in het zuiden de meeste hotels door Chinezen worden gerund.
Afgezien daarvan zijn er overwegend islamitische invloeden. Op uithangborden staat het Arabische schrift, de vrouwen dragen hoofddoeken en sommigen zijn van top tot teen bedekt. In een restaurant doen we ons tegoed aan een islamitisch gerecht. De rekening blijkt een foutje in ons nadeel te bevatten. Aan het ondoorgrondelijke gezicht van de serveerster is niet te beoordelen of er sprake is van opzet of niet, mede doordat Thais altijd glimlachen.
De volgende pauze houden we bij een rieten eethutje met een dak van palmbladeren. Er is een kleurentelevisie en tot onze vreugde is net de voetbalwedstrijd Nederland-Denemarken bezig. Vlak voor tijd weet Nederland de gelijkmaker te scoren. Marijke en ik springen op en juichen: ‘Hoera, ze hebben nog een kans!’ Een paar Thais kijken ons verbaasd aan. Tja, je bent Nederlander of je bent het niet. Na verlenging verliest het Nederlands elftal toch nog. Van Basten mist nota bene een penalty!

Op het eiland Phuket houden we twee rustdagen. Dit eiland is naast Pattaya hèt toeristencentrum van Thailand, maar mede door het miezerige weer hangt er een mistroostige sfeer. Er is bovendien niet veel vertier. In de bioscoop draait alleen een goedkope variant op Alien en helaas zijn er geen videobars zoals op Khao San Road in Bangkok. We lopen allebei een beetje met een kater rond omdat we veel meer van het eiland hadden verwacht. Phuket is blijkbaar alleen maar leuk als je aan het strand zit met mooi weer.
We zijn dan ook blij als we weer kunnen vertrekken. Bovendien werkt het weer goed mee: de hemel is strakblauw. In de buurt van Phang Nga rijzen vreemdsoortige rotsformaties op uit zee. Het lijken wel omgekeerde bergen. Door het vochtige klimaat zijn ze overwoekerd met een weelderige vegetatie.
Bij een Chinees hotel boeken we een boottocht door de lagunes van Phang Nga. In een longtail-boot doorkruisen we een groot mangrovemoeras. Loofbomen en palmen groeien hier gewoon in het brakke water. In de smalle kreekjes in het moeras wonen vissers in rieten hutjes op palen. De enige manier om deze te bereiken is per boot. We varen langs steile bergen met de meest bizarre vormen. Hier en daar groeien palmbomen en een enkele groeit zelfs op zijn kop. We pauzeren bij een grot waar druipstenen van witte kalk aan het plafond hangen. Op open zee wachten ons nog meer grillige rotsformaties. Een omgekeerde kegel die loodrecht uit het water opsteekt en de wetten van de zwaartekracht tart, is in de film The man with the Golden Gun te zien. Het ‘James Bond’-eiland, zoals deze in de volksmond wordt genoemd, is daarom de toeristische trekpleister van deze streek. Op het eilandje pal ernaast hebben kleine motorboten tientallen toeristen van boord gelaten. Dit aantal wordt geëvenaard door de verkoopsters van souvenirs en gedroogde inktvissen. ‘You want massàààge?’, klinkt het in mijn oor en met verweerde handen begint een vrouw van middelbare leeftijd mij te kneden. Dan richt ze zich tot Marijke met de vraag of ze misschien een manicure nodig heeft. Bij een Japanse toeriste heeft ze meer succes en ze begint geroutineerd diens nagels te vijlen.
We zijn blij als we verder varen. In de verte doemt een paaldorp op dat in zee staat. Dat het een moslimdorp is, is duidelijk aan de moskee met zijn halve maan te zien. De zeenomaden die hier leven, zijn alleen te bereiken per boot. Alle huizen staan op palen en zijn verbonden door smalle loopplanken. Eén misstap en je ligt in het water. Tussen de simpele hutten hangen netten te drogen. Temidden van de steigers zijn bassins waar vissen worden gekweekt of bewaard.
Als we door het moeras terugvaren is het inmiddels eb en staan de bomen droog. De wortels die zich als spinnenpoten naar alle kanten vertakken, zijn nu duidelijk zichtbaar.

De laatste dagen in Thailand trappen we stevig door. We fietsen langs palmplantages en rubberbomenbossen waar de bomen netjes rij aan rij staan. De palmen worden gebruikt om palmolie te winnen. De rubberbomen worden voornamelijk door kleine particuliere ondernemingen ‘gemolken’. Vanuit een gleuf die in de stam is gekerfd, loopt het stroperige witte rubber tergend langzaam een trechtervormig bakje in. Het goedje wordt na verloop van tijd verzameld en in een vorm gegoten. Dan wordt het door een antieke wringer gehaald. Het voorlopige eindresultaat is een vuilwitte ‘deurmat’ die op een waslijn in de zon te drogen wordt gehangen. Eenmaal droog gaan de rubbermatten naar de fabriek voor verdere verwerking.
We genieten nog even extra van de goede dingen van het land: ontbijten in een wachthuisje, de smaakvolle koeie tio als tussendoortje, en de gulle lach van de Thais. Ananas en rambutans zijn nog altijd onze favoriete vruchten en cola de lievelingsdrank. We staan even stil bij het feit dat het één jaar geleden is dat we uit Amsterdam zijn vertrokken. Het lijkt wel gisteren. Wat hebben we het afgelopen jaar toch veel indrukken voor de kiezen gekregen. We vragen ons af of we daardoor erg zijn veranderd. Als we terug zijn zullen we de rijkdom van het Nederland in ieder geval veel meer waarderen.
Inmiddels voelen we ons in het verwesterde Thailand wel thuis. Want ondanks de spijkerbroeken en kleurentelevisies heeft het land een eigen sfeer en een eigen karakter. Dit is enerzijds te danken aan het boeddhisme en anderzijds aan het feit dat het voormalige Siam nooit is overheerst door vreemde mogendheden. De voormalige koningen hebben dit door diplomatiek spel altijd weten te voorkomen. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog was er sprake van een culturele revolutie, waarbij westers bestek en westerse kleding werden geïntroduceerd. Dit was uit pure noodzaak geboren en werd door de toenmalige koning als volgt verklaard: ‘Als we ons maar westers gedragen, dan zullen de Europese landen ons als een gecultiveerd land zien en er niet veel voor voelen om ons te koloniseren.’ Toch zijn we na bijna drie maanden Thailand wel weer toe aan nieuwe ervaringen en popelen dan ook om naar Maleisië te gaan.
Als we aan een van de laatste klimmetjes in Thailand bezig zijn, passeert een vrachtwagen. Er zitten vier toeristen plus fietsen in de laadbak, gekleed in smetteloos witte T-shirts en felgekleurde korte broeken. Ik schud afkeurend mijn vinger heen en weer en een van hen geeft met een bekakte stem toe: ‘Zwak hè!’ Dat beamen we grondig; zien we hier eindelijk eens fietsers, nemen ze een vrachtwagen.

Deel deze pagina met anderen